Selecteer een pagina

Levend Geloof – 251

1984 september nr. 251

Er is maar een evangelie door Gert Jan Doornink

“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

De grote opdracht voor de gemeente

Matteüs 24 is een veel geciteerd hoofdstuk uit de bijbel. Vooral schrijvers over de eindtijd nemen dit hoofdstuk vaak zeer uitvoerig onder de loep. Opvallend daarbij is dat de uitspraak van Jezus over de prediking van het evangelie van het Koninkrijk vaak weinig of geen aandacht krijgt. Terwijl dit juist de grote en aller belangrijkste opdracht is van de eindtijdgemeente. Want temidden van alle duisternis, destructie en verwarring blijft God zijn grote liefde jegens de mens de kroon   der schepping – betonen. God wil niet “dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09).

Onze God is een goede God en zoals Hij eens zijn Volmaakte goedheid tot openbaring bracht in zijn Zoon, die is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38), zo doet Hij thans via de gemeente. Maar deze gemeente is  dan ook geroepen hetzelfde evangelie openbaar te maken wat Jezus deed: het evangelie van het Koninkrijk; het volle evangelie.

Een andere evangelieverkondiging is nooit Gods bedoeling geweest. Er is maar één werkelijk, Gode welgevallig evangelie: het evangelie, dat de mens die er op ingaat, werkelijk verlost uit satans macht en hem overplaatst in Gods Koninkrijk.

Het brengen van dit evangelie brengt als consequentie mee dat verdrukking en vervolging ons niet bespaard zullen blijven, want de duivel haat de verkondiging en beleving van dit evangelie. Daarbij zullen we er rekening mee moeten houden dat deze verdrukking niet alleen komt vanuit de wereld en het naam-christendom, maar ook via christenen die het volle evangelie afwijzen. Immers zolang we het echte evangelie afwijzen zitten we nog in verkeerd vaarwater en heeft satan een vinger in de pap.

Het evangelie zonder compromis

Jezus was altijd bezig op radicale en compromisloze wijze het evangelie te verkondigen. Voor Hem bestond er geen halfslachtigheid of vaagheid. Hij wist hoe geraffineerd en listig satan de mensen gebonden probeerde te houden. Maar in gehoorzaamheid aan de opdracht van de Vader was Hij ten alle tijde bezig satan te ontmaskeren en te overwinnen.

Het evangelie van het Koninkrijk is een geestelijk evangelie, daarom kan het nooit op één lijn gesteld worden met veel hedendaags evangelie, wat horizontalistisch is of allerlei theorieën naar voren brengt van wat er op deze aarde kan gaan gebeuren. Jezus sprak: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36). Het volle evangelie maakt ons juist los van deze wereld. Het bindt ons aan de Vader, dat wil zeggen maakt ons één met Hem. Johannes schrijft: “Onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3b (1 Joh. 01:03b).

Het bewerkt dat we de dingen gaan zoeken, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods en dat we de dingen bedenken die boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 1 (Kol. 03:01). Het maakt ons bewust dat we hemelburgers zijn die, vanuit onze plaats in de hemelse gewesten, leren strijden en overwinnen.

Het is een heerlijke zaak betrokken te zijn bij de verkondiging van dit evangelie. Daarbij wordt niet van ons gevraagd of wij een speciale bediening of ambt hebben, maar ieder kind van God, dat door Gods Woord en Geest de ogen voor dit evangelie geopend zijn, is geroepen dit evangelie door woord en daad openbaar te maken. Wie trouwens eenmaal dit evangelie heeft leren kennen zal ook niet anders meer kunnen en willen. God heeft zo’n grote liefde jegens ons gehad dat Hij zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgegeven heeft, en heeft ons met en in Hem alle dingen geschonken Romeinen 8 vers 32 (Rom. 08:32).

Deze liefde zal bij een waarachtig kind van God nooit onbeantwoord blijven. Hij heeft zijn liefde in onze harten uitgestort door de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Daarom zullen wij als eindtijdchristen niet zwijgen, maar het volle heil proclameren, dwars tegen alle tegenstand in. God zal ons er voor bewaren dat de vijand ons er toe zal brengen een ander evangelie te verkondigen, want er maar één evangelie! Aan dat evangelie willen wij trouw blijven! En al worden wij dan door allen gehaat om zijns naams wil, het is als een rotsvaste zekerheid gegrift in onze harten dat wie volhardt tot het einde behouden zal worden!

 

De mens Gods wordt voltooid door Jan W. Companjen

 

Lezen: Jesaja 11 vers 1 tot en met 10 (Jes. 11:01-10). Vanaf Jesaja 11 vers 9 (Jes. 11:09) staat daar: “Men zal geen kwaad doen noch ver­derf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedek­ken. En het zal te dien da­ge geschieden, dat de vol­ken de wortel van Isaï’ zul­len zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn”.

De groei naar de volwassenheid

Opwassen tot het zoonschap houdt in dat wij de manne­lijke volwassenheid zullen bereiken. Dat wij geestelijk volwassen zullen worden is een geweldig perspectief. In 1 Korinthiërs 13 (het hooglied van de liefde) staat: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind en re­deneerde ik als een kind; eenmaal man geworden legde ik mijn kinderlijke manier van doen af.

Wat we nu nog zien zijn de vage beelden in een spiegel, maar dan (als we volwassen zijn) staan we oog in oog. Nu is mijn kennis beperkt, maar dan zal ik kennen zo­als God mij kent”.

Paulus doelt hier op de gro­te gave van het nieuwe ver­bond in Jezus Christus, dat wij God leren kennen zoals Hij in werkelijkheid is en dat wij de Zoon Gods gelijk­vormig zullen worden.

Het Woord Gods zal ook in het lichaam van Christus, de gemeente, vlees worden. Dat wil zeggen dat wij als gemeente van Christus tot één Geest zullen gaan samengroeien met de Vader en de Zoon opdat wij één zijn zoals de Vader en de Zoon reeds een samen ge­smolten eenheid is. Deze eenheid van God en Jezus is het voorbeeld voor de eenheid van de gemeente en die eenheid komt voort en wordt mogelijk gemaakt door de doop in de Heilige Geest. Christus in ons, de hoop der heerlijkheid is daarbij ons devies. Gods Geest moet en zal aldus gestalte krijgen in ons vlees en le­ven. Alles wat daarvoor no­dig is, is volbracht op het kruis van Golgotha. De ak­ker is de wereld, daarop speelt zich alles af. Die ak­ker, de wereld dus, is ge­kocht en betaald met het leven van Jezus Christus. Hij heeft ons gekocht voor God met zijn bloed uit elke stam, taal, volk en natie Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09).

Vermeerdering van de geestelijke kennis

Het opwassen tot het zoon­schap houdt in dat onze Geestelijke kennis vermeerderd wordt. Er zijn zo in de loop der jaren nogal wat leerstukken ontstaan die zeer belemmerend werken op het goed verstaan van Gods Woord en daardoor de groei van de kennis Gods in de weg staan. Het is de duivel gelukt om dusdanige barricades op te bouwen dat het zuivere uitzicht vol­komen verloren is gegaan.

Eén daarvan is het leerstuk van de drie-eenheid. Het geloven in een eenheid die bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Wie Jezus wil gaan volgen en zich wil gaan uitstrekken naar zijn beeld, zal bij het leerstuk van de drie-eenheid al spoedig merken dat dit leerstuk een geweldig ob­stakel is naar de ‘volheid Gods’. Uit dit dogma komt toch immers naar voren dat Jezus toch eigenlijk God zelf is/was, en geen mens van vlees en bloed zoals u en ik. Hij wordt boven het algemeen menselijke gesteld en zijn inspirerend voorbeeld, wat Gods Geest in een mens van vlees en bloed vermag, gaat volkomen verloren. Hij was God, handelde Goddelijk, maar wij, wij zijn maar mensen. Mensen van vlees en bloed, weliswaar ge­doopt met de Heilige Geest, maar toch… ergens zon­daars en mensen met een mankement die niet geheel de weg Gods kunnen gaan.

Nu, geliefde broeders en zusters, ik kan u verzeke­ren dat, als u zo denkt, uw denken nog kinderlijk is en/of door de duivel gebeten bent. (Drie-eenheid)De slang, die hielenbijter, is er de oorzaak van dat uw gang op het geestelijke pad nog niet vast en zeker is.

God is Geest en Hij open­baarde zich in Christus. Hij schiep na de eerste Adam een nieuwe Adam en zijn Woord, dat gesproken was voor het gehele menselijke geslacht, werd vlees, werd zichtbaar in deze wereld. Hij werd aldus de eerstgeborene van een nieuw menselijk ge­slacht waarmee God de Va­der van al het Geestelijke leven, contact kon onder­houden. Dé Heilige Geest is de Geest van God en die Geest van kracht, liefde, volheid en oneindige goed­heid, die alles wat door de duivel overweldigd is, weer wil herstellen, wil wonen in mensen, waarvan Jezus Christus de eerste was. Zo­als reeds eerder gezegd kunnen wij dit het beste vergelijken met het menselij­ke lichaam, dat ook een drie-eenheid is, namelijk geest, ziel en lichaam. Die drie zijn ook één en niet te scheiden.

Jezus koos bewust voor de weg Gods

Jezus, in wie het Woord Gods als eerste gestalte kreeg, was een mens zoals u en ik. Hij had een eigen vrije wil. Hij kon wel en ook niet naar Golgotha gaan. Hij wist dat God zijn Vader was en koos bewust voor de weg Gods. Hij kocht ons aldus vrij uit de macht van satan. Hij be­dacht de dingen die boven zijn. Hij was de eerste met een volkomen geestelijk le­ven die kon zeggen: Ik doe geen ding of de Vader heeft het mij gezegd, ge­leerd. Zijn kennis was vol­komen. Hij wist dat Gods Geest alles in Hem was en daarom kon Hij zeggen: Voor de wereld er was, was Ik. Zoals Ik, Jezus, ben zo heeft God, de Vader van de ganse schepping, zich de mens vanaf de schep­ping gedacht.

Wij zijn, door geloof in Hem, mede opgenomen in dat grote plan Gods en met Christus mede gezet in de hemelse gewesten om daar het plan Gods te gaan uit­voeren. Daarvoor is ken­nis, Goddelijke kennis no­dig. Door de eeuwen heen is er steeds een strijd ge­weest tussen de mens die de zintuigen (hetgeen je zag, voelde, hoorde, enz.) lieten meewerken bij hun inzicht betreffende de ‘wa­re kennis’ en hen die het werk van de zintuigen op een laag pitje hielden. Menigmaal is in de geschie­denis gebleken dat bepaal­de kennis radicaal omver werd gegooid. Onder andere vond dit plaats door de steeds verdere ontwikkeling van de techniek. Na alle onderzoek kwam men uitein­delijk tot de Bijbelse conclusie dat ons kennen als mens, ten dele is. Ware kennis, zowel in het Geeste­lijke als in het natuurlijke, is slechts mogelijk door communicatie met God de Vader en Schepper van al­les waarover wij als mens, als kroon der schepping, gesteld zijn. Zijn Geest zal ons leiden naar het juiste inzicht en daardoor tot de ware kennis, namelijk Gods plan met deze wereld.

In 2 Korinthe 2 vers 6 tot en met 16 (2 Kor. 02:06-16) lezen wij een duide­lijke uiteenzetting betreffen­de deze Goddelijke wijsheid. Het geweldige plan Gods, waarbij het gehele volk Gods dat door Christus gered is, betrokken is. Paulus zegt daarvan in het genoemde Schriftgedeelte dat het een wijsheid is bedoeld voor in­gewijden. Het is niet een wijsheid van deze wereld of van de machtigen van deze wereld, want aan hun macht komt een einde. Nee, wat wij verkondigen is Goddelij­ke wijsheid die zal dienen tot glorie van de ganse schepping. Zouden de anti- goddelijke machten die de kruisiging van Jezus uitein­delijk hebben bewerkstel­ligd, van dit plan op de hoogte zijn geweest, dan hadden zij Christus niet la­ten kruisigen. Zij hebben zich namelijk aldus zelf van hun macht beroofd.

God zelf wijst ons de weg

Het is daarom dan ook zo’n harde noodzaak dat wij in deze eindtijd door God zelf geleerd worden. Wij zullen er voor moeten komen open te staan dat Hij ons ook heden, vandaag, iets te zeggen heeft op de weg naar het herstel van alle dingen. Daarvoor is het openbaar worden van de zonen Gods noodzakelijk en dat de gaven van de Geest weer goed gaan functioneren. Ook is het belangrijk dat wij door profeten en leraars weer op het juiste pad, de hoge weg, worden gezet.

Voor een ieder die geloof heeft en met ons belijdt dat de toekomst, ook van deze wereld, des Heren is, gaan de deuren open, gaat de hemel open en wordt de boekrol geopend. Een rol tot de eindtijd bewaard voor hen die daartoe zijn opgeklommen.

In dat Messiaanse vrederijk zal men geen kwaad doen, noch verderf stichten, want de aarde zal vol wor­den van de kennis des He­ren. En het zal te dien dage geschieden dat de volken de wortel van Isaï (Jezus Christus) zullen zoeken. Dan zal Jezus in het middel­punt staan, als een banier van de natiën en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Jezus komt alle eer toe, Hem het hoogste eerbetoon. Hij vervult Gods raads­besluit.

De mens Gods wordt in ons voltooid!

 

 

 

Het nieuwe Jeruzalem (gedicht) Piet Snaphaan

Een Stad onwankelbaar gebouwd.

Met kostbare talenten,

Als Gods stad werd zij eens ontvouwd,

Johannes had haar reeds aanschouwd,

Als Stad met fundamenten.

 

Een Stad van ruimte, levend Licht,

Versierd met edele soorten,

Jeruzalem door God gesticht,

Zij krijgt gestalte, komt in ’t zicht,

Als stad met open poorten.

 

Jeruzalem gij Stad in wien,

Geen zon zich hoeft te tonen,

Waar ook geen tempel is te zien,

God is haar Licht, en bovendien,

Is zij als Stad volkomen.

 

O, heil’ge Stad, die vol zal zijn,

Van heerlijkheid en luister,

Met hemelburgers, groot en klein,

Die door het bloed gereinigd zijn,

Ontkomen aan het duister.

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 6 –

Het gesprek wordt hersteld

Het thema van Zacharia 3 zouden we als volgt kunnen formuleren: het herstel van het gesprek. “Vervolgens deed Hij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). De gestalte die hier in het middelpunt staat, is de hogepriester; hij vertegenwoordigt het priesterschap. Zijn naam is veelbetekenend: Jozua wil zeggen: de Here bevrijdt. Dit is God op het hart geschreven; zo is zijn wezen: Hij doet niets liever dan bevrijden, in de ruimte zetten, zoals de oorspronkelijke zin van het woord is. Maar in welke ruimte zet God de mens? In de ruimte van het gesprek. Mens zijn is aangesproken zijn. Mens zijn is antwoord geven, nog dieper, nog intenser: antwoord worden aan God. God wil dat we onszelf leren zien: jij bent antwoord, waar Hij op wacht.

Er is nog een gedachte die door de naam Jozua wordt opgeroepen: de herinnering aan de oeroude daden van bevrijding ten tijde van de intocht in Kanaän wordt erdoor wakker gemaakt. Eenmaal was daar een Jozua die het volk voorging en die ruimte maakte in het land. Derhalve, wanneer hier opnieuw de naam Jozua klinkt, dan gaat er een heimwee leven, een diep verlangen, een hunkering naar die daden Gods van het begin, Jozua, die zoete naam met zijn verborgen schatten: zou die naam nog eens opnieuw door de hemelen gaan ruisen, zou die naam nog weer de geestelijke wereld in beweging kunnen zetten, zou de Here nog weer eens als in de dagen van de oertijd, als in de dagen van het begin, als in de morgenstond van de geschiedenis, een God van bevrijding kunnen worden?

De heenwijzing naar de volkomen mens

Jozua, naam die oertijd en eindtijd verbindt, want tegelijk is deze naam een heenwijzing naar de naam Jezus, de volkomen mens, de laatste Adam, dat wil zeggen de laatste Mens, of wel de mens van het eindstadium, de mens in wie alle bevrijdende daden van God hun concentratiepunt, hun realisering, hun eindvervulling vinden.

Zo staat daar deze Jozua, gestalte van priesterschap en bevrijding. Een priester is een oprichter, want het Hebreeuwse woord ‘cohen’ hangt samen met een werkwoord dat op richten betekent. Een heel diep verband, want daarin ontdekken we dat een priester in wezen betrokken is bij de wederoprichting van alle dingen. Zoals God oprichter is, wederoprichter, zo zal de ware mens daarin deelgenoot zijn; een priester is iemand die het gevallene opricht, het neergebogene opheft, het verdrukte doet opstaan, opdat het weer mens zal zijn.

De aangetaste identiteit

Zo zien we deze Jozua daar staan, maar er is iets met hem aan de hand, het beeld wordt verduisterd, zijn gestalte is niet helder, zijn identiteit is aangetast, zijn oog omfloerst. Er staat een aanklager aan zijn rechterhand; niet Jozua is degene die spreekt, maar die aanklager heeft het woord. Zo is er geen gesprek, datgene waar de hele geschiedenis op gebouwd is, het gesprek tussen God en mens, dat is geblokkeerd. We komen hier tot het hart van de zaak, het hart van de wereldhistorie: als er geen priesterschap is, staat de geschiedenis stil. Dan is er geen heling van de tijd. Zo priester, zo volk: dat wil ook zeggen: als de priester verstomt, als de priester faalt, geremd is, met beschaamd gelaat staat, dan is er geen hoop voor het volk, geen hoop voor de schepping, geen uitkomst voor de geschiedenis, dan is de historie niets anders dan een langzaam doodbloeden van de tijd, een sterven van volkeren.

Herkennen we hierin niet het beeld van de gemeente door vele eeuwen heen, in het verleden en nu nog? De aanklager staat aan haar rechterhand. In naam van God zijn heel vaak geen daden van bevrijding verricht, maar integendeel, juist daden van knechting. Zo lezen we bijvoorbeeld: ‘Geregeld doken er karavanen met witte vlaggen uit de woestijn op. De kamelen zwaar bepakt met ivoor en gom, en gevolgd door troepen aan elkaar gebonden negers. Een neger kostte een halve schepel tarwe en bracht in Portugal in onze waarde twee a drie duizend gulden op. De Portugezen vonden dat het fortuin hun zo langzamerhand wel toekwam. In een reisverslag staat ronduit: Eindelijk behaagde het God, de Beloner van alle goede daden, voor de menigvuldige in zijn dienst geleden tegenspoeden, hun roem voor hun moeiten en vergoeding voor de onkosten te geven, want aan mannen, vrouwen en kinderen werden tezamen 165 stuks gevangen’.

Zo werd het priesterschap verdonkerd; de bevrijding bleef uit. Aanklacht na aanklacht stapelde zich op. Wat gemeente moest heten, werkte niet mee met de Bevrijder, doch maakte gemene zaak met de slavendrijver. Zo staat de gemeente daar, met vuile klederen, een gestalte, belast en besmet, niet meer in staat tot gesprek, want de aanklager heeft gelijk.

Wie kan het gesprek herstellen

Is er dan nog een wending mogelijk? Kan priesterschap hersteld worden? Alleen als God een brandhout uit het vuur rukt. Het vuur woedt, het vuur spaart niets en niemand, het vuur kent geen mededogen; zo is de grimmigheid van de boze. De priesters hadden hun positie verspeeld en ballingschap was het resultaat, als een vuur had Babel het heiligdom en de dienst des Heren verteerd, de dienaren ontluisterd. De wegen naar Sion treuren, haar priesters zuchten, zo horen we in Klaagliederen.

Alleen God kan de aanklacht tot zwijgen brengen en het gesprek herstellen. “De Here echter zeide tot de satan: De Here bestrafte u, satan, ja, de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). Heel sterk komt in de wijze van formuleren naar voren: de vrijspraak gaat van God zelf uit. De Here, dat is zijn exodus- naam, Hij is de God van de vrijspraak, de God die er immer weer op uit is, het gesprek weer op gang te brengen. Door vrijspraak wordt het gesprek weer geopend. Het woord ‘bestraffen’ betekent eigenlijk: schelden. God scheldt de satan, dat is de hinderaar, de dwarsligger.

Dan gaat er iets veranderen. Dan is het niet meer: de satan aan mijn rechterhand, maar: de Here is aan mijn rechterhand, en daarom wankel ik niet Psalm 16 vers 8 (Ps. 016:008). Eerst zou de mens wankelen en vallen, hij kon niet staande blijven in het gericht, maar nu wankelt hij niet langer, hij kan staan te midden van de gerichten. Zo werd Jezus de eerste mens die stand hield in het gericht, zodat van Hem gezegd kon worden: “Want Hij (de Vader) is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou” Handelingen 2 vers 25 (Hand. 02:25), waar Petrus de genoemde psalm citeert en toepast op Jezus) .

De verwrongenheid gaat verdwijnen

Jozua was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. Toen nam deze het woord en zeide tot hen die voor Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit” Zacharia 3 vers 3 en 4a (Zach. 03:03-04a). Er staan dienstengelen gereed en zij worden ingeschakeld om Jozua te ontdoen van de oude klederen. Dan komt het woord tot hem: “Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestkleren aan” Zacharia 3 vers 4b (Zach. 03:04b). Het begrip ‘ongerechtigheid’ heeft als grondbetekenis: verwrongenheid. Zonde maakt het wezen van de mens verwrongen. Hij kan zichzelf niet meer zijn. Letterlijk staat er: Ik doe uw verwrongenheid van boven u overtrekken. Zoals een nevel boven het hoofd van een mens wegtrekt. De verwrongenheid moet plaats maken voor feestdracht. Het hier gebezigde woord voor feestkleren komt slechts tweemaal in Tenakh voor en duidt, vanuit het Arabisch afgeleid, op geschonken erekledij.

Nu is het frappant dat we in vers 5 lezen: “Ik nu zeide” . We bemerken dat de profeet hier zelf een aandeel krijgt in het restaureren van het priesterschap. Hij raakt betrokken in het gesprek. Hij geeft aan wat er nodig is om Jozua in zijn ambt te herstellen. God wil niet dat de mens maar gelaten alles over zich heen laat komen, maar dat hij bewust en met inschakeling van zijn denkvermogen meedoet. Van Zacharia als profetisch mens wordt verwacht dat hij gedachten aandraagt die in het herstelplan van God passen. God zoekt de mens die met Hem meedenkt, met Hem meeleeft, met Hem meevoelt. Die mens zal meer en meer gaan aanvoelen wat er nodig is voor de realisering van Gods bedoelingen.

“Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten” Zacharia 3 vers 5a (Zach. 03:05a). Met de tulband wordt aangeduid een doek die meermalen om het hoofd gewikkeld wordt, het teken van de hogepriesterlijke waardigheid. Toen Jozua daar stond voor God, was hij derhalve ook zijn waardigheid kwijt. Wat Zacharia hier naar voren brengt, is dus van de hoogste importantie; hij beseft dat er één ding urgent is: het herstel van de waardigheid. “Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond” Zacharia 3 vers 5b (Zach. 03:05b). Letterlijk staat er: ze bekleedden hem met gewaden. Speciaal wordt erbij vermeld dat de engel of bode des Heren tijdens deze plechtigheid stond, dat houdt dus in dat hij van zijn zetel opgestaan was. Staan duidt op een strijdbare houding. Het is een strategisch moment. Wanneer het priesterschap hersteld wordt, staan de engelen op. We bespeuren hier een geestelijke wet: wanneer de priesters weer tot waardigheid komen, heeft dat zijn uitwerking in de geestelijke wereld; de engelen verheffen zich dan om tot actie over te gaan.

De bewaring des Heren

“Hierop vermaande de Engel des Heren Jozua: Zo zegt de Here der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan” Zacharia 3 vers 6 en 7 (Zach. 03:06-07) . Nauwkeurig vertaald staat er niet: hij vermaande Jozua, maar hij betuigde Jozua.

Vervolgens is er sprake van twee voorwaarden en drie beloften. De voorwaarden zijn: in mijn wegen gaan, en de opgedragen taak waarnemen, letterlijk staat er een uitdrukking die met name in Numeri nogal een rol speelt: mijn bewaring bewaren. Dit mogen we niet zomaar slordig vertalen; dan gaat de kracht eruit. Van Abraham zegt God in Genesis 26: “hij heeft bewaard mijn bewaringen” . In Leviticus 8 klinkt de oproep tot Aaron en zijn zonen: “bewaart de bewaring des Heren” Leviticus 8 vers 35 (Lev. 08:35) . Dat gaat dieper dan wat het NBG noteert: “gij zult het u door de Here gegeven voorschrift in acht nemen” . Het gaat hier om de bewaring des Heren. Dat wil zeggen: het gaat erom, wat God bewaart. Hij is principieel degene die bewaart. Wat bewaart Hij? Hij is de bewaarder Israëls, Hij bewaart de mens, de schepping die Hij gemaakt heeft. Nu ontvangt de mens de opdracht, te bewaren de bewaring Gods, anders gezegd: hij moet bewaren wat God bewaart. Hij is dus geroepen om navolger van God te zijn. Juist tegen de achtergrond van de ballingschap, waar immers zovele kostbare waarden verloren gingen, krijgt deze opdracht die Jozua ontvangt, zijn bijzondere reliëf.

Zo ook nu, in onze dagen: God plaatst ook ons als priesters voor de taak, te bewaren wat Hij bewaart. De gemeente heeft de roeping, te bewaren; wat zal zij bewaren? Het waarachtige mens zijn, de waarde van het bestaan, zo aangevochten in deze tijd waarin de mens gelijk gesteld wordt met een machine, een onpersoonlijk voorwerp. De gemeente zal bewaren de waarde van God, in een tijd waarin zovelen het kwade aan Hem toeschrijven. De gemeente zal bewaren de waarde van de schepping, in een tijd waarin zovelen zeggen: alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan; in een tijd waarin velen de aarde afschrijven als ‘wijlen de planeet aarde’ (the late planet earth) . De gemeente zal bewaren alles wat haar Meester bewaart.

De mannen van het wonderteken

Dan zijn er drie beloften: ten eerste, gij zult mijn huis richten, ten tweede, ge zult mijn voorhoven bewaren (weer dat woord ‘bewaren’), en ten derde, Ik zal u doen verkeren, letterlijk: Ik zal u toegangen geven tussen hen die hier staan. Dus hem wordt toegezegd de entree in de geestelijke wereld, de toegangen tussen de hemelse heerscharen zullen voor hem openliggen.

“Hoor toch, Jozua, hogepriester, gij en uw gezellen die voor u zitten – zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen – ”            Zacharia 3 vers 8a (Zach. 03:08a). Nu wordt hij aangesproken met zijn gezellen, er staat eigenlijk: uw genoten, dat wil zeggen uw deelgenoten, uw lotgenoten, uw reisgenoten of volksgenoten. Een mens is nooit alleen; hij is er altijd samen met zijn genoten, hij staat altijd in een gesprek. De mannen die hier met Jozua verbonden optreden, zijn de priesters. Zij zijn mannen van het wonderteken, dat houdt in dat zij zelf door hun aanwezigheid een teken vormen, een teken dat naar Gods toekomst wijst, teken van een nieuwe tijd, keerpunt in de geschiedenis.

De genezer van de eenzaamheid

“Voorwaar, zie. Ik zal mijn knecht, de Spruit doen komen” Zacharia 3 vers 8b (Zach. 03:08b).

We hebben hier te maken met een naam van de Messias; ook Jeremia sprak reeds over de Spruit: “Zie, dagen komen, is de uitspraak des Heren, dat Ik zal doen opstaan voor David een rechtvaardige (eigenlijk waarachtige) Spruit” Jeremia 23 vers 5 (Jer. 23:05). Trouwens we kunnen nog verder teruggaan: Jesaja heeft al een dergelijke gedachte doorgegeven: “Te dien dage zal wat de Here doet uitspruiten (letterlijk: de Spruit des Heren) tot sieraad en tot heerlijkheid zijn” Jesaja 4 vers 2 (Jes. 04:02). Een uitermate verkwikkend woord, juist tegen de achtergrond van de doorstane ballingschap. Na de dorheid en doodsheid, de jaren van onvruchtbare aarde, van vruchteloze moeite, van zinloosheid, eindelijk weer een sprietje boven de grond. Wat een vreugde na een lange barre winter, als er op de wijde kale vlakte weer iets groens opschiet.

Wanneer Jesaja het herstel van de ballingschap wil typeren, gebruikt hij maar liefst negen keer de woorden spruit of uitspruiten. Zo bijvoorbeeld in dat prachtige slotvers van Jesaja 61, dat letterlijk vertaald aldus luidt: Want zoals de aarde haar spruit doet uitgaan, en zoals een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here Here waarachtigheid en lof doen uitspruiten ten overstaan van alle volken.

Wat is die Spruit? Een mens, een knecht van God; een mens in gesprek met de hemel en in gesprek met de aarde. Zacharia ziet hem komen. Zo zal Jezus straks zijn; hij wordt de mens die volledig staat in het gesprek met zijn Vader, en die daarom het gesprek met de aarde aankan. Zo is Hij knecht, Hij dient de hemel en de aarde. Zo geneest Hij de eenzaamheid van de geschiedenis.     (wordt vervolgd) .

 

In de voetstappen van Jezus door G. J. R. Doornink

 

“Want hiertoe zijt gij geroe­pen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”

1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21).

Als gemeente van de eindtijd zijn wij geroepen de volheid van Jezus te openbaren. Soms lijkt het wel dat we hiervan nog ver verwijderd zijn, als we zien op de ver­deeldheid , krachteloosheid en liefdeloosheid, die zich in de gemeente vaak nog openbaart, in plaats van de overwinning van Jezus.

Toch mogen we er zeker van zijn dat God die in ons een goed werk is begonnen dit ook zal voortzetten! Alle op­rechte kinderen Gods die het verlangen hebben meer en meer de heerlijkheid van God door hun leven heen tot openbaring te brengen, zullen ervaren dat God dit door zijn Geest ook be­werkt. Wie de weg met Je­zus in geloof en gehoor­zaamheid bewandelt, gaat ook steeds meer het beeld van Jezus openbaren. Hij laat zich niet afremmen door welke tegenwerkende macht uit het rijk der duis­ternis ook, maar heeft slechts één doel voor ogen: Gods wil te doen. En Gods wil is “het goede, welge­vallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Gods Geest is de grote inspiratiebron in zijn leven. En daardoor is het mogelijk ten volle Jezus als voorbeeld te volgen, daardoor is het iedere dag opnieuw mogelijk in zijn voetstappen te treden.

Vijf redenen om Jezus te volgen

Wij willen nu vijf redenen bespreken waarom wij in de voetstappen van Jezus behoren te treden.

– Omdat God liefde is.

God zond het allerliefste wat Hij bezat, zijn eniggeboren Zoon, naar deze wereld. Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16) zegt: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verlo­ren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Toen Jezus op aarde was openbaarde Hij in ieder opzicht wat Goddelijke liefde was. Hij vergaf de zondaren hun zonde, Hij genas de zieken en bevrijdde de gebondenen. Hij toonde wat er leefde in het vaderhart van God. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dan ook van Hem dat Hij de afstraling van Gods heerlijk­heid was en de afdruk van zijn wezen. Niet alleen in het doen van wonderen en tekenen bewees Hij Gods liefde jegens de mensen, maar het kwam door heel zijn leven tot openbaring. Petrus schrijft dat als Hij gescholden werd, niet te­rugschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaar­dig oordeelt 1 Petrus 2 vers 23 (1 Petr. 02:23).

Nu Jezus niet meer lichame­lijk op aarde is, heeft de gemeente tot taak deze God­delijke liefde te openbaren. Wij zijn nu het lichaam van Christus. Wij mogen dezelf­de dingen doen die Hij deed, maar ook zullen we er rekening mee moeten houden, dat ook wij veel onrecht zullen moeten ver­duren. Maar een waarachtig kind van God weet dat niets en niemand hem kan scheiden van de liefde Gods geopenbaard in Jezus Christus. Hij brengt niet alleen de gaven maar ook de vrucht van de Geest tot openbaring, want zóu dat niet het geval zijn, dan zou de wereld niets kunnen bemerken van het feit dat God een God van liefde is. Daarom willen wij treden in de voetstappen van Jezus!

– Omdat Christus een volkomen Verlosser is.

Jezus is de Verlosser naar lichaam, ziel en geest. Pe­trus schrijft van Hem dat Hij onze zonden in zijn li­chaam op het hout ge­bracht heeft, opdat wij aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zou­den leven; en door zijn striemen zijt gij genezen” 1 Petrus 2 vers 24 (1 Petr. 02:24). Dit werd reeds door de profeet Jesaja geprofeteerd en later ook door Matthéüs aan ge­haald als Jezus zieken ge­neest en boze geesten uit­drijft Matteüs 8 vers 16 en 17

(Matt. 08:16-17).

De gemeente van Jezus Christus zal daarom ook op dit punt nooit water in de wijn mogen doen, zoals he­laas hier en daar is gebeurd. We kunnen ons daarbij niet verschuilen achter fouten en fanatieke handelingen die door sommigen gemaakt zijn in het verleden. De gene­zing en bevrijding behoort altijd een wezenlijk onder­deel van de prediking van het evangelie te blijven.

Ook in dit opzicht mogen wij het nooit anders doen dan Jezus deed.

– Omdat Hij ons voorbeeld is .

Petrus zegt dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten. Dat spreekt helemaal voor zichzelf. Hij deed voor, zo­als wij het ook behoren te doen. Zoals een onderwij­zer op school de kinderen voorbeelden geeft, die zij moeten navolgen, zo is Je­zus ons grote geestelijke voorbeeld. Van Hem zegt Hand. 10:38 dat Hij is rondgegaan, weldoen­de (goeddoende) en gene­zende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”.

Zo zal God ook met ons zijn als we dit levende voor­beeld volgen. Zoals satan aan Jezus niets had, zal hij ook aan ons niets hebben, als we door het voorbeeld van Jezus te volgen, wan­delen in zijn voetstappen.

– Omdat wij door geloof moeten leven.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 5 vers 17 (2 Kor. 05:17) dat wie in Christus is een nieuwe schepping is, en dat het oude voorbij is. Het nieuwe leven van Jezus is in ons. We leven nu door het ge­loof, zoals we ook door het geloof een kind van God zijn geworden. In Galaten 2 beschrijft Paulus dat op zo’n duidelijke wijze: “Ik leef, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God”.

Wij behoren ons veel meer te realiseren dat wij door het geloof moeten leven. Niet op de omstandigheden zien, niet vertrouwen op de zintuigen, geestelijk gesproken uiteraard, maar alleen zien en vertrouwen op Gods beloften geopen­baard in Jezus Christus. 1 Johannes 5 vers 4 (1 Joh. 05:04) zegt: “Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof”. In de voetstappen van Jezus gaan is alleen maar moge­lijk als we de geloofsweg willen bewandelen.

– Omdat wij er toe geroepen zijn

Met dit facet begint onze aanvangstekst. Feitelijk is deze reden de meest belang­rijke. In het natuurlijke le­ven is het een vanzelfspre­kende zaak dat wanneer ie­mand door een autoriteit geroepen wordt om bijvoor­beeld bij hem te komen voor een bespreking of opdracht, hij ook daaraan gevolg geeft. Hoeveel te meer zullen wij gevolg moeten geven als God ons roept om in de voetstappen van Jezus te treden!

Daarom mag geen enkel kind van God deze oproep van Petrus naast zich neerleg­gen en voor kennisgeving aannemen. Wij zijn geroepen om in de voetstappen van Jezus te treden. Hij heeft voor ons geleden, Hij heeft de volle prijs voor on­ze verlossing betaald. Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat…

Het gaat in deze eindtijd om de waarachtige navolging van Jezus. Ieder compromis, iedere halfslachtigheid is uit de boze. Wie deelgenoot wil zijn van Gods grote her­stelplan met zijn schepping behoort zich volledig te la­ten inschakelen. God zoekt in deze tijd naar oprechte arbeiders. Het enige wat waardevol is in deze materialistische en occulte wereld is ingeschakeld zijn in dit grote plan van God.

Daarbij mogen we bedenken dat God niet iets van ons vraagt wat wij niet zouden kunnen verwezenlijken. Als Hij iets van ons vraagt geeft Hij ons ook de moge­lijkheden en de middelen om het te kunnen doen. Dat geldt ook ten opzichte van het gaan in de voet­stappen van Jezus. Hij heeft ons zijn Woord gege­ven en niet te vergeten de Heilige Geest. Zij bepalen de weg die wij hebben te gaan.

En deze weg, dit treden in de voetstappen van Jezus, is een geestelijke aangele­genheid, maar waarvan de resultaten op aarde zicht­baar worden. Onze plaats is met Jezus in de hemelse gewesten. Van daaruit opereren wij als vertegenwoordigers van Gods Ko­ninkrijk .

Wie in eigen kracht of door eigen inspanning in de voetstappen van Jezus wil treden zal al spoedig falen. Maar wie zich door Gods Woord en Geest laat leiden, zal ontdekken dat er niets heerlijkers denk­baar is dan Jezus als voorbeeld te volgen en in zijn voetstappen te gaan. Want hij is daardoor voor anderen een levende wegwijzer naar het Konink­rijk van God.

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 6 –

De vervulling van Daniël 2

Bij de opening van het zevende zegel gebeurt er niet plotseling iets, maar alles wat in de vorige zegels op gang is gekomen, zal ten tijde van het zevende zegel voltooid worden. Het zal tot volheid komen. Het zevende zegel wordt onderverdeeld in de zeven bazuinen, de drie weeën en de zeven schalen. Deze periode wordt beschreven in Openbaring 8 tot en met 19. Al de profeten spreken er van. Ook Jezus heeft vaak over deze dingen gesproken. In het bijzonder in Matthéüs 24 en 25, wat daar genoemd wordt: ‘Rede over de laatste dingen’ (zie ook Markus 13 en Lucas 21).

Twee zaken komen nu tot volheid. In de eerste plaats de gemeente van Jezus Christus, het geheimenis Gods Openbaring 10 vers 5 tot en met 7 (Openb. 10:05-07) , wat dan uitloopt op het koningschap. In Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15) wordt de zevende bazuin geblazen en met gejubel in de hemel wordt met luide stem geproclameerd: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heer en aan zijn Gezalfde en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” . Hier zien we de vervulling van de profetie in Daniël 2 waar gesproken wordt over de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, het beeld (Babel) verbrijzeld, en wordt tot een grote berg, die de gehele aarde vulde Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . De God des hemels richt een eeuwig Koninkrijk op, dat in eeuwigheid niet onder zal gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan Daniel 2 vers 44 en 45 (Dan. 02:44-45) . Het is een Koninkrijk gegrondvest op waarheid en recht Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06).

Het tweede dat tot volheid komt is ‘Babel’. Ook Babel komt tot volheid, tot vrucht dragen. Die vrucht is ook een koningschap, namelijk de antichrist met zijn gemeente: de zonen des verderfs. Ook dit vindt in het verborgene plaats, tenminste voor de ongeestelijke mensheid. Paulus spreekt ook over “het geheimenis der wetteloosheid, wat reeds in werking is” 2 Thess. 2 vers 7

(2 Thess. 02:07). Hij zegt over de antichrist in 2 Thessalonicenzen 2 vers 4

(2 Thess. 02:04): “De zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een God is”.

Dit is het koningschap wat Babel voortbrengt, gegrondvest op de vader der leugen, de duivel. Het is het beeld uit Daniël 2, groot en indrukwekkend, vol van geweldenarij. Maar het fundament is een vermenging van waarheid en leugen – wat in wezen niet te vermengen is – wat we in het paradijs al zien in de boom van kennis van goed en kwaad Genesis 2 vers 9b (Gen. 02:09b). Het heeft wel altijd een schijn van godsvrucht gehad, maar in de dag des Heren zal blijken, dat het waardeloos is en in diepste wezen altijd antichristelijk is geweest, met als volle vrucht de antichrist.

Het zal ondergaan als het beeld in Daniël 2, wat getroffen wordt door de steen – beeld van Jezus Christus en de gemeente en later de herstelde volkeren – en het zal zijn als kaf op de dorsvloer in de zomer en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . Ook in Openb. 18:20-24 lezen we van de totale ondergang van deze grote stad. En weer is er dan gejuich in de hemel en wordt er iets geproclameerd met een luide stem: “halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist” Openbaring 19 vers 1 en 2 (Openb. 19:01-02).

Dit is het kerngebeuren in de hele eindtijd: het openbaar komen van de waarheid, de waardigheid en rechtvaardigheid van God in een volk wat Hem toebehoort. Dat is dus de gemeente van Jezus Christus: “Een volk Gode ten eigendom. U eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”. “Een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie” 1 Petrus 2 vers 9 en 10 (1 Petr. 02:09-10) . Daarnaast het openbaar worden van de zoon en de zonen des verderfs in de gemeente van de antichrist, met als fundament: leugen en verwarring, dus Babylon. Hierin is geen enkele waardigheid, maar volkomen wetteloosheid en duisternis. Het is een volk wat het merkteken van het beest draagt Openbaring 13 vers 17 (Openb. 13:17) .

Het half uur stilte in de hemel

“En toen Hij het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang” Openbaring 8 vers 1 (Openb. 08:01). Ten tijde van de stilte gaat de gemeente tot volle wasdom komen. Het is niet een tijd waarin niets gebeurt, maar tarwe en onkruid groeien naast elkaar op. Niemand ziet het, want het vindt plaats in de hemel, in het verborgene. De vrucht begint zich te zetten en dan zal ook het onkruid duidelijk afsteken tegen de steeds helder wordende hemel van de zonen Gods. Jezus tekent dit geheel in Matteus 13 vers 24 tot en met 30 (Matt. 13:24-30).

In Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) lezen wij: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. De heiliging van het volk van God gaat door. De Heilige Geest werkt met steeds meer kracht via de geestesgaven. Werkingen van boze geesten worden door de Heilige Geest meer en meer geopenbaard en bij degenen die zich laten bevrijden “komt er een einde aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk” Daniel 12 vers 7b (Dan. 12:07b). De blik in de hemelse gewesten wordt helderder en de enkel goedheid en waardigheid van God wordt steeds dieper verstaan. Van de andere kant trekt de duivel al zijn troepen samen om het volk van God te benauwen en de ontwikkeling van het zoonschap te blokkeren.

De vroege en de late regen

De gemeente die op dit niveau bezig is – dus in de hemelse gewesten – gaat bidden om de late of spade regen. Veel wordt in deze tijd gebeden om opwekkingen: Heer geef ons een Elia! Geef ons een Johannes de Doper! Heel goed bedoeld en voortkomend uit een bewogenheid voor de nood in de wereld, maar met Jezus Christus en de gemeente hebben we zoveel meer dan een Elia of Johannes de Doper. God laat de profeet Zacharia opschrijven: “Vraagt van de Here regen ten tijde van de late – regen. De Here maakt de bliksemschichten, een stortregen zal Hij hun geven, voor ieder gewas op het veld” Zacharia 10 vers 1 (Zach. 10:01) . Opvallend is dat Zacharia hier ook gelijk een groepering noemt, die we in het christendom kunnen typeren met de verontrusten. Ze zoeken het overal, ze letten op alles wat er gebeurt in de wereld, maar ze vinden geen troost. Er is geen herder die hen leidt en vertroost met de woorden Gods. In Zacharia 10 vers 2 (Zach. 10:02) volgt dan ook onmiddellijk: “Want de serafim (huisgoden) spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft”.

Deze mensen worden niet afgeschreven, maar ze zullen straks van de zonen Gods het evangelie van verlossing en herstel horen. Jezus was ook vol van ontferming over de schare die zo voortgejaagd werd. Markus 6 vers 34 (Mark. 06:34) zegt: “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hen vele dingen te leren” . En zo kwam Hij in het leven van deze mensen als de leraar ter gerechtigheid, waarvan de profeet Joël reeds profeteerde.

Het begrip van de vroege en de late regen is in Israël wel bekend. Wij komen het nog al eens tegen vooral in het oude testament. Het heeft dan een diep geestelijke betekenis.

Regen is onontbeerlijk voor leven, ontwikkeling en vrucht dragen. Jezus spreekt dan ook over ‘het levende water’ dat zal gaan stromen uit het binnenste van een gelovige, die vervuld is met de Heilige Geest Johannes 7 vers 38 en 39 (Joh. 07:38-39) .

De profeet Joël geeft zo prachtig de geestelijke betekenis weer. Hij zegt: “En gij kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege en late regen, zoals voorheen” Joël 2 vers 23 (Joël 02:23). Die regenstromen hebben dus te maken met onderwijzing. “Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen…” Voor wie? Voor de kinderen Sion, die zich verheugen en juichen! Joël profeteert ook hier weer “over de voor ons bestemde genade” en niet zoals vele ongeestelijke christenen zeggen dat de woestijnen, de zandvlakten weer gedrenkt zullen worden met water en zullen veranderen in oases. (Dit komt nog wel eens bij het herstel van de aarde, maar dat is hier niet aan de orde) . God gebruikt dit beeld altijd in dezelfde betekenis. Dat is interessant om daar op te letten. God legt niet alleen de woorden in de mond van de profeet, maar zorgt ook dat een bepaald beeld altijd dezelfde betekenis houdt.

Regen houdt altijd verband met de onderwijzing of de openbaring van Gods woord en heerlijkheid. Deuteronomium 32 vers 1 en 2 (Deut. 32:01-02) zegt dan ook: “Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken en de aarde hore naar de woorden van mijn mond. Mijn leer druipe als regen, mijn rede druppelt als dauw, als regenbuien op het jonge groen en als regenstromen op het kruit”. Zie ook Deuteronomium 11 vers 10 tot en met 12; Spreuken 16 vers 15; 1 Koningen 8 vers 36 (Deut. 11:10-12; Spr.16:15; 1 Kon. 08:36).

In Joël 1 vers 10 tot en met 12 (Joël 01:10-12) ontbreekt duidelijk de regen en is er dientengevolge kaalheid en dorheid in het leven van de mensen. “Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht” (12b).

In de landen van het Midden-Oosten valt in oktober en begin november de vroege regen. De grond die hard geworden is, wordt dan week gemaakt, zodat het bewerkt kan worden en het koren gezaaid. Psalm 65 vers 11 (Ps. 065:011) zegt: “Gij drenkt zijn voren. Gij verzadigt zijn kluiten, door regenstromen maakt Gij het week”. Dan volgen de winterregens, waardoor de grond tot diep toe met water verzadigt wordt Hooglied 2 vers 11 (Hoogl. 02:11). In de lente wordt het snel weer warmer en droger en er zou geen oogst komen als de late regen niet zou vallen. Als dit uitblijft, dan verschrompelt het gewas en kan de vrucht zich niet ontwikkelen. Daarom behoort omstreeks april, als de vrucht zich gezet heeft, de late of spade regen te vallen, waardoor het koren dat zich in de aar gezet heeft, tot volle rijpheid komt, waarna de oogst volgt.

Het is nodig dit beeld geestelijk te verstaan. Door de doop in de Heilige Geest krijgt een gelovige deel aan de vroege regen. Zo vaak iemand tot geloof komt en gedoopt wordt in de Heilige Geest valt dus de vroege regen in dat leven. Het is niet zo dat er een bepaalde tijd is, dat de vroege regen valt en dan niet meer. Nee, dat gaat altijd door, zolang mensen tot geloof komen. Door de doop in de Heilige Geest wordt de harde grond weer week gemaakt, zodat het goede zaad, dat is de leer van Jezus Christus over het Koninkrijk der hemelen, kan ontkiemen, opwassen en tot vrucht dragen kan komen. De Heilige Geest leert en onderwijst, zoals Jezus Christus zijn discipelen onderwees. Hij was de leraar ter gerechtigheid. De Vader getuigde van de Zoon en zei: “Hoor naar Hem”.

En Jezus zegt van de leraar ter gerechtigheid die wij ontvangen: “De Geest der waarheid zal u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen” Johannes 16 vers 13 en 14 (Joh. 16:13-14) . En zoals de eerste regen valt in ieders leven, zo behoort ook die late regen te vallen in ieders leven. Dat is dus ook individueel. De volle vrucht, die nu tot stand moet komen is het volle zoonschap. Bij het vallen van de vroege regen geldt Joël 2 vers 19 (Joël 02:19): “Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmee verzadigd wordt”. En bij het vallen van de late regen geldt vers 24: “De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen” .

Voor het volk van God is de tijd van geestelijke hongersnood voorgoed voorbij. Wat gezaaid is, heeft vrucht voortgebracht en er is een overvloedige oogst zodat we uitdelers kunnen zijn van de menigerlei genade Gods! 1 Petrus 4 vers 10 (1 Petr. 04:10). Deuteronomium 28 vers 12 (Deut. 28:12) zegt dan ook: “De Here zal zijn rijke schatkamer, de hemel voor u openen om op zijn tijd de regen voor uw land te geven en al het werk uwer handen te zegenen, zodat gij aan vele volken zult uitlenen zonder zelf te leen te ontvangen” . Wij zullen uitdelen aan de volken als wij het zelf hebben! De profeet Zacharia zei: “Vraag de Here regen ten tijde van de late regen” . Door de Heilige Geest zal verstaan worden: dit is de tijd, en de bede is:’ ‘Heer, geef ons de late regen!’

De mens Gods komt tot openbaring

De late regen zal als een extra krachtige uitstorting – doorwerking – van de Heilige Geest ervaren worden, waardoor in de gemeente de volle vrucht te voorschijn zal komen. Het proces van heiliging en reiniging zal met grote kracht van de Heilige Geest (niet met geweld) voortgang vinden. Alle banden zullen verbroken moeten worden. De heerlijkheid van God kan niet doorbreken als er gebondenheden zijn. Er zal een duidelijk evenwicht moeten zijn tussen vrijheid en openbaring van heerlijkheid en kracht.

In de gemeente zullen mannen en vrouwen Gods openbaar worden. Paulus spreekt in 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17) over “volmaakte mensen Gods, tot alle goed werk volkomen toegerust”. Het is het begin van de nieuwe dag, een nieuwe fase in het heilsplan van God. De nacht loopt ten einde. Nu is het niet zo dat de nacht zomaar ineens overgaat in de dag. Daar is dan eerst de dageraad.

De dageraad luidt het definitieve einde van de nacht in en het begin van de nieuwe dag Jesaja 52 vers 8 (Jes. 52:08).

Hosea brengt het vallen van de late regen en het aanbreken van de nieuwe dag ook met elkaar in verband. Hij zegt in Hosea 6 vers 3 (Hos. 06:03): “Ja wij willen de Here kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de late regen, als de late regen die het land besproeit”. Het is de tijd van het ochtendgloren, waarin de morgenster schittert. Jezus Christus is de blinkende morgenster Openbaring 22 vers 16 (Openb. 22:16) en Petrus zegt: “totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten” . Het oude is voorbij. Het nieuwe breekt baan. Er moet inderdaad iets doorbroken worden. Het is een fase van geboren worden. David bezingt in Psalm 110 de dageraad en hij zegt in Psalm 110 vers 3 (Ps. 110:003): “Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op” .

In deze fase bevinden wij ons bij de opening van het zevende zegel. Het is inderdaad een fase waar we door moeten trekken de dag tegemoet.   (wordt vervolgd).

 

Bidden (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Bidden is – als je de Heer nog amper kent –

zoals een kind, hulpeloos en klein,

enkel een vragen… met een refrein…

omdat je wéét, dat je bij God veilig bent.

 

Bidden is – als je zijn Rijk bent ingegaan –

ontdekken dat je met de Vader spreekt,

Die naar je luistert, geeft waar ontbreekt,

Die je leert mét Hem vast in ’t leven te staan!

 

Bidden is – als je zélf zijn heling ervaart –

strijden voor and’ren, volhardend gebed,

waar je je leven voor vrienden inzet

door de kracht Gods, die zijn volk redt en bewaart.

 

 

Levend Geloof – 439

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Dit nummer kan beschouwd worden als een ‘bewaarnummer’. Niet omdat het met een aantal pagina’s is uitgebreid, maar uiteraard wel omdat het ’t laatste nummer is dat er van Levend Geloof uitkomt. Na 439 nummers in 44 jaar hebben wij er een punt achter gezet, zoals we in de brief die bij ons vorige nummer was gevoegd al hebben uiteengezet. Velen vonden het jammer (een bewijs hoe ons blad gewaardeerd werd), maar vrijwel iedereen had er respect en begrip voor.

En nu dus het laatste nummer. Behalve de ‘gewone’ artikelen ontkomen we er daarbij niet aan een kleine terugblik te werpen op de jaren dat ons blad is verschenen. Nu zijn we niet iemand die veel met het verleden bezig is. En ook hebben we niet alle details in gedachten, maar toch hebben we geprobeerd om even terug te kijken in de achter ons liggende jaren. Daarbij overheerst het woord ‘dankbaarheid’. In de eerste plaats jegens Hem die ons de kracht en de mogelijkheden gaf het blad uit te geven. Dankbaarheid ook aan hen die in het blad schreven. Zonder hen -we schreven het elders ook al- zou het niet gewor­den zijn wat het was: een blad met een veelzijdige belichting van het oorspronkelijke evangelie: het evangelie van het Koninkrijk, waarvoor de Heer ons de ogen heeft geopend en die alle facetten van een ‘volledig evangelie’ omvat. Nu zijn we ons bewust dat de ontdekking van de volle betekenis daarvan nog steeds doorgaat. Daarom legden wij in de verschillende artikelen vaak de nadruk op de grote betekenis om geestelijk te groeien zodat het volwassen sta­dium in Christus bereikt wordt. Dit is geen theoretische aangelegenheid, want het gaat uiteindelijk om het praktisch beleven!

Het is van groot belang dat wij als christenen deze doelstelling voor ogen hou­den: een ‘volledige christen’ te worden, zodat ook ons getuigenis in deze wereld zo effectief mogelijk zal zijn. Daarbij mogen we er van overtuigd zijn dat Hij -om Paulus te citeren- het goede werk in ons begonnen, ook zal voltooien op de grote dag van Christus jezus!

De bouw van de tempel, zoals we in het Oude Testament kunnen lezen, werd voorafgegaan door de bouw van de tabernakel (zie tekening). In het Nieuwe Testament gaat het ech­ter niet meer om een tabernakel of tempel van hout of steen, want “God woont niet in tempels met handen gemaakt” Handelingen 17 vers 20 (Hand. 17:20). De Gemeente van Christus vormt nu de tempel van God 1 Korinthe 3 vers 16 en 17 (1 Kor. 03:16-17) en de leden van deze gemeente zijn de ‘levende stenen’ waarmee deze tem­pel gebouwd is.

Gert-Jan Doornink

 

Vreugdevol afscheid van ons magazine Door Gert Jan Doornink

 

Dit hoofdartikel is anders dan anders. Meestal gaat het over een speciaal onderwerp bestemd voor de verdere opbouw en ontwikkeling van ons geloofsleven. Maar de inhoud van dit laatste artikel is een terugblik op de 44 jaar dat Levend Geloof is verschenen. Ik heb geen dagboek bijgehouden en ben ook niet zo’n onthouder van allerlei details uit het verleden of zit veel in het verleden te graven, maar het zijn dus wat herinneringen die mij bij het over­denken van deze periode te binnen schieten. Als christenen leven we in het heden en denken aan de toekomst, maar mogen ons wel realiseren dat het heden ondenkbaar is zonder het verle­den. Verleden, heden en toekomst vormen een onlosmakelijke eenheid.

De titel van dit hoofdartikel doet wat paradoxaal aan, want hoe kun je nu blij zijn met een blad dat voor ’t laatst verschijnt en dat bij velen zo geliefd is? Toch heb ik met blijd­schap en dankbaarheid dit laatste nummer samengesteld, daarbij in de eerste plaats bedenkend dat Levend Geloof geen doel was, maar een middel, een van de vele middelen die de Heer wil

gebruiken om het evangelie door te geven en uit te leggen. En een mid­del is tijdelijk, geldt voor een bepaal­de periode, waarvan ik wat ons blad betreft de zekerheid had dat die nu voorbij is.

Levend Geloof is al die jaren onder mijn eindverantwoording versche­nen, het maakte een ontwikkeling door van eenvoudig evangelisatie­blaadje tot een professioneel uitge­voerd blad zoals het nu is.

Hoe het begon

Waarom begint iemand met de uit­gave van een blad? Dat heeft alles te maken met mijn passie voor het geschreven en gedrukte woord. Van jongs af aan was ik gefascineerd door kranten. Ik herinner mij dat ik als jongetje van een jaar of 8, 9 al krantjes ging maken met het nieuws van de boerderij waar ik als enigst kind ben opgegroeid. Dat gebeurde niet dagelijks maar zo nu en dan. Ik nam daarvoor blaadjes uit een schoolschrift en gebruikte een pot­lood of pen. Dat heeft heel wat jaren geduurd, voordat ik wat serieuzer te werk ging, door bijvoorbeeld de nieuwsberichten van het dorpje waar ik woonde op te sturen naar een regiokrant die dat ook publiceerde.  Toen ik wat ouder werd kwam er nog een andere ‘hobby’ tot ontwik­keling dat was ‘het weer’ en alles wat daarmee te maken had. Op een boerderij wordt je natuurlijk veel met de weersontwikkelingen gecon­fronteerd. Ik abonneerde mij op een gestencild blad dat het KNMI des­tijds dagelijks uitgaf en daarnaast las ik verschillende boeken over het weer, Mede door eigen waarnemin­gen kon ik uiteindelijk vrij goed het weer voorspellen. Ik schreef zelfs enige tijd stukjes in een toenmalig landelijk dagblad. Ook nu wordt me nog wel eens gevraagd wat voor

weer we krijgen waarbij ik eerlijk­heidshalve moet toegeven dat ik het nogal eens mis heb…

De oorlogsjaren

Maar nu terug naar de boerderij waar ik opgroeide. Toen de oorlog in 1940 uitbrak was ik 10 jaar. Op de leeftijd van 10 tot 15 jaar maakte ik dus de oorlog mee. De ellende van zo’n oorlog dringt dan nog niet ten volle tot je door. Ik vond het allemaal wel interessant, bijvoorbeeld als er grote formaties vliegtuigen overvlo­gen op weg om in Duitsland te gaan bombarderen. Natuurlijk waren er ook wel angstige momenten, bij­voorbeeld bij beschietingen of als er een vliegtuig werd neergeschoten, nadat onze boerderij aan de dijk van de IJssel gebouwd was, moesten we in de meidagen van 1940 eva­cueren, want langs de IJssel was de zogenaamde IJssellinie gebouwd, met de bedoeling de Duitsers tegen te houden. Van 1939 tot 1940 waren er vaak Nederlandse militairen inge­kwartierd, maar in 1940 werd er vrijwel niet gevochten langs de IJssel. In tegenstelling met april 1945 toen de Duitsers probeerden de Canadezen die van de oostkant de rivier over wilden steken tegen te houden. Maar ook toen kwam het niet tot noemenswaardige gevechten al zaten er door beschietingen wel verschillende kogelgaten in de boer­derij. Ook toen waren we enige tijd geëvacueerd, terwijl vooral het laat­ste halfjaar voor de bevrijding op 17 april 1945, veel mensen uit het Westen op de boerderij sliepen, bij hun tochten om voedsel op te halen van het platteland. Zij gingen dan met de pont over de IJssel naar Wijhe. De pont was dichtbij de boer­derij, maar voer de laatste periode voor de bevrijding niet meer. Dit was ook de reden dat ik niet meer naar school ging. In 1942 of ’43 ging ik namelijk vanaf de lagere school naar de MULO in Wijhe, maar maakte deze school niet af. Als enigst kind werd van je verwacht dat ik toch de boerderij later zou overne­men van mijn ouders. En volgde daarom de eerste jaren na de oorlog de opleiding aan de Middelbare Landbouwschool in Zutphen en de Fruitteeltvakschool in Twello. Achteraf kun je zeggen: had je niet een ander beroep kunnen kiezen? Met de gedachten van nu, maar dat is natuurlijk onrealistisch, zou dat journalist of schrijver geweest zijn.

Het nieuwe leven breekt baan!

Er ging echter iets geheel anders gebeuren in mijn leven! Samen met mijn ouders ging ik als kind regel­matig mee naar de Hervormde kerk van Vorchten, het dorpje waar ik woonde. In dit oude kerkje -één van de oudste van ons land- was ’s zon­dags één keer dienst. Er spraken, omdat men gedurende een lange periode geen eigen dominee had, predikanten van verschillende ‘rich­ting’, dat wil zeggen vrijzinnigen, rechtzinnigen en van de ‘zware’ Gereformeerde bondsrichting. Mijn ouders waren, net als de meeste andere mensen van het dorp, recht­zinnig (oftewel confessioneel, mid­den-orthodox). Toen er na verschil­lende jaren zonder vaste predikant weer een eigen dominee kwam, werd deze na een paar jaar opgevolgd door een andere. Dat was een domi­nee met vrij evangelische achter­grond. In mijn leven had dit een positieve uitwerking. Ik werd actief en uiteindelijk secretaris van zowel de jongemannenvereniging als de plaatselijke afdeling van de Jonge Kerk.

In 1952 (ik was toen 22 jaar) werd op de maandelijkse contactavond van de Jonge Kerk ds. W. A. Plug uitgenodigd van het conferentieoord De Hezenberg uit Hattem. Hij sprak over het onderwerp ‘Geloof, gebed en genezing’, mede naar aanleiding van de Duitse evangelist Hermann Zaiss die in die tijd een toernee door Nederland had gehouden. Hoewel ik voor die datum ook vele preken en toespraken had gehoord werd ik, door wat er die avond gesproken werd ‘in mijn hart geraakt’, zodanig dat ik enige tijd later thuis op mijn slaapkamer op de knieën ging en mijn leven aan de Heer gaf. Wat ik precies bad weet ik niet meer maar wel dat daarin de woorden voorkwa­men ‘O, Heer, wees mij zondaar genadig…’ Er kwam een grote veran­dering in mijn leven, waaraan ik vandaag nog met grote dankbaar­heid en blijdschap kan terugdenken. Niet alleen ik maar ook enkele ande­ren uit het dorp en omgeving kwa­men in die tijd tot bekering. We organiseerden met instemming van de dominee, allerlei activiteiten, zoals bijzondere avonden in de kerk, waarvoor allerlei positieve sprekers werden uitgenodigd. Ik herinner mij Leo Pasman, de tolk van Hermann Zaiss, F. A. Stroethoff, Nol Esmeyer en Johan Maasbach. Samen met enkele anderen gingen we naar de grote meetings van Billy Graham in Amsterdam en Rotterdam en in 1958 organiseerden wij een bustocht naar de grote samenkomst van Tommy Osborn op het Malieveld in Den Haag. Ook bezochten we samenkomsten in de omgeving van evangelische gemeen­schappen die er toen waren.

De werkelijke gemeente

Op een gegeven moment zagen we ook in dat we ons moesten laten dopen door onderdompeling als symbool van het afleggen van ons oude leven en het beginnen van een nieuw leven. Tot dusver had dit alles de instemming van de dominee, die ook mee geweest was naar de samen­komst van Osborn, maar deze stap ging hem toch te ver, ja wekte dus­danige weerstand op dat we (ik spreek dus in het meervoud omdat dit ook gold voor anderen) niet meer aan het Avondmaal mochten. De dominee kwam met een paar ouder­lingen op bezoek en lazen een brief voor van het zogenaamde classicale bestuur van de Hervormde kerk waarin dit verbod vermeld stond. Dit was voor mij de stap om te bedanken als lid van de kerk, waar ik enkele jaren daarvoor lid van was geworden. Ik kwam daardoor ‘bui­ten de kerk’ terecht. Maar gelukkig kon ik binnen de ‘werkelijke gemeente van Christus’ verder tot ontplooiing komen. Ook werd ik in die tijd gedoopt en vervuld met Gods Geest en geleide­lijk aan ontstond ook het verlangen om het evangelie op schriftelijke wijze door te geven. Ik begon met een klein vlugschrift met als titel: ‘Jezus is het Antwoord’ en op 1 november 1961 richtte ik het blad ‘Levend Geloof’ op. Er werden in die opwekkingstijd meerdere bladen opgericht zoals Stromen van Kracht, Nieuw Leven en Opwekking, terwijl bladen zoals De Oogst, Het Zoeklicht. Gouden Schoven en Kracht van Omhoog al bestonden en ook meer en meer opwekkingsarti­kelen gingen publiceren met veel getuigenissen van bekering en gene­zing.

Geboorte van Levend Geloof

In januari 1962 verscheen het eerste nummer van Levend Geloof in een bescheiden oplage van 150 exempla­ren wat ik bij een stencilinrichting liet verzorgen. Maar al spoedig nam ik dit werk zelf over door de aan­schaf van een stencilmachine met toebehoren. Levend Geloof bleef altijd een ‘blad op de achtergrond’, dat wil zeggen timmerde niet groot aan de weg, nam geen advertenties op, maar raakte toch bij velen bekend.

Ook gingen verschillende mensen er in schrijven. Enkele mensen die gedurende vele jaren in het blad hebben geschreven waren Jan Companjen, Jan Noë en Klaas (toen nog Nico) Goverts. Maar we zouden wel 40 andere namen kunnen ver­melden die in de loop van de jaren veel hebben betekend voor het blad bij het doorgeven van het volle evan­gelie.

Daarbij kwam ik ook al spoedig tot de conclusie zo min mogelijk ver­taalde artikelen van buitenlandse evangelisten op te nemen, omdat er in Nederland en België voldoende eigen schrijvers waren. De laatste jaren waren vooral Wim te Dorsthorst, Jildert de Boer, Hessel Hoefnagel, Cees Maliepaard en Duurt Sikkens de belangrijkste medewerkers terwijl periodiek onder andere ook Peter Koumans, Tea Keuper, Peter Annotee en Jack Schoenaars in het blad schreven. Door de kontakten die wij via de spreekbeurten in de verschillende gemeenten hadden, kwam het blad ook op verschillende boekentafels van de gemeenten te liggen. Vanaf 1996 ging het om de 2 maanden op A4-formaat verschijnen. Daarbij werd de opmaak op professionele wijze verzorgd door mijn zoon Daniël, Voor 1996 was het steeds op A5 formaat als maandblad uitgeko­men en gedurende een korte tijd zelfs als weekblad! In de loop der jaren werden ook ver­schillende boekjes en brochures uit­gegeven, zoals ‘Hoe beleven wij ons geloof? en ‘Het wonder van het leven’ van mijzelf. Van Klaas Goverts verscheen een driedelige serie over Job, die eerst als artikelenserie in Levend Geloof was gepubliceerd. Wim te Dorsthorst schreef ‘Geestelijk licht op Israël’ en van Tea Keuper verscheen het gedichten­boekje ‘Wandelen met God’.

Fulltime in Zijn dienst

Tijdens de 44 jaar dat Levend Geloof is uitgekomen was er nóg iets gebeurd, waardoor ik voortaan alle aandacht aan de uitgave van ons blad kon besteden. De boerderij die we (ik was ondertussen in 1965 getrouwd) van mijn vader hadden overgenomen, (hij overleed in 1973, mijn moeder al eerder) gingen we in 1975 verkopen. We kregen twee kin­deren (en hebben nu ook een lieve schoondochter en drie schatten van kleinkinderen). Nadat we verhuisd waren ging ik voortaan alle aandacht besteden aan de uitgave van het blad. De stencilmachine werd ver­vangen door een echte offsetpers, met plaatmaker, snijmachine, etc. Daarbij was het aanvankelijk de bedoeling ook voor anderen te druk­ken, maar na een korte periode, kon ik in ’t vervolg alle aandacht besteden aan het werk in Gods Koninkrijk door tevens spreekbeurten en Bijbelstudies in verschillende gemeenten te houden en hier en daar mee te werken in het pastoraat. De verzorging van het blad was echter het belangrijkste onderdeel van mijn werk, vooral ook omdat ik alles zelf deed, want behalve de vormge­ving en het drukken werd ook het vouwen, nieten, binden en post klaar maken zoveel mogelijk zelf gedaan, met het vele werk wat daarbij kwam, zoals de administratie, correspon­dentie, het onderhouden van (telefo­nische) kontakten, enz..

Verdere geestelijke doorbraak

In de tijd dat Levend Geloof ver­scheen, was er nóg een bijzondere gebeurtenis die zeker niet onver­meld mag blijven. In de jaren tussen ’75 en ’80 ontstond er namelijk een verdere geestelijke doorbraak in mijn leven. Ik leerde geleidelijk aan onderkennen dat iedere christen zich bewust behoort te zijn dat hij of zij met Christus een plaats heeft gekregen in de hemelse gewesten omdat we alleen van daaruit kunnen strijden en overwinnen. Ik ontdekte hoe belangrijk het is dat we onze geestelijke plaats met Christus hebben ingenomen. Dat is namelijk de basis om geestelijk ver­der te groeien, zodat we uiteindelijk het volwassen stadium in Christus kunnen bereiken. Daar hebben wij als schrijvers in Levend Geloof ook steeds weer de nadruk op gelegd. Er is immers zoveel meer rijkdom en heerlijkheid te beleven als we de geestelijke weg leren bewande­len!

Het blad Kracht van Omhoog onder leiding van Jo van den Brink was vanaf de 70-er jaren de spreekbuis van dit geestelijk denken en beleven geworden. Toen ook Levend Geloof deze weg ging ontdekken en erover ging publiceren mocht ik in verschil­lende gemeenten waar ik sprak niet meer voorgaan. Ook mocht het blad niet meer op de boekentafels. Nieuwe deuren gingen echter open en in enkele evangelische gemeen­ten waar ik al vele jaren sprak en waar men op bepaalde punten anders dacht, bleef ik toch gehandhaafd.

En nu is dit dus het laatste nummer van Levend Geloof wat u in handen heeft! Toen ik begin augustus ieder­een die in de afgelopen jaren heeft geschreven voor het blad op de hoogte ging stellen was er bij velen uiteraard een teleurstelling, maar iedereen kon er volledig begrip voor opbrengen. (Enkele citaten uit reacties die binnenkwamen treft u elders aan dit nummer).

Wij zijn allemaal belangrijk!

Zoals ik in het begin van dit artikel al heb opgemerkt was het blad zelf geen doel maar een middel. Een middel, één van de vele, om de heer­lijke boodschap van het Koninkrijk Gods (het onvervalste, echte evange­lie) door te geven. Daarbij was mijn principe enerzijds dat de inhoud niet fanatiek of extreem behoorde te zijn, maar anderzijds ook geen water in de wijn mocht worden gedaan. Velen wisten dit te waarderen en herkenden erin de echte liefde van Christus. Daarom zie ik niet met weemoed terug op de jaren die ach­ter mij liggen, maar met blijdschap en dankbaarheid dat ik dit werk, samen met alle anderen, heb mogen doen. Daarbij wil ik ook degenen die ons werk financieel \ ondersteunden, waaronder ook ver­schillende gemeenten, niet vergeten! In Gods ogen zijn wij allemaal even belangrijk, welke taak we ook heb­ben in dienst van Gods Koninkrijk. Ik denk daarbij aan wat de apostel Paulus daarover schrijft, in zijn eer­ste brief aan de gemeente te Korinthe hoofdstuk 3. In vers 7 schrijft hij bijvoorbeeld: “Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want hij doet groeien”. En weet u wat zo geweldig is? Hij vindt ook óns belangrijk! We zijn immers geschapen naar Zijn beeld: volmaakt en uniek. Hij heeft een plan, een doel met ons leven. We mogen, onder inspiratie van Gods Geest die wil samenwerken met onze geest, goede werken doen tot verheerlijking van Zijn Naam en het zichtbaar worden van Zijn Koninkrijk! Dit maakt ons blij en gelukkig.

Echte blijdschap gaat altijd gepaard met dankbaarheid. Dankbaarheid jegens Hem die het mij, samen met alle anderen, mogelijk maakte door te geven en uit te leggen wat een heerlijk evangelie ons is toever­trouwd. Het evangelie dat het echte geluk in zich heeft en bestemd is voor iedereen! Want Zijn liefde, barmhartigheid en goedheid omvat alle mensen! Hem zij alle lof, dank en aanbidding!

 

Over de bruiloft van het Lam door Cees Maliepaard

“De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft” Openbaring 22 vers 17 NBV (Openb. 22:17).

Een hemelse uitnodiging

‘Kom’, kun je horen zeggen, ‘kom maar gerust!’ En dat woord komt uit een betrouwbare bron, want het komt bij God zelf vandaan. De Geest en de bruid nodigen iedereen uit te komen, iedereen die dat wil. De Geest is Gods Geest, daar zal geen misverstand over bestaan, maar over welke bruid gaat het hier… over de gemeente?

Daar bestaat onder kinderen Gods wel wat verschil van mening over (onnodig denk ik). De opvatting doet wel opgeld, dat de gemeente de bruid gewoon niet kan zijn, want zij is de vróuw van Jezus immers. Er is sprake van een complete huwelijks­relatie. De redenering is dan: gemeenschap hebben met Jezus is niet iets voor in de toekomst; het maakt voor ons deel uit van de dage­lijkse dingen van het leven. En dat klopt!

Jaren geleden werd ons in het volle evangelie geleerd dat de bruid de getrouwen uit het Oude Verbond voorstelt: Abraham, Izaäk, Jacob, David, Henoch en dergelijke figu­ren. Maar daar kun je je wel wat bij afvragen. Want als de gemeente van alle tijden en plaatsen de vrouw van Jezus is (en dat geloof ik wel), wat doet Hij dan nog met een bruid daarnaast? Gaat Hij daar ooit óók mee trouwen? Heeft de Heer in de toekomst dan twéé vrouwen: de gemeente en de oudtestamentische getrouwen? Natuurlijk begrijp ik dat dit overdrachtelijk bedoeld is, maar dan nog kan ik me hierbij geen enkele vorm van geestelijke bigamie voorstellen.

De bruid of de vrouw?

Het boek Openbaring is opgebouwd uit beelden die niet in chronologi­sche volgorde staan. Chronologisch is het een warwinkel van gedachten – let wel: chronologisch! Qua vorm is het net een moderne roman, waarin stukjes verleden, heden en toekomst steeds door elkaar worden belicht. Tegenwoordig stapt men dan ook vaak van een doorlopende tekstver­klaring van dit Bijbelboek af. Als er onderscheid gemaakt wordt tussen de bruid en de vrouw van Jezus, wordt er aan zo’n beeld een veel te groot gewicht gehangen… of men geeft er tóch weer een chrono­logische rangschikking aan. Verwar een beeld nooit met de werkelijkheid – het geeft er slechts een afbeelding van. Niet het beeld is het te realise­ren doel, maar dat wat door het beeld wordt voorgesteld. De woorden bruid en vrouw worden in Openbaring dóór elkaar gebruikt. Er staat dan ook niet: de bruid van de bruidegom, of: de bruid van haar toekomstige man, maar je leest in Openbaring 21 over de bruid die zich mooi gemaakt heeft voor… haar man. Ook de Statenvertaling en de NBG-vertaling hebben dat. Zij het dat ze ‘mooi maken’ met ‘versieren’ weergeven. Tegenwoordig wordt met een meisje ‘versieren’ echter iets anders bedoeld, dus lijkt me het

Nederlands van de NBV-versie voor wie met de bijbel niet bekend is dui­delijker.

Heer doet daar niet moeilijk over, dus ik wil er dan óók geen punt van maken. Een bruid die het over haar man heeft, zal immers met hem getrouwd zijn. Of noem je een bruidspaar na hun jawoord geen bruid en bruidegom meer? Als ze na de plechtigheid het gemeentehuis of de kerk weer uitkomen, kun je omstanders vaak horen zeggen: wat een mooie bruid hè! En geen mens zal daarop reageren met: ze is geen bruid meer hoor… ze is nu een getrouwde vrouw! Bij de invulling van het Bijbelse beeld van de bruid en haar man, mag je er net zo over denken. Want hebben een relatie met Jezus, en of we dan collectief bruid of vrouw genoemd worden – het is me om het even! Het ligt eigenlijk in dezelfde orde van grootte als een kind van God genoemd worden, of een zoon van Hem. Je kunt wel dénken dat een kind per definitie onvolwassen is en een zoon volwassen, maar dat slaat nergens op. Volwassen kinde­ren nemen uiteraard zélf hun beslis­singen, maar het blijven wel kinde­ren van hun ouders. En een pasge­boren baby is in alle opzichten het kind van de kersverse ouders, maar zij zeggen wel vol trots aan wie het ook maar horen wil: dit is onze zoon of dochter! Het is dus buiten kijf dat de termen kind en zoon dezelfde lading dekken. En met de benamin­gen bruid en vrouw alsmede bruidegom en man, is het niet anders gesteld. Daarom noem je mensen die 25 jaar getrouwd zijn: een zilve­ren bruidspaar. Zelfs dat stel in Engeland dat kortgeleden 80 jaar in het huwelijksbootje zat, werd gekwa­lificeerd als het eiken bruidspaar… en niet als de echtelieden die al tach­tig jaar geen bruid en bruidegom meer zijn.

Zoek het niet in woorden

Zo gauw je de volle, rijke boodschap van de Heer aan wóórden op gaat hangen, zoek je het in bijkomstighe­den en gaat er veel van de oorspron­kelijke rijkdom verloren. Wie een beroep op Jezus doet en Hem met open vizier tegemoet treedt, wordt door Hem met open armen ontvan­gen. Of liever: met een wijd geopend hart. Jezus neemt alle zondesmet en ook de schuldgevoelens van zo iemand weg. Dat hebben we alle­maal kunnen ervaren. Vanaf dat moment mag ieder zich ook onmid­dellijk openen voor de geestesdoop, aangenomen dat deze niet eerder heeft plaatsgevonden. Er kan dan een ontwikkeling volgen die leidt tot het volgroeid kind van God zijn. ‘Het volle zoonschap’ kun je dat ook noemen.

Natuurlijk loopt dat uit op een vol­wassen relatie tussen Jezus en de gemeente. Of hebben we die al? Zijn Jezus en de wereldwijde gemeente reeds volwaardige partners? Nee hè! Maar zou dit wellicht wél zo zijn met Jezus en de volle-evangelietak van die gemeente? Denken we echt de eerste plaats in te nemen op het erepodium in de hemelsferen? Dat meent niemand doordacht natuur­lijk, maar ergens in de diepten van het hart?

Een gastspreker bij ons in de gemeente zinspeelde hier kortgele­den op met een verwijzing naar een gelijkenis: die van de Farizeeër en de tollenaar. Hij merkte in dit verband op: ‘Laten we er voor oppassen dat er in ons denken geen gedachten ontstaan als: Dank U Heer, dat ik niet ben als die Farizeeër daar. We mogen beseffen dat onze rijk­dom niet gebaseerd is op eigen ver­diensten, maar uitsluitend op de grenzeloze genade van de Heer. Dan kun je uit volle borst zingen dat we rijk in onze God mogen zijn, zodat het streven naar het volle zoonschap ons niet tot een valstrik zal worden en we in de niet ondenkbare val van de hoogmoed terecht zouden komen.

Het zit ‘m niet zozeer in hoe we ons uitdrukken, welke woorden we gebruiken. Van belang is vanuit welke gezindheid we iets te kennen geven. Hoogdravende woorden voe­gen niets toe aan de verheerlijking van de Vader of van Jezus. Een toe­gewijd hart doet dat wel. Als we iets van Gods glorie in ons leven open­baren, zal dat vrij zijn van uiterlijke show en afgodische adoratie.

De eenvoud van het Woord

God spreekt door de werking van zijn Geest. Hoe doet Hij dat dan: hoor je hoog geestelijke woorden; valt er een ingewikkelde, dogmati­sche uiteenzetting te beluisteren? Nee, God zegt door zijn Geest heel eenvoudig: ‘Kom!’ Meer niet. De bruid maakt het ook al niet ingewik­kelder. Die zegt nét zo, alleen maar: ‘Kom!’ En wie daar naar luistert, zal er in hemelse wijsheid niets aan toe­voegen.

Bij ons geen diepzinnige uiteenzet­tingen of doorwrochte dogmatische beschouwingen, maar een simpele uitnodiging om tot het volle heil te komen. En dat alles in het Bijbelboek Openbaring, het boek over de eindtijd. God maakt het niet inge­wikkeld, ook niet in de eeuwigheid, want Hij zit niet ingewikkeld in elkaar. ‘De Heer onze God is één’, zegt de Schrift. Heel simpel, heel eenvoudig, want Hij is altijd zich­zelf.

Dat maakt het leven een stuk min­der gecompliceerd, zeker voor wat onze toekomstverwachting betreft en ons streven naar het volle zoon­schap. We hoeven ons geen houding aan te meten, maar we zullen dat juist heel nadrukkelijk nalaten. De Heer zegt: kom maar gewoon zoals je bent. Je hoeft je niet mooier voor te doen, want je bent mijn bruid, de mooiste die Ik mij maar wensen kan. Van jou heb ik eeuwen lang gedroomd… en nu bén je er dan! De droom (het plan van Vader) is bezig werkelijkheid te worden, zal Jezus zeggen. En daarin zijn jullie gezamenlijk mijn volwaardige part­ner. We vormen geen zilveren, geen gouden, zelfs geen eiken bruidspaar, maar een bruidspaar voor in alle eeuwigheden. Dat is de realiteit van het Koninkrijk van God. Er komt geen einde aan de relatie die Jezus en wij met elkaar hebben, en via Hem óók met Vader God zelf. Want de Schrift zegt dat in de voleinding van alle dingen, God alles zal zijn in allen.

Fonkelend nieuw

Eerst echter is dan Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:05) waar geworden. God belooft daar: ‘Alles maak Ik nieuw’, We zul­len het oude vertrouwde echt los moeten laten, want anders missen we de gewenning aan het nieuwe. Zullen we er goed aan doen daarop te gaan zitten wachten totdat de Heer klaar is met vernieuwen? Dat past niet in het volkomen doordach­te plan van Vader, want Hij dóet het niet alleen! God heeft de schepping zonder de mens voltooid, dat geeft Genesis duidelijk aan. Want Adam en Eva kwamen pas als het sluitstuk van Gods creaties.

Maar in de ontplooiing van alles wat er is, heeft Hij de mens wél een aan­deel gegeven.

Adam benoemde alle levende wezens en Eva en hij verzorgden samen de Hof. Het waren dus eigen­lijk de eerste tweeverdieners! Bij de voltooiing (aan de voleindiging van alle dingen) zal de mens óók betrok­ken zijn. Het nieuwe Jeruzalem zal voor God als een aantrekkelijke bruid wezen: jong, fris en mooi… precies zoals Hij dat zich van meet af aan gedacht heeft. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, daar wachten we op. En aan de totstandkoming daarvan zullen we mee mogen werken, nu al eigen­lijk! Ieder die daarnaar verlangt, mag drinken van het water dat leven geeft. En wel met volle teugen, tot­dat de dorst naar iets anders verdwe­nen zal zijn. En komt dit alles in de loop van de eeuwigheid dan wéér onder het stof te zitten? Nee, er zal geen gewenning in de vorm van sleur in optreden, want voor God, voor Jezus en voor ons zal het tot een eeuwige vreugde wezen. Het wordt nooit onze zoveel jarige bruiloft, maar een voortdurend feest: dat bruiloftsfeest zal oneindig zijn, want het vernieuwingsproces eindigt nimmer meer. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde blijven rimpelloos mooi. Alle tranen zijn er gewist en de bevrijdende lach zal er nooit meer ophouden. Zo ver is het nu nog niet, maar wat er nog niet is zal stellig komen. God belooft het, en in Christus Jezus ingevoegd maken we het allemaal mee.

ledereen mag komen

Kom maar gerust, zegt de Heer tegen ons, want er is geen beper­king. Zorg dat je erbij komt, geven wij aan, want de Heer begint met jou zoals je bent. We passen immers in de nieuwe hemel en op de nieuwe j aarde, want God heeft de messiaanse mens van meet aan voor ogen gehad. En daarbij kunnen we heel goed aan een meet denken. Dat is immers in de atletiek zowel de startlijn als de eindstreep. Wel, precies zoals Vader God het zich van eeu­wigheid gedacht heeft, exact zó zal het bij de voleinding van alle dingen j uit de bus komen. ‘We zijn van Gods geslacht’, schrijft de psalm­dichter. En dat klopt, want we heb­ben dezelfde geestelijke achtergrond als Hij.

Kom en neem van het water dat leven geeft, want het is het leven dat ] God van eeuwigheid bedacht heeft. Maar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn er toch nog niet… die zijn immers profetisch, en dus is het vooralsnog toekomstmuziek? Al zóu I dat zo zijn, dan nog staat kaarsrecht overeind dat we nieuw leven ontvan­gen hebben. En ook daarvoor laten de Geest en de bruid een vrijmoedig ‘Kom!’ horen.

Dat vindt in ons leven als vanzelf­sprekend weerklank en deze uitnodi­ging zal vanuit ons hart stellig een weg naar anderen vinden. Een van de oude berijmde psalmen luidt:

‘Kom, ga met ons en doe als wij;

Jeruzalem, dat ik bemin,

wij treden uwe poorten in.

Daar staan, O Godsstad, onze voeten.

Jeruzalem is welgebouwd,

wel saamgevoegd, wie haar beschouwt

zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.’

We hebben deel gekregen aan het heil en de heerlijkheid van de Heer, vandaag de dag. Zijn goedertieren­heid is over ons, en die zal niet ophouden… nooit één keer.

 

Onder de boom door Duurt Sikkens

Geluk is ongelijk verdeeld in de wereld:

Sommigen hebben veel, anderen weinig of geen. En volgens sommigen hangt dat samen met het gesternte waaronder je bent geboren, dan heb je al geen ‘mazzel’ (gesternte, geluk) in het leven, je aardse bestaan. Job, in al zijn ellen­de, verzucht: “Mijn geluk is als een wolk vervlogen” en Jeremia klaagt: “Ik ben vergeten wat geluk is”. Deze twee integere mensen bedoelden vooral hun innerlijk geluk. Daaroverheen hing een deken van verdriet die hen verdoofde en neerdrukte.

Iedereen kent dat wel, soms tijdelijk, soms langdurig. In het laatste geval spreken we van een depressie.

En hoe dat ervaren wordt kun je lezen in Psalm 88, de donkerste van alle psalmen. Je voelt je totaal geïsoleerd, ver­vreemd van mensen, van jezelf. Dat is ten dode toe verlammend. Het enige wat de psalmist nog kan doen is zijn verdriet te uiten naar het luisterend oor van God, immers, je wilt zo graag gewoon leven, maar dat wordt je onmo­gelijk gemaakt.

Jezus weet watje doormaakt, hij kent dat lange, duistere dal en toen hij ooit zei: “Gelukkig de treurenden, want zij zullen bemoedigd worden”, had hij deze ongelukkige mensen op het oog, de ineen gedoken mens.

Maar, wat troost jou? En wat kan iemand zeggen of doen? Er is zoveel armelijke troost… vaak onnadenkend gesproken. En het resultaat daarvan is weer dat het isolement des te groter wordt gevoeld. Ik heb het dan niet over de weigering van hulp, want dat kan ook nog, omdat je liever alleen gelaten wordt, bang om een ander te belasten of verbitterd en niet meer ontvankelijk voor hulp. Liever alleen? Je zit dicht! Toch heb ik wel gemerkt dat, als iemand niks kan zeggen, het heel wezenlijk is dat er iemand bij je is, naast je zit, je niet alleen laatje laat merken dat jouw leven er wél toe doet. Immers, de naam JHWH betekent in de eerste plaats: De Aanwezige. Hij kan, in een mens, bij je zijn. Zelfs Jezus deed een beroep op zijn volgelin­gen om met en over hem te waken, al was het maar voor één uur… De Geest van God wordt Trooster genoemd, parakletos. Anderen vertalen met Helper, Raadsman en letterlijk betekent het zoveel als iemand die erbij wordt geroepen om bijstand te verlenen. Deze Geest draagt dezelfde eigenschap­pen als God zelf en die komen tot ont­wikkeling in degenen die in Zijn Geest handelen en spreken. Vraagje God om hulp dan wordt, als het even kan, een mens gezonden om je bij te staan in je troosteloze situatie. En dan kan er iets moois gebeuren, omdat die mens laat merken dat jij als mens er toe doet, dat er om je gegeven wordt, met andere woorden dat God echt van je houdt. Deze liefde van Hem is namelijk ‘vleesgeworden’ in een van Zijn kinderen en dan hoor je het onge­looflijke: Jij ontbreekt aan de vervolma­king van Zijn geluk. Als je je dood­ongelukkig voelt en je jezelf teveel bent, ondanks datje nog wel beseft een kind van God te zijn, dan neemt Zijn ont­ferming grotere vormen aan, want Hij is zó begaan met je toestand. “En toch, lieve mens, ben ik gelukkig met je”. In de wereld is geluk het verlangen naar wat je niet bezit. In Gods wereld is geluk het verlangen naar wie je hebt. En God kijkt Zijn hele leven al uit naar mensenkinderen. Hij verlangt niet van alles van je, maar Hij verlangt naar je, omdat Hij graag bij Zijn men­sen is. Job zegt zelf: “U verlangt terug naar het werk van Uw handen” Job 14 vers 15 (Job 14:15). Wat een Vader! Iemand die gelukkig is als jij, mens, erbij bent, omdat je niet mag ontbreken. Dat is het beginsel van troost: terug bij Hem. Daarom zocht Zijn zoon mensen die God verloren was, die Hem afgenomen waren.

Wanneer je, in je desolate toestand, in je woestijn, iemand deze dingen hoort zeggen, dan begint, misschien heel aar­zelend, de hoop weer te gloren. Dan . krijg je leven, hoe ellendig je je ook voelt, weer zin. Arme ziel, zo lang in ballingschap in den vreemde, je kunt weer terugkeren naar het thuisland van je Vader die jou met open armen ont­vangt en jou weer een rustplaats geeft, een plek onder de zon. En al ben je nog zo moe en uitgeput na alle geestelijke ontberingen, je bent weer thuis, bij Hem. En wanneer je Hem ziet en Zijn vriendelijke ogen en warme nabijheid ervaart, dan mag je van geluk spreken, want Hij is zo gelukkig met je. En als er iets is waaraan christenen, mensen, behoefte hebben dan is het wel mededogen. Jesaja wist dat, Jesaja 30 vers 18  (Jes. 30:18): “Daarom verlangt de Aanwezige ernaar genadig te zijn om zich over ons te ontfermen”. En verder zegt hij dat het evangelie voor ‘ootmoedigen’ is. En ootmoedigen zijn ontvankelijk voor Zijn zorg en bijstand, Zijn genade. Mag ik jou geluk toewensen? Zijn geluk? Want dat ben jij!

 

De weg naar ware eenheid door Jildert de Boer

Sleutels tot ware eenheid in de gemeente Deel 6 (slot)

Het voorbeeld Vader-Zoon

Het absolute voorbeeld van eenheid is wel de volmaakt harmonische een­heid tussen de Vader en de Zoon. Hoewel zij twee afzonderlijke perso­nen zijn, is er tussen hen een volko­men eenheid in denken, gezindheid, spreken en doen. Wij lezen hier op indrukwekkende wijze over in het zogenaamde Hogepriesterlijk gebed van Jezus.

“En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijk­heid, die Gij Mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij een zijn, gelijk wij een zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot een opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezon­den hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt” Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23).

Hier wordt voor een volledige, com­plete eenheid gebeden en zoals er niets tussen de Vader en de Zoon is, zo mag en zal er niets tussen chris­tenen onderling zijn. Zal dit gebed van Jezus verhoord worden? Ja! “Zelf wist Ik dat Gij Mij altijd ver­hoort…” zegt Jezus op een andere plaats Johannes 11 vers 42 (Joh. 11:42).

Het is duidelijk dat het hier niet gaat om een vage, oecumenische en organisatorische eenheid, waarbij er geen sprake is van: “Heilig hen in uw waarheid, uw woord is de waar­heid” Johannes 17 vers 17 (Joh. 17:17). De eenheid, waar Jezus op doelde, zal gestalte gaan krijgen en dit is tevens het beste evangelisatiemiddel voor de wereld om te gaan geloven en tot erkenning te komen! Zoals er tussen de Vader en de Zoon geen “tussenstof” aan­wezig is, die belemmerend zou kun­nen werken, zo wezenlijk is het dat elke vorm van bewuste zonde onder ons afgelegd wordt. Waar de zonde niet weg komt, blijft er een vorm van vleselijk christendom bestaan, dat innerlijk tegen zichzelf verdeeld is. Willen wij een worden onder­ling, dan begint dat met het een worden in onszelf, onverdeeld toege­wijd aan Jezus, ons hoofd, onze Meester en Heer. De heerlijkheid van Jezus is ons gegeven, maar zal in de praktijk tevoorschijn mogen komen in groei­ende mate bij ons. Alleen zij die zich uitstrekken naar het meer en meer gaan tonen van het zoonschap -de heerlijkheid van Christus in ons- zullen ook de een­heid kunnen openbaren onder elkaar door de Geest.

Tussenmuren afbreken

We verstaan ook dat Hij, die onze vrede is, de tussenmuur, die schei­ding maakte, de vijandschap heeft weggebroken Efeze 2 vers 14 (Ef. 02:14). In dit ver­band gaat het om de tussenmuur tussen Jood en heiden, maar elke andere tussenmuur, die denomina­ties van elkaar scheidt, dient afgebroken te worden. Tussenmuren zijn niet te rechtvaardigen in bijbels licht. Helaas blijft het vaak bij kijken over de muur, of het wegkruipen achter de eigen muur, dan wel het maken van een gat in de muur, of het half afbreken van muren. Ik denk onder andere aan “beschietin­gen” op het christelijk erf in wat men over elkaar schrijft in de pers, waarbij de liefde als discipelkenmerk Johannes 13 vers 35 (Joh. 13:35) ver te zoeken is. Willen wij een worden, zoals de Vader en de Zoon volmaakt een zijn, dan gaat het om een geestelij­ke, organische eenheid in het leven van God. Als er “isolatiemateriaal” is tussen christenen, dan is de primaire oorzaak zonde en zondige verdeeldheid. Partijschappen zijn een werk van het vlees Galaten 5 vers 20 (Gal. 5:20) en zijn nooit te verdedigen, ook niet met het geven van klinkende namen. Triest genoeg zijn er in de kerkgeschiedenis vele menselijke scheurin­gen geweest, die de duivel in de kaart speelden. Hij heeft er alle belang bij eensgezindheid tussen christenen te ondermijnen door een wig tussen broeders te plaatsen bijv. Galaten 4 vers 17 NBV (Gal. 04:17). “Waaruit komt al die strijd, waar komen al die conflic­ten bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren in uw binnenste” Jakobus 4 vers 1 NBV (Jak. 04:01). Wat is de remedie voor die harts­tochten? “Want wie Christus Jezus toebehoren hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” Galaten 5 vers 24 (Gal. 05:24). Het met Christus gekruisigde leven, dat ver­volgens het nieuwe opstandingsle­ven met de vrucht van de Geest openbaart, maakt ons een! God wil werken door christenen heen die alles “vlak” willen hebben in hun leven en die geen tussen­muur in stand houden ten opzichte van andere heelhartige christenen, die ook wandelen in het licht, gelijk Hij in het licht is, dan hebben wij gemeenschap met elkander 1 Johannes 1 vers 6 (1 Joh. 01:06).

Gevoeligheden verdragen

In Romeinen 14 vergelijk 1 Korinthe 8 vers 7 tot en met 13 en 1 Korinthe 10 vers 23 tot en met 33 (1 Kor. 8:7-13 en 1 Kor. 10:23-33) lezen we over “ster­ken” en “zwakken” en vinden we een heel gebied, waar vaak strijd over gevoerd is, bijvoorbeeld over wat men wel of niet eten mag en welke dagen men al dan niet zal vie­ren. Wij lezen: “Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen en niet onszelf behagen (=ons eigen belang dienen, NBV)” Romeinen 15 vers 1 (Rom. 15:01). Door zichzelf te behagen in het vasthouden en uit­dragen van eigen meningen, is er veel onenigheid ontstaan over onder­geschikte punten.

Op dit terrein -het gaat immers niet over zonden- is vrijheid en verdraag­zaamheid nodig en daarom elkaar te aanvaarden, zoals Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods Romeinen 14 vers 1 en 2 en Romeinen 15 vers 7 (Rom. 14:01-02 en Rom. 15:07). “De God der volharding en vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt ver­heerlijken” Romeinen 15 vers 5 en 6 (Rom. 15:05-06). Het is jammer als men ter wille van eten (en dergelijke punten) het werk Gods afbreekt Romeinen 14 vers 20 (Rom. 14:20). Men heeft dan niet hetzelfde licht over detailonderwerpen. Elders schrijft Paulus: “Indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren” Filippenzen 3 vers 15 (Filip. 03:15). Het gaat op die plaats wel over chris­tenen met een 100% gezindheid, die naar het volkomene jagen Filippenzen 3 vers 12 (Filip. 03:12) en die in vertrouwen zeggen: “maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder Filippenzen 3 vers 16 (Filip. 03:16).

De apostel geeft aan te letten op het geweten van de ander en ter wille van degene die zich daaraan kan sto­ten bepaalde zaken te laten, zoals bijvoorbeeld het drinken van wijn (Rom. 14:15-21).

De hoofdrichtlijn luidt: “Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouw bevordert” (Rom. 14:19). Dan gaat men niet muggenziften over pietluttigheden, of zaken die elke oprechte christen in het geloof dat hij bij zichzelf heeft voor Gods aangezicht mag houden zonder zich verwijten te maken bij hetgeen hij goed acht (Rom. 14:22).

Het woordje “allen”

Allen is een fascinerend woord, dat voor mij op vele plaatsen ging oplichten in de Bijbel. Niet om daar­mee de onjuiste leer van de alverzoening te staven overigens. Op elke plaats waar “allen” gebezigd wordt, zal gekeken moeten worden naar de betekenis. Vaak spreekt de Bijbel niet over “allen” zonder uitzonde­ring, maar gaat het om “allen” zon­der onderscheid.

Het is goed en nuttig dat het zonne­klaar wordt dat de eenheid niet breed-oecumenisch vorm krijgt zon­der enige Bijbelse voorwaarden, maar evenmin het patent kan zijn van slechts de ene of de andere kerk, groep of gemeenschap, die meent de enige ware van God te zijn. Er is ruimte in het woord “allen”. De discipelen wilden iemand, die boze geesten in Jezus’ naam uitdreef, beletten, “omdat hij niet met ons U volgt”. De repliek van Jezus was resoluut: “Belet het hem niet, want wie niet tegen ons is, is voor ons” Lucas 9 vers 49 en 50 (Luc. 09:49-50). Laten wij niet aan­zien wat voor ogen is. Paulus schrijft: “Indien iemand de vaste overtuiging heeft van Christus te zijn, dan overwege hij toch ook bij zichzelf, dat, evengoed, als hij van Christus is, wij ook van Christus zijn” 2 Korinthe 10 vers 7 (2 Kor. 10:07). Johannes schrijft over het erkennen van: “Als gij weet dat Hij rechtvaardig is, erkent dan ook, dat ieder die de rechtvaardig­heid doet uit Hem geboren is” 1 Johannes 2 vers 29 (1 Joh. 02:29). Paulus schreef zelfs nog: “Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkon­digd; en daarin verblijd ik mij en zal ik mij ook verblijden” Filippenzen 1 vers 18 (Filip. 01:18). Hierbij een bloemlezing, waar het woordje “allen” onder meer treffend voorkomt:

Psalm 119 vers 63 (Ps. 119:063): “Ik ben een metgezel van allen die U vrezen, en van hen die uw bevelen onderhouden”.

Psalm 145 vers 18 (Ps. 145:018): “De Here is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in waarheid”.

Romeinen 10 vers 12 (Rom. 10:12): “Want er is geen onderscheid tussen Jood of Griek. Immers een en dezelfde is Heer over alle, rijk voor allen die Hem aanroepen”.

1 Korinthe 1 vers 2 (1 Kor. 01:02): “aan de gemeente Gods te Korinthe, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze Here”.

1 Korinthe 3 vers 21 tot en met 23 (1 Kor. 03:21-23): “Daarom, niemand beroeme zich op mensen; alles is immers het uwe: hetzij Paulus, Apollos of Kefas… het is alles het uwe; doch gij zijt van Christus en Christus is van God”.

2 Korinthe 1 vers 1 (2 Kor. 01:01): “aan de gemeente Gods, die te Korinthe is, met AL de heiligen in geheel Achaje”.

Galaten 3 vers 26 en 27 (Gal. 03:26-27): “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed”.

Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13): “totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle ken­nis van de Zoon Gods bereikt heb­ben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”.

Efeze 6 vers 24 (Ef. 06:24): “De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben”.

Filippenzen 4 vers 21 (Filip. 04:21): “Groet iedere heilige in Christus Jezus”.

1 Thessalonicenzen 3 vers 12 (1 Thess. 03:12): “en u doe de Here toenemen en overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen – zoals ook wij gezind zijn jegens u-

2 Timoteüs 4 vers 8 (2 Tim. 04:08: “voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardig­heid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven doch niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad”.

1 Petrus 5 vers 14 (1 Petr. 05:14): “Groet elkander met de kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus zijt”.

Babel kan toets niet doorstaan

Naast de roeping die tot alle ware christenen uitgaat om uit te trekken uit Babylon, zien we de verbastering van en afval binnen het christendom uitgedrukt in deze geestelijke stad. Het is de verwarring van het schijn het namaak- en het naamchristen- dom, waar men naast de dienst aan God allerlei tradities, vormen en ver menging van waarheid en leugen, dus dwaalleringen of huichelachtig­heid, vasthoudt.

God wil geen gemeente die bestaat uit trouwe christenen en niet trouwe, maar wie trouw willen leven naar Woord en Geest worden opge­roepen: “Gaat uit van haar mijn  volk”, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04).

Het is “voorhof christendom”, waar men mogelijk zondenvergeving heeft of in elk geval daarvan heeft gehoord (het type daarvan is het brandofferaltaar, beeld van het Zoenoffer, waar velen rondjes omheen draaien: zondigen en verge­ving vragen), maar dat door en door aardsgezind is. In de eindtijd valt deze voorhof ten prooi aan de vijand Openbaring 11 vers 1 en 2 (Openb. 11:01-02). Men heeft God niet willen aanbidden bij het reukofferal­taar, in geest en waarheid als “tem­pelchristen”, heilig voor de Here! Babel heeft nooit goddelijke eenheid kunnen openbaren, want het was uit de mensen: groot en hoog, maar het voerde tot het elkaar niet verstaan, dus tot spraakverwarring en ver­deeldheid.

De voorhof bestaat uit aarde en er ontstaat geen weg van nieuwe levensontwikkeling en groei -hoog­stens is er de basis van vergeving van zonden- en er zijn vele partij­schappen, die het grote, algemene christendom tot een aanfluiting in deze wereld maken. Slechts wanneer men door de smalle poort het heiligdom binnengaat kan men komen tot overwinningsleven, de weg van heiligmaking door het leven heen Hebreeën 10 vers 20 (Heb. 10:20) tot achter net voorhangsel naar het doel: god­delijke natuur 2 Petrus 1 vers 4

(2 Petr. 01:04). Slechts “tempelchristendom”, waar men de weg van Jezus volgt, leidt tot de een­heid van het geloof en de mannelij­ke rijpheid Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13). Daartoe moet men uittrekken uit het rumoer, de religieuze chaos en de discussies van Babel, waar men Gods Woorden relativeert en afvlakt en zij is geworden tot een woon­plaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en ver­foeilijk gevogelte Openbaring 18 vers 2 (Openb. 18:02).

Het is de grote hoer, die zowel gemeenschap wil hebben met Gods Geest, als zich openstelt als schuil­plaats voor boze geesten. “Schuilplaats”, dat wil zeggen: het gebeurt gemaskeerd en gecamou­fleerd, zodat de ware aard niet aan­stonds duidelijk is, omdat de mach­ten der duisternis zich voordoende als engelen des lichts schuilevinkje spelen via mensen, die doen alsof ze dienaren van de gerechtigheid zijn 2 Korinthe 11 vers 14 en 15 (2 Kor. 11:14-15).

“Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten des Heren draagt” Jesaja 52 vers 11 (Jes. 52:11). “Wij hebben getracht Babel te gene­zen, maar het is niet te genezen, ver­laat het en laten wij gaan…” Jeremia 51 vers 9 (Jer. 51:09).

Vele menen uit Babel getrokken te zijn door een kerk of gemeenschap te verlaten die op bepaalde onderde­len afboog van de Schriften, of in een levenspraktijk die zich niet ver­draagt met de klare lijnen van de woorden van God. Vaak is dat gebo­den en velen zijn hier gehoorzaam geweest. Toch gebeurt het niet zel­den dat men later ontdekt opnieuw in een buitenwijk beland te zijn van dezelfde grote stad Babylon. Babylon is niet slechts de moederkerk Rome, maar heeft ook de in de Protestantse dochters haar werk gedaan en het evangelische en charismatische erf is er evenmin van gevrijwaard. Het algemene christendom is doorzuurd van het Babylonisch-religieuze. Het geheimenis ‘Babylon’ is een naam die op het voorhoofd van de hoer is geschreven Openbaring 17 vers 5 (Openb. 17:05). Daarom zullen wij allereerst los moeten komen van het verwarde denken bij onszelf, om vernieuwing van denken van God uit te ondergaan en vervol­gens vernieuwd te leven en te handelen vanuit de gezindheid van de Geest van God. Alleen vernieuwing van denken, gevoelen, leven en doen, brengt ons naar de eenheid van zin en gevoelen vgl. 1 Korinthe 1 vers 10 (1 Kor. 01:10). In 1 Korinthe 1 vers 19 (1 Kor. 01:19 lezen we: “want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken wie de toets kan doorstaan”. De Statenvertaling heeft: “opdat de oprechten openbaar mogen komen onder u”. De NBV heeft: “zodat dui­delijk wordt wie van u betrouwbaar is”. Deze toets leidt tot schifting van hen die de toets doorstaan en oprecht en betrouwbaar blijken en hen bij wie dit niet het geval is. Er kan geen eenheid tot stand komen in geest en waarheid met halfhartige, lauw-ingestelde mensen, die niet 100% de gezindheid hebben om Gods wil te doen als discipel tegen elke prijs, om te komen tot het volwassen zoonschap.

Hier zien we de twee soorten ont­wikkeling, die een bekende volle evangelie pionier aanduidde met de wet van de letter V (de benen lopen steeds verder uit elkaar): “Wie recht­vaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd” Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) en het negatieve ontwikke­lingsproces heeft eveneens zijn loop, totdat de climax is bereikt: enerzijds het oordeel over Babel Openbaring 14 vers 8 en Openbaring 18 vers 10 tot en met 23 (Openb. 14:8; Openb. 18:10-23) en anderzijds de getoonde heerlijkheid Gods van het nieuwe Jeruzalem Openbaring 21 vers 10 tot en met 23 (Openb. 21:10-23).

Verzamelen van de oprechten

In de eindtijd zien we eveneens een ander proces, dat ik zou willen aan­duiden als de wet van de letter A (de benen vinden elkaar en krijgen een dwarsverbinding), dat wordt gereali­seerd onder de oprechten van hart, die helemaal hun Heer dienen en uit diverse christelijke stromingen afkomstig zijn, maar elkaar gaande­weg zullen gaan vinden. “Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan, hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat” 2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09). Zulke mensen zoeken God ernstig en die bekrachtigt Hij! Gods “mag­neet” trekt zulke mensen aaneen tot eenheid in de eindtijd en zij stoten anderzijds de zonde af en de demo­nen verliezen elke grip op hen, omdat zij zich volkomen op God richten en Hij hen kan vervullen met kracht.

Het is duidelijk: wat we nu zien in de verstrooide christenheid, dat kan niet Gods bedoeling zijn. In de eind­tijd is er sprake van geestelijke bevingen en wordt alles wat chris­tendom heet, in kerk, groep, bewe­ging of kring, geschud. Het doel is: “opdat blijve wat niet wankel is” Hebreeën 12 vers 26 en 27 (Heb. 12:26-27). Hoe groots is het te midden van het eindtijdgeweld onbeweeglijk en standvastig te mogen staan, om een onwankelbaar Koninkrijk te ontvangen Hebreeën 12 vers 28 (Heb. 12:28).

Gods verlangen zal voltooid worden in het leiden van de schapen (van Joodse of heidense, of van welke denominatie-komaf ook) dat zij naar zijn stem zullen horen en dat het zal worden een kudde en een herder Johannes 10 vers 16  (Joh. 10:16). In zijn tijd had Jezus vaak geprobeerd de kinderen Israëls te vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verga­dert, maar zijn conclusie luidde: gij hebt niet gewild Matteüs 23 vers 37 (Matt. 23:37). Toch blijft staan dat Jezus niet alleen zou sterven voor het volk, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen Johannes 11 vers 25 (Joh. 11:52). Reeds op aarde sprak Hij: “Wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit” Matteüs 12 vers 30b (Matt. 12:30b).

In de oogsttijd zal pas het onkruid, die de vijand zaaide, van het koren gescheiden worden en vindt de vol­ledige zuivering plaats. Dan krijgt de eenheid concreet gestalte: “Brengt het koren bijeen in mijn schuur” (=gemeente, die geestelijk geworden is) Matteüs 13 vers 30c (Matt. 13:30c). Daaraan voorafgaand voltrekt zich het proces van ontwikkeling en rij­ping naar het volle koren in de aar Markus 4 vers 28 en 29 (Mark. 04:28-29) en tegelijkertijd is het onkruid eveneens volgroeid geworden (dat is de dolik of dolle tarwe, die alleen in kiem (zaad) en eindresultaat goed onderscheiden kan worden van de echte tarwe, maar tijdens de ontwikkeling van de halmen aanzienlijke gelijkenis met de tarwe vertoont!). “Zie, de Landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en de late regen

erop gevallen is” (waardoor de oogst de rijpe, volwassen vrucht voort­brengt, namelijk de heerlijkheid va de volgroeide zonen Gods) Jakobus 5 vers 7 vergelijk Hebreeën 2 vers 10 (Jak. 05:07; Heb. 02:10).

Steeds geldt het principe: “voor de oprechte gaat het Licht in de duisternis op” Psalm 112 vers 4 (Ps. 112:004). Het is de roep van God, om zijn volk te richten: “Vergadert Mij mijn gunstgenoten, die met Mij het ver­bond sluiten met offers” Psalm 50 vers 5 (Ps. 050:005). Offers spreken van Discipelschap door alles op te geven, om God te dienen en Jezus te volgen. Zulke oprechten en getrouwen kan Hij vergaderen tot eenheid. Gods gunst is op hen, Zijn welgevallen rust op het leven van de getrouwen, die naar Zijn Geest wandelen. Van onze kant geldt ook een immense opdracht, om te zoeken naar “dwarsverbindingen”: “Jaag naar gerechtigheid, naar trouw, naar lief­de en vrede met hen, die de Here aanroepen uit een rein hart” 2 Timoteüs 2 vers 22b (2 Tim. 02:22b). Laten wij van deze instelling gegrepen zijn, om ware eenheid te zoeken en te vinden, die als basis reine harten heeft, die God kan doen samensmelten!

 

Wat we van Job kunnen leren door Hessel Hoefnagel

Het boek Job in het licht van het evangelie Deel 4 (slot)

We hebben in de vorige artikelen gezien, dat satan de veroorzaker is van al het lijden, dat Job overkwam, maar ook ons overkomt.

Net als in de ‘hof van Eden’ was bij Job ook satan aanwezig tussen de ‘zonen Gods, die zich voor de Here stellen’ om op een subtiele manier Job te beschuldigen en hem daarna binnen de hem toegestane grenzen waar mogelijk aan te vallen en te bescha­digen Job 1 vers 6 e.v. (Job 01:06). Satan is onophoudelijk de ‘aanklager der broederen’. ‘Dag en nacht’ staat hij voor de troon van God om Hem te wijzen op alles wat zij (wij) ver­keerd doen. Dat ervaren wij in ons gedachteleven. Belangrijk is hoe je daar persoonlijk mee omgaat. Want zijn aanklacht is te weerstaan door daar het eigen getuigenis van het geloof tegenover te stellen, pleiten op het volbrachte werk van Jezus Christus (het ‘bloed van het Lam’), geloof in de totale vergeving van zonden en volharden tot ‘de dood’ Openbaring 12 vers 10b en 11 (Openb. 12:10b-11).

Als bewuste christenen, dus gedoopt in de heilige Geest, zijn wij in staat te zien, hoe vaak de duivel aanwezig is in het lijden, dat mensen (ook christenen) te verduren hebben. Zijn ‘listen en lagen’ zijn ons immers niet onbekend? De massamens ech­ter, die God niet kent, houdt geen rekening met de duivel en houdt zelfs onze goede God maar al te vaak verantwoordelijk voor wat er aan leed in de wereld plaatsvindt. Door onwetendheid wordt zelfs door ‘gelovigen’ het werk van de duivel maar al te vaak toegeschreven aan de (vermeende) ware God, die op één of andere willekeurige manier straf oefent, of het nu Zijn kinderen betreft of niet. Uit Zijn hand denkt men zowel het goede als het kwade te ontvangen, hetgeen men zelfs in de fundamentele uitgangspunten van menige geloofsgemeenschap heeft vastgelegd.

Mede uit het boek Job dienen we echter te leren, dat niet onze God, maar de satan (de ‘leugenaar van den beginne’) de veroorzaker is van alle ellende, welke zich in persoonlij­ke of gemeenschappelijke zin vol­trekt in deze wereld. Satan is de tegenstander van de mens! Hij haat de mens en doet er alles aan om te verhinderen, dat deze het doel van de Schepper bereikt: het openbaar worden als ware mens-in-Christus. Hij krijgt weliswaar tot een door onze God bepaalde tijd de mogelijkheid om deze mens aan te vallen, maar onze God zal nooit toestaan, dat Zijn kin­deren boven vermogen door hem verzocht worden, 1 Korinthe 10 vers 13 (1 Kor. 10:13). Dat gold ook Job, hoewel deze nog niet in staat was om ‘achter de schermen’ te kijken! De duivel pro­beerde de Here God zo ver te krijgen om Job aan te tasten en dat probeert hij nog ten opzichte van de mens door middel van zijn voortdurende aanklacht. Maar God laat zich door het kwade niet verzoeken en Hij brengt ook niemand in verzoeking lees Jakobus 1 vers 12 en 13 (Jak. 01:12-13). Wel kreeg satan toestemming om Job aan te tasten en zijn bezit af te nemen, maar met de duidelijke begrenzing, dat hij het leven van Job niet mocht nemen. Daaruit zou God namelijk een nieuwe Job tevoor­schijn doen komen. Het leven van Job was dus in de bescherming van God tot een bepaald doel Job 2 vers 6 (Job 02:06). Datzelfde geldt ook voor de gelovige nu! Dat moet steeds in ‘het woord van ons persoonlijk getuigenis’ doorklinken. De duivel kan het voornemen van onze God met betrekking tot de mens dwarsbomen, maar niet ver­hinderen. We zien dit onder andere bij Adam in de ‘hof van Eden’; bij Abraham, toen deze werd beproefd in zijn geloof, maar gelijk­tijdig door satan verzocht werd om Izak te slachten; bij de ‘verzoekingen van het volk Israël in de woestijn’ en in vele andere Bijbelse voorbeelden. De duivel moet zelfs vaak ongewild meewerken aan de voltooiing van het ‘eeuwig voornemen’ van de Schepper met betrekking tot de mens. Om daarna tot zijn eigen bestemming te komen in de ‘poel des vuurs’ Matteüs 25 vers 41b en Openbaring 20 vers 10 (Matt. 25:41b, Openb. 20:10).

Het vuur van beproeving

In het geval van Job kunnen wij als achtergrond de invloed van de dui­vel lezen, maar de (in God geloven­de!) mensen uit diens omgeving zagen in Job niet anders dan een mens, die wel tegen God gezondigd zou moeten hebben en daarom door Hem gestraft werd. Naast het lichamelijk lijden was het in twijfel trekken van zijn rechtvaar­digheid door zijn vrienden voor Job een veel zwaardere beproeving. Hij kwam immers helemaal alleen te staan in zijn strijd. Hij is daarmee een typering van onze Heiland. Hoe kwam immers ook onze Heer Jezus alleen te staan in Zijn bediening om de ‘zonden van de wereld’ te dragen en de mens weer met God te verzoe­nen. Hoe werd Hij al aan het begin van Zijn bediening door de heilige Geest bewust in de ‘hemelse gewes­ten’ geconfronteerd met de duivel, welke Hem gedurende vele dagen verzocht in deze ‘woestijn’ Matteüs 4 vers 1 tot en met 11 (Matt. 04:01-11).

Hij wist echter door de Geest van God weerstand te bieden in deze ‘boze dag’ door de duivel steeds weer het Woord van God voor te houden en zich alleen aan Hem dienstbaar te stellen. De persoonlijke vervulling met de heilige Geest, zoals Jezus die ervoer, moest Job nog missen. Dat feit doet hem in onze waardering alleen nog maar sterker staan in zijn vasthou­den aan zijn rechtvaardigheid voor God.

Ook wij als ‘kinderen Gods’, die ook de heilige Geest ontvangen hebben, kunnen concluderen, dat wij onder toelating van onze God beproevin­gen ondergaan en dat daarin onze vijand, de duivel, maar al te graag ons tracht te verzoeken om onze God en Vader als ’tegenstander’ te gaan zien. Om Hem de oorzaak van ons lijden aan te wrijven, in plaats van de boze geesten te ontmaskeren en hen te weerstaan, zodat ze van ons moeten aflaten, net als bij Jezus Matteüs 4 vers 11 en Jakobus 4 vers 7 (Matt. 04:11; Jak. 04:07). Het ‘vuur van beproeving’ maakt kinderen Gods sterk en bekwaam tot hun hoge roeping. Onze God heeft alles in de hand en Hij zorgt er voor, dat we niet boven vermogen ver­zocht worden.

Hij zorgt met de ver­zoekingen ook voor de uitkomst, zodat we er tegen bestand zijn 1 Korinthe 10 vers 12 en 13 (1 Kor. 10:12-13).

Dat leren wij ook uit de geschiede­nis van Job. Satan kan geen ‘haar van ons hoofd’ doen vallen zonder de wil van onze hemelse Vader. Wat er ook gebeurt, het ‘eeuwig leven’ van onze innerlijke mens is het eigendom van onze God en daar blijft de duivel met al zijn ‘geweld u van af.

De vrienden van Job

Er worden vier vrienden van Job genoemd, maar er is onderscheid tussen de eerste drie vrienden en del laatstgenoemde vriend. De eerste drie vrienden zijn nakomelingen van Ezau (Edom). Hun namen zijn: Elifaz, Bildad en Zofarl Zij typeren godsdienstige, vrome geesten, die elkaar aanvullen om de oorzaken van alle menselijke ellende’ in het leven van Gods kinderen ergens in verband brengen met de wil van God en/of de schuld van de mens ten opzichte van God lees Job vers 2 vers 11 tot en met 13 Job 02:11-13).

Deze ‘vrienden’ stellen in feite de mens tegenover God en ze trachten de mens zover te brengen, dat deze zichzelf schuldig gaat voelen om wat hij meemaakt of zich met verwijten tegenover God stelt. God en mens worden dan elkaars tegenspeler en de werkelijke vijand van de mens blijft mooi buiten schot. ‘Alle dingen ontvang je uit de vader­hand van God’, zeggen deze geesten door de mond van ‘vrome vrienden’. Dus ook de nare dingen. God zegen: wie Hij wil en Hij straft wie Hij wil en de mens moet dat maar accepte­ren.

Zeven dagen lang zwijgen deze ‘vrome vrienden’ als ze bij Job arri­veren. Ze strooien as op hun hoofd. Ze kunnen geen woord van begrip en troost over hun lippen krijgen. En als ze gaan spreken, stromen ze over van verwijten en het in twijfel trekken van de oprechtheid en god­vrezendheid van Job. Ze gaan van puur menselijke standpunten uit en redeneren vanuit menselijke ervarin­gen en tradities. Ze geloven in Gods bemoeienis met mensen, maar de wegen, die God gaat met Zijn kinde­ren is hun volkomen duister. Wat nog erger is voor Job: ook zijn vrouw is zwaar aangeslagen. Ook zij heeft geen inzicht in de geestelijke achtergronden. Ze heeft de rijkdom van Job ervaren als een zegen, maar ze ziet ook het verlies van haar kin­deren en de felle aantasting van de gezondheid van haar man als van God afkomstig en dit maakt haar opstandig.

Haar bittere klacht is: ‘Job, wat heeft jou vroomheid je opgebracht? Toch alleen maar ellende!? Houd je nog vast aan je vroomheid? Zegen toch God en sterf’! (Job 2:9). Uiteindelijk moeten deze eerste drie ‘vrienden’ van Job zwijgen. Hun redeneringen ketsen af op het vast­houden aan zijn gerechtigheid door Job, hoewel dat in hun ogen niet anders is dan halsstarrig vasthouden aan een verborgen zondig leven.

Zij hebben niet anders te bieden dan de ‘bediening naar het vlees’, de ‘bedie­ning naar de letter’, de ‘bediening des doods’, de ‘bediening der veroor­deling’, later geschreven op ‘stenen tafelen’ (2 Korinthe 3). Tegenover de ‘bediening naar het vlees’ staat echter de ‘bediening naar de Geest’. Deze is niet op stenen tafelen geschreven, ook niet met inkt, maar door de Geest van de levende God geschreven op de ’taf­elen van vlees in het hart’. De bediening van de Geest, die levend maakt. De ‘bediening van het nieu­we verbond’, de ‘bediening, die rechtvaardigheid bewerkt’. En de heerlijkheid van deze bediening is overvloedig in heerlijkheid (2 Korinthe 3).

De vierde vriend

De laatstgenoemde vriend van Job is een typering van deze bediening naar de Geest. Hij is geheel anders dan de andere drie. Hij is een nako­meling van Nahor, de broer van Abraham. Hij komt pas in Job hoofdstuk 32 naar voren. Zijn naam is Elihu (Hij is mijn God!). De andere drie ‘vrienden’ zijn oud en bezadigd, evenals hun bediening. Elihu echter is nog jong en hanteert de nieuwe, jonge uitgangspunten van de Geest van het leven. Elihu redeneert niet vanuit menselijke tra­ditie, ervaring of verdienste. Hij spreekt door de Geest van God. Hij staat niet op één lijn met de andere drie. Hij brengt het denken van Job in de richting van God. Johannes de Doper was ook zo’n Elihu. Hij ging uit in de geest en de kracht van Elia (Elihu) Matteus 11 vers 10 tot en met 14 en Lucas 1 vers 17 (Matt. 11:10-14; Luc. 01:17). Hij wees op degene, die na hem komen zou, Jezus. Zo spreekt ook in ons hart de ‘Elihu’ (Geest van God) en leidt ons in alle waarheid, daar waar menselijke redeneringen het moeten laten afwe­ten. De ‘stem van Elihu’ wijst altijd omhoog. Het is wel belangrijk om deze stem ruimte te geven en niet te laten onderdrukken door de vele stemmen van de ‘bediening naar het vlees’.

Het ‘einde’ van Job

In het Nieuwe Testament van de bij­bel is het de apostel Jakobus, die in zijn brief relateert aan Job. In het gedeelte, waar deze schrijft over geduld in het lijden haalt hij onder andere Job aan: “Gij hebt van de vol­harding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed vol­gen, gezien dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming” Jakobus 5 vers 11 (Jak. 05:11).

Hoewel Job in zijn bittere omstan­digheden en smaad, die hij had te verduren, de invloed van God niet ervoer, was Deze steeds heel dichtbij om hem te beschermen. Hij is altijd nabij hen, die Hem vrezen en Hij let op hun hulpgeroep: ‘De Here is nabij allen die Hem aan­roepen in waarheid.

Hij vervult de wens van wie Hem vrezen, Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen’ Psalm 145 vers 18 en 19 (Ps. 145:018-019).

God staat geheel aan de kant van Job, al ervaart deze dat niet in zijn lijden periode. Hij legt Job geen juk op, maar Hij helpt hem om het juk dat de duivel hem doet ondergaan, te dragen. Tegelijk wordt Job liefde­vol door God gecorrigeerd, als hij in zijn moeiten en beperkt inzicht in wat hem overkomt, zijn bittere smart naar buiten brengt.

De geestelijke realiteit

God bepaalt Job aan de hand van voorbeelden uit de schepping bij zijn gebrek aan inzicht. Hij noemt licht en duisternis, hemel, zee en aarde, winden, wolken en sterren, leven en dood, allerlei wilde dieren en het onvermogen van de mens om aan deze dingen maar het minste aan te kunnen sturen. De Here God opent aan de hand van deze voorbeelden de ogen van Job en ook van ons voor de realiteit in de geestelijke wereld. De specifiek genoemde monsterdieren: de behemoth, groot dier Job 40 vers 10 SV (Job 40:10) en de leviathan, watermonster Job 40 vers 20 Statenvertaling (Job 40:20) typeren geestelijke wer­kelijkheden uit het rijk der duister­nis, waar de mens mee geconfron­teerd wordt, vaak zonder het zich bewust te zijn.

De behemoth (NBG nijlpaard) duidt dan op het ‘beest uit de aarde’ en de leviathan het ‘beest uit de zee’, welke in de profetie van het boek Openbaring van Jezus Christus genoemd worden. Ze typeren respectievelijk de antichrist (het ‘beest uit de aarde’) en de ‘geest van de antichrist’ (het ‘beest uit de zee’), de geest, waaraan deze zijn macht ontleent. Deze antigoddelijke geest is de tegenhanger van de heilige Geest van God, welke de ware chris­tenen vervult, Openbaring 13. De geest van de antichrist is het monster dat zich roert in de diepte der zee, welke het rijk van de Doodsmacht aanduidt. Van daaruit worden de occulte krachten door de antichrist ontbonden, welke de wereld van de mens overspoelen. Door deze krachten, gepaard met tekenen en wonderen, vestigt de antichrist zijn heerschappij op aarde. En zoals het evangelie van Jezus (de) Christus de boodschap is, welke de mens naar de ware God toe voert, zo voert het ‘evangelie’ van de antichrist de mens (op vaak subtiele wijze) naar de antigod toe, wiens naam is Dood.

De Dood(smacht) is als gevolg van de zondeval van de éérste mens in de wereld gaan heersen en zijn claim ligt sindsdien op alle mensen, die nog niet innerlijk wederom geboren zijn door geloof in Jezus Christus, dus nog niet zijn ‘ontwaakt uit de slaap en opgestaan van tussen de doden uit’ Romeinen 5 vers 12 en Efeze 5 vers 14 (Rom. 05:12-14; Ef. 05:14 letterlijk).

De aardse mens is door de claim van de Dood gevangen in ‘stof’ (elemen­ten waaruit de zichtbare dingen zijn samengesteld) en wanneer diens lichaam na het sterven tot stof zal wederkeren, blijft zijn innerlijke mens gevangen in de claim van de Dood. De hemelse mens echter is door de wedergeboorte als gevolg van persoonlijke bekering en geloof vrijgekomen ‘uit de macht der duis­ternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde’ Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13).

Voor deze innerlijke mens geldt dat hij de dood in eeuwigheid niet zal zien of smaken Johannes 8 vers 51 en 52 (Joh. 08:51-52). Aan deze mens verbindt God zich door Zijn Geest, waardoor de ‘mens-in- Christus’ ontstaat. Hij vestigt door middel van deze ‘mens-in-Christus’ Zijn recht in de hemel (de wereld der geesten) en van daaruit op de aarde (de wereld van de éérste (natuurlijk georiënteerde) mens. Zoals de uiterlijke mens ‘stof’ is, dat tot ‘stof’ zal wederkeren, zo is de hemelse (innerlijke) mens ‘geest uit God’ (wederom geboren uit het woord van God), welke tot God terugkeert, nadat het Woord heeft bewerkt, waartoe Hij het heeft uitge­zonden Romeinen 11 vers 36 (Rom. 11:36).

Prototype van de hemelse mens

God toonde aan Job in beelden de achtergrond van de geestelijke wereld, van waaruit de dingen in de zichtbare wereld worden bestuurd. Job was een prototype van de hemel­se mens, zonder zelfkennis te heb­ben van de werkelijke achtergrond van de dingen. Hij troost zich met de correctie, die God hem geeft en Die hem een nieuw perspectief laat zien. Hij belijdt:

“Ik zag de dingen verkeerd. Ik sprak zonder inzicht over dingen, die ik niet begreep. Ik vraag U: Onderricht U mij. Ik sprak en dacht over U zon­der U echt te kennen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 3 tot en met 5 (Job 42:03-05)-

Wij mogen het gegeven van Job han­teren om zelf ook inzicht te verwer­ven in de dingen achter de dingen, als we ons maar open stellen voor de waarheid. De duivel bespeelt zo mogelijk de gezindheid van ons ‘vlees’ en verduistert en omsluiert wat onze God bedoelt, zodat we dat maar niet zullen verstaan en daar­door vrij worden in ons denken. De Geest van onze God echter ontslui­ert door het levende Woord het raadsbesluit (‘eeuwig voornemen’) van God en de hemelse realiteiten worden dan aan de hemelse mens duidelijk.

Zo worden aan de gemeente op aarde Elihu’s gegeven: apostelen, profeten, herders, leraars, evangelis­ten, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, dit is tot opbouw van het ‘lichaam van Christus’ Efeze 4 vers 11 en 12 (Ef. 04:11-12). Het zijn de wegbereiders voor het Woord van God zelf, zodat dit zich kan openbaren. Dit woord, dat allereerst ‘vlees’ is geworden in onze Heer Jezus, wordt ook ‘vlees’ in hen, die de goede Herder roept als Zijn eigen schapen. Zij gaan naar buiten en volgen Hem, omdat zij ‘Zijn stem’ kennen, dus Zijn evangelie horen en aanvaarden in hun persoonlijk leven Johannes 10 vers 3 en 4 (Joh. 10:03-04).

De Geest der waarheid

Dit levende Woord van God kan alleen door de Geest der waarheid worden geopenbaard. Menselijke wijsheid kan nuttig en bruikbaar zijn, maar om de onnaspeurlijke rijkdom van het Woord der waarheid te openbaren, is de Geest der waar­heid nodig.

In alle druk en narigheid riep Job uit: “Ik weet, dat mijn Losser leeft en dat Hij ten laatste (= in het laatste der dagen) op het stof (= op aarde) zal optreden. En al is mijn huid geschonden, toch zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Mijn eigen ogen zullen zien en mijn nieren in mijn binnenste smachten van verlangen” Job 19 vers 25 tot en met 27 (Job 19:25-27). God leidde Zijn knecht naar deze ervaring toe, hoewel Job dit zelf nog niet besefte en dacht aan een verre toekomst. Later zou hij echter uit­roepen: “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 5(Job 42:05). Geestelijke ervaringen moeten we niet naar later verschuiven. “Nu is het de tijd van het welbehagen, nu is het de dag van het heil”, want de “genade Gods is verschenen, heil­brengend voor alle mensen”, dus zeker voor ons Titus 2 vers 11 en 2 Timoteüs 1 vers 9b en 10 (Titus 2:11; 2 Tim. 1:9b-10).

Wij mogen van Job leren om God te zien, ook als we in uiterlijk moeilij­ke omstandigheden verkeren. Als we Hem nog niet zien, laten we dan ‘ogenzalf kopen om onze oogleden te bestrijken’ Openbaring 3 vers 18 (Openb. 03:18).

Barmhartigheid en ontferming

Job wordt door God geheel gerehabi­liteerd ten opzichte van zijn ‘vrien­den’. Jakobus zei: ‘let op het einde van Job’. De drie ‘vrienden’ van Job worden echter niet door Gods toorn verworpen, maar Hij stuurt ze naar Job toe, zodat deze voor ze kan bid­den, in plaats van op één of andere manier wraak op ze te nemen. Ook daarin zit een diepe les, ook voor ons.

En aan het gebed van Job als recht­vaardige wordt kracht verleend. Niet alleen aan Job wordt een ‘dubbel welke de mens naar de ware God toe voert, zo voert het ‘evangelie’ van de antichrist de mens (op vaak subtiele wijze) naar de antigod toe, wiens naam is Dood.

De Dood(smacht) is als gevolg van de zondeval van de éérste mens in de wereld gaan heersen en zijn claim ligt sindsdien op alle mensen, die nog niet innerlijk wederom geboren zijn door geloof in Jezus Christus, dus nog niet zijn ‘ontwaakt uit de slaap en opgestaan van tussen de doden uit’ Romeinen 5 vers 12 tot en met 14 letterlijk (Rom. 05:12-14; Ef. 05:14).

De aardse mens is door de claim van de Dood gevangen in ‘stof’ (elemen­ten waaruit de zichtbare dingen zijn samengesteld) en wanneer diens lichaam na het sterven tot stof zal wederkeren, blijft zijn innerlijke mens gevangen in de claim van de Dood. De hemelse mens echter is door de wedergeboorte als gevolg van persoonlijke bekering en geloof vrijgekomen ‘uit de macht der duis­ternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde’ Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13).

Voor deze innerlijke mens geldt dat hij de dood in eeuwigheid niet zal zien of smaken Johannes 8 vers 51 en 52 (Joh. 08:51-52). Aan deze mens verbindt God zich door Zijn Geest, waardoor de ‘mens-in- Christus’ ontstaat. Hij vestigt door middel van deze ‘mens-in-Christus’ Zijn recht in de hemel (de wereld der geesten) en van daaruit op de aarde (de wereld van de éérste (natuurlijk georiënteerde) mens. Zoals de uiterlijke mens ‘stof’ is, dat tot ‘stof’ zal wederkeren, zo is de hemelse (innerlijke) mens ‘geest uit God’ (wederom geboren uit het woord van God), welke tot God terugkeert, nadat het Woord heeft bewerkt, waartoe Hij het heeft uitge­zonden Romeinen 11 vers 36 (Rom. 11:36).

Prototype van de hemelse mens

God toonde aan Job in beelden de achtergrond van de geestelijke wereld, van waaruit de dingen in de zichtbare wereld worden bestuurd. Job was een prototype van de hemel­se mens, zonder zelfkennis te heb­ben van de werkelijke achtergrond van de dingen. Hij troost zich met de correctie, die God hem geeft en Die hem een nieuw perspectief laat zien. Hij belijdt: “Ik zag de dingen verkeerd. Ik sprak zonder inzicht over dingen, die ik niet begreep. Ik vraag U: Onderricht U mij. Ik sprak en dacht over U zon­der U echt te kennen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 3 tot en met 5 (Job 42:03-05)-

Wij mogen het gegeven van Job han­teren om zelf ook inzicht te verwer­ven in de dingen achter de dingen, als we ons maar open stellen voor de waarheid. De duivel bespeelt zo mogelijk de gezindheid van ons ‘vlees’ en verduistert en omsluiert wat onze God bedoelt, zodat we dat maar niet zullen verstaan en daar­door vrij worden in ons denken. De Geest van onze God echter ontslui­ert door het levende Woord het raadsbesluit (‘eeuwig voornemen’) van God en de hemelse realiteiten worden dan aan de hemelse mens duidelijk.

Zo worden aan de gemeente op aarde Elihu’s gegeven: apostelen, profeten, herders, leraars, evangelis­ten, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, dit is tot opbouw van het ‘lichaam van Christus’ Efeze 4 vers 11 en 12 (Ef. 04:11-12). Het zijn de wegbereiders voor het Woord van God zelf, zodat dit zich kan openbaren. Dit woord, dat allereerst ‘vlees’ is geworden in onze Heer Jezus, wordt ook ‘vlees’ in hen, die de goede Herder roept als Zijn eigen schapen. Zij gaan naar buiten en volgen Hem, omdat zij ‘Zijn stem’ kennen, dus Zijn evangelie horen en aanvaarden in hun persoonlijk leven Johannes 10 vers 3 en 4 (Joh. 10:03-04).

De Geest der waarheid

Dit levende Woord van God kan alleen door de Geest der waarheid worden geopenbaard. Menselijke wijsheid kan nuttig en bruikbaar zijn, maar om de onnaspeurlijke rijkdom van het Woord der waarheid” te openbaren, is de Geest der waar­heid nodig.

In alle druk en narigheid riep Job uit: “Ik weet, dat mijn Losser leeft en dat Hij ten laatste (= in het laatste der dagen) op het stof (= op aarde) zal optreden. En al is mijn huid geschonden, toch zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Mijn eigen ogen zullen zien en mijn nieren in mijn binnenste smachten van verlangen” Job 19 vers 25 tot en met 27 (Job 19:25-27). God leidde Zijn knecht naar deze ervaring toe, hoewel Job dit zelf nog niet besefte en dacht aan een verre toekomst. Later zou hij echter uit­roepen: “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 5 (Job 42:05). Geestelijke ervaringen moeten we niet naar later verschuiven. “Nu is het de tijd van het welbehagen, nu is het de dag van het heil”, want de “genade Gods is verschenen, heil­brengend voor alle mensen”, dus zeker voor ons Titus 2 vers 11 en 2 Timoteüs 1 vers 9b en 10 (Titus 2:11; 2 Tim. 1:9b-10).

Wij mogen van Job leren om God te zien, ook als we in uiterlijk moeilij­ke omstandigheden verkeren. Als we Hem nog niet zien, laten we dan ‘ogenzalf kopen om onze oogleden te bestrijken’ Openbaring 3 vers 18 (Openb. 03:18).

Barmhartigheid en ontferming

Job wordt door God geheel gerehabi­liteerd ten opzichte van zijn ‘vrien­den’. Jakobus zei: ‘let op het einde van Job’. De drie ‘vrienden’ van Job worden echter niet door Gods toorn verworpen, maar Hij stuurt ze naar Job toe, zodat deze voor ze kan bid­den, in plaats van op één of andere manier wraak op ze te nemen. Ook daarin zit een diepe les, ook voor ons.

En aan het gebed van Job als recht­vaardige wordt kracht verleend. Niet alleen aan Job wordt een ‘dubbel deel’ vergoed: een nieuw lichaam, een nieuw bezit, een nieuw gezin, een nieuwe bediening, een dubbele rijkdom, enz. vergelijk Job 1 vers 1 en 2 met Job 42 vers 12 en 13 (Job 01:02-03 met Job 42:12-13). Ook aan zijn menselijke ’tegen­standers’ wordt barmhartigheid bewezen. Zijn hele familie en alle vroegere vrienden en bekenden delen in zijn herstel en komen hem troosten. ‘De Here bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had’ Job 42 vers 10 (Job 42:10). Zo typeert Job de grote barmhartig­heid van onze God, die geldt voor alle mensen. Hij immers is een God van verzoening voor allen die tot Hem komen.

Hij gaf Job de bedie­ning van de verzoening en Hij heeft nok ons deze bediening gegeven Job 5 vers 18 en 19 (Job 05:18-19). Ook als wij als christen te lijden hebben, mogen we dus troost putten uit het boek Job. We mogen hem als voorbeeld nemen, evenals de gela­tenheid en het geduld van alle profe­ten, die in de Naam des Heren gesproken hebben. Die volhard heb­ben, net als Job. We hebben uit het einde, dat de Here deed volgen, zien dat Deze rijk is aan barmhartigheid en ontferming.

Uit de geschiedenis van Job leren we geduld te hebben, juist in moeilijke perioden. De ‘kostelijke vrucht van het land’ groeit en rijpt, ook in de perioden van (geestelijke) droogte. Èn ‘vroeg en laat’ zal de regen er weer op vallen om de vrucht te doen rijpen. Laten we daarom niet zuch­ten tegen elkaar om alles wat nega­tief is, zodat we niet verkeerd beoor­deeld moeten worden. Laten we onze harten versterken. Onze Rechter staat voor de deur. De komst des Heren is nabij! Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard blijken te zijn bij de komst van onze Here Jezus Christus. Hij die u roept, is trouw en doet Zijn belofte gestand 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 24 (1 Thess. 05:23-24).

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven Door Gert Jan Doornink

Jezus noemt in Johannes 16 de duivel de ‘heerser van deze wereld’. Daar hoeven we geen voorbeelden van te geven. Dagelijks hebben we te maken met zijn vernietigend werk, waarbij hij vaak op geraffineerde, ook op vrome wijze kan optreden. Maar Jezus maakte, door de woorden die hij sprak en de daden die hij deed, ook duidelijk dat de duivel niet het laatste woord heeft. Hij overwon hem als eerste van hen die zullen volgen. Dat mogen wij zijn als waarachtige christenen. En ook al gaat dat vaak nog niet op een volkomen wijze, door Gods Geest die in ons is, leren we meer en meer de vijand te onderschei­den, te weerstaan en te overwinnen. Daarom kunnen we ook in de tijd waarin wij leven als christenen func­tioneren naar het plan en de doelstelling van God. En kunnen we met volle overtuiging zeggen en beleven: ‘Het is heerlijk en blij makend om in deze tijd een christen te zijn’.

Henk Lijzenga over leiderschap in de gemeente

Al vele jaren worden in Amersfoort halfjaarlijkse bijeenkomsten gehou­den die speciaal bedoeld zijn voor leiding gevenden in de volle evangelie gemeenten (voorgangers, oudsten, jeugdleiders, etc.). Eerst was Jo van den Brink uit Gorinchem de hoofd­spreker, die na diens overlijden werd opgevolgd door Henk Lijzenga, voor­ganger van de volle evangelie gemeente in Enschede. Hij kwam echter enkele jaren geleden plotse­ling te overlijden, maar ook nu gaan de samenkomsten door, waarbij de leiding in handen is van Jan Bramer van de gemeente uit Enschede in samenwerking met enkele andere gemeenten. (De website van de volle evangelie gemeente Enschede is: www.veg-enschede.nl). In de periode dat Henk Lijzenga de belangrijkste spreker was sprak hij vaak over het leiding geven in de gemeente en bracht naar voren hoe belangrijk het is dat het doelmatig functioneren van de gemeente voor een groot deel afhangt of de gemeente op de juiste wijze bestuurd wordt. Dit najaar is onder de titel “Leiderschap in de gemeente van Jezus Christus” een boek versche­nen dat is samengesteld uit de aan­tekeningen van Henk Lijzenga. Hij wilde dat zijn ervaringen anderen zouden inspireren bij het werken in de gemeente van Jezus Christus. Ine Lijzenga, zijn vrouw, heeft het voor­woord geschreven dat wij hierbij overnemen.

Zij schrijft: “Het mooiste werk dat er voor een mens te doen is, is God dienen in de gemeente van Jezus Christus. Henk en ik hebben meer dan 30 jaar de gemeente in Enschede mogen dienen en dat heb­ben we als een groot voorrecht erva­ren. Vanaf het begin was het onze visie dat veel gemeenteleden zouden uitgroeien tot leiders. Een goed lei­der maakt zichzelf overbodig, vond Henk. Hij gaf trainingen en studies aan medewerkers om hen bekwaam te maken en zo bedieningen tevoor­schijn te roepen. Later werd hij ook veel gevraagd om in andere gemeen­ten het oudstenteam te begeleiden. Toen Henk in 2001 voorgoed naar zijn Heer ging, lagen zijn aanteke­ningen klaar om gebundeld te wor­den. Aantekeningen die door de jaren heen vanuit het werken in de gemeente gemaakt zijn, uit liefde voor mensen en in overgave aan God. Hij wilde dat ook anderen er gebruik van zouden kunnen maken. Nu deze aantekeningen in dit boek verzameld zijn, verwacht ik dat ze tot zegen zijn voor velen die zich inzetten om een plaatselijke gemeente te dienen”. Het boek (in paperbackuitvoering van 100 bladzijden) kunt u bestellen bij: Ine Lijzenga,

Geen ‘normen en waarden bele­ving’ zonder God

Over de beleving van normen en waarden wordt in onze dagen heel veel gepubliceerd. Ook in ons blad hebben we er regelmatig over geschreven. Daarbij valt vaak op hoe het ook bij vele christenen een trend is geworden ‘normen en waarden’ belangrijk te vinden zonder dat men beseft dat alleen als zij hun basis vinden in de beleving van ons geloof in Christus, werkelijk waarde heb­ben. Daaraan moesten wij denken toen wij in De Telegraaf een artikel lazen onder de kop ‘God is op het vliegtuig gezet’, naar aanleiding van de opmerkingen die bisschop Hurkmans van Den Bosch maakte tijdens een oecumenische viering ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het CDA.

Hurkmans zei onder andere: “In Nederland lijkt op God een actief uitzettingsbeleid van toepassing te zijn. God is op het vliegtuig gezet naar het eiland van de privésfeer. Het is ieder voor zich en God voor ons allen. Maar bouw je daarmee een menselijke samenleving op?’ Waar God wordt doodgezwegen, komt volgens Hurkmans het leven van de mens in gevaar. “De door mensenhanden gemaakte hel van concentratiekamp en goelag hebben dat in de vorige eeuw op gruwelijke wijze bewezen”.

Het is de roeping van een christen­democraat om allereerst een ‘god ­zoeker’ te zijn, hield hij de CDA-ers voor. “Onze tijd heeft behoefte aan politici die weten waarvoor ze staan, aan mannen en vrouwen die geloven in een betere wereld, die geloven in de revolutionaire kracht van de lief­de”.

Hurkmans riep de politiek op om het financieel mogelijk te maken dat jongeren een maatschappelijke stage van een jaar lopen bij bijvoorbeeld een maatschappelijke organisatie of in een kerk of verzorgingshuis. De woorden van Hurkmans laten nog weer eens zien dat vele christe­nen geen inhoud geven aan hun christen-zijn en zich af dienen te vragen of ze alleen in naam christen zijn. Pas als men door ‘opnieuw geboren te worden’, zoals Jezus dui­delijk aangaf, een echte christen is geworden kan men met hulp van Gods Geest, de normen en waarden beleven die hun basis vinden in God, zoals deze tot openbaring kwam in Jezus Christus.

Een gezonde leef­wijze voor lichaam en geest

Van de noodzaak om op gezonde wijze door ’t leven te gaan is vrijwel iedereen overtuigd. Maar hoe is het in de praktijk? Hebben wij werkelijk bepaalde veranderingen aangebracht in onze manier van leven of denken we: het zal wat m’n gezondheid betreft zo’n vaart niet lopen en blij­ven gewoon op oude voet verder gaan, ook al weten we in ons hart dat veranderingen nodig zijn? Nu willen wij geen strakke regels opstellen, regels waaraan we onszelf misschien niet houden, maar wel noodzakelijk achten voor anderen. Iedereen zal zelf moeten beslissen hoe hij of zij wil leven. Ieder mens heeft nu eenmaal een vrije wil. Maar de algemene regel: ‘voldoende bewe­gen en gezond eten’ is voor iedereen het basisprincipe voor een gezonde leefwijze. De noodzaak voor het vol­gen van een streng dieet kan mis­schien in sommige gevallen het beginpunt zijn van een verandering ten goede wat betreft onze lichame­lijke gezondheid. Maar in de meeste gevallen vallen we na enige tijd weer terug in onze ‘oude’ wijze van leven. En dan komen we in een vicieuze cirkel terecht die zich telkens her­haalt.

Beter is een radicale fundamentele verandering zonder extreme toestan­den die men op de duur toch niet kan nakomen. En wat ‘bewegen’ betreft: ook daar vallen geen vaste regels voor op te stellen, omdat de ‘wijze van voldoende beweging’ bij iedereen verschillend is. Belangrijk is dat men ook hierin consequent en disciplinair te werk gaat. Er is echter nóg een punt wat van het allergrootste belang is. Dat betreft een gezond gééstelijk leven. Dat behoort zelfs nummer één te staan. Hoe krijgt deze optimaal vorm? Door de aanvaarding én bele­ving van een gezond evangelie. Het evangelie zoals Jezus en de eerste apostelen dat doorgaven en ook zelf in praktijk brachten. Het evangelie van het Koninkrijk Gods behoort de basis van heel ons denken, spreken en handelen te zijn. En dat heeft een gezonde uitwerking zowel voor geest, ziel als lichaam.

Positieve ontwik­kelingen van het Lectuurproject

Tien jaar geleden werd door de bekende prediker Hessel Hoefnagel een lectuurproject opgericht met de bedoeling goed bijbels studiemateri­aal gratis beschikbaar te stellen en te verspreiden in landen waar daar grote behoefte aan is. Dat laatste bleek al spoedig door de vele aanvra­gen uit allerlei landen. Het is ook een bewijs dat in deze tijd van inter­net en allerlei andere moderne com­municatievormen ook het gedrukte woord een belangrijke plaats blijft innemen. We laten nu Hessel Hoefnagel zelf aan het woord over de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. Hij schrijft: “Onze Heer Jezus heeft zelf gezegd, dat het evangelie van het Koninkrijk van God gepredikt zal worden in de hele wereld tot een getuigenis voor alle volken om het ‘einddoel’ te doen komen Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14). Met dit uit­gangspunt is indertijd (1995) onder duidelijke leiding van de heilige Geest het Lectuurproject opgezet. Doelstelling daarvan is het kosteloos voorzien van gericht bijbelstudie­materiaal aan (aankomende) christe­nen in de zo genoemde ‘derde wereld’.

Het project werd aanvankelijk als Lectuurfonds gestart, maar nader­hand is het ondergebracht in de Stichting ‘Lecture Ministries’. In de statuten van deze Stichting is onder andere het uitgangspunt gesteld, dat de boeken in principe kosteloos ter beschikking worden gesteld aan christenen in zo genoemde ‘derde wereld’-landen. De financiële ruimte van de Stichting bestaat uit giften van christenen, als gemeenten en individueel.

Begonnen werd met het binnen de beschikbare financiële ruimte verta­len, drukken en verspreiden van de elkaar aanvullende series Bijbelstudies in lesvorm, respectievelijk geti­teld ‘Op weg naar volkomenheid’ en ‘De Geest van de Gemeente’ in het Engels en Frans. Ze werden in een beperkte oplage van 5000 stuks per titel in boekvorm verzonden naar contactadressen in diverse landen van Afrika.

Vervolgens opende zich de mogelijk­heid tot het vertalen van de lessen in het Spaans en Roemeens. Inmiddels is dit ook gebeurd, resp. in Peru en Roemenië. Ook de druk en versprei­ding hiervan gebeurt in en vanuit deze ’thuislanden’. De Spaanse boe­ken worden momenteel verspreid over diverse adressen (gemeentelei­ders, bijbelscholen en individuele personen) in landen van Zuid Amerika. De Roemeense versie wordt momenteel gedrukt in Roemenië en zal in de komende tijd door middel van een contactpersoon aldaar verspreid worden in Roemenië en Moldavië. Een Russische vertaling is al gedeel­telijk klaar en zal in de loop van 2006 voltooid worden. Voor de druk en verspreiding daarvan over landen van de voormalige Sovjet Unie zoe­ken we in overleg met (zendings)organisaties en afzonder­lijke christenen een contactadres in Oekraïne.

Voor het vertalen van de bijbellessen hebben zich christenen ingezet, welke in de onderhavige talen zijn grootgebracht en een persoonlijke roeping ervaren om dit werk ‘als voor de Heer’ te doen. Recent heb­ben we contact met Hollandse Portugezen voor de realisatie van een Portugese vertaling. Deze chris­tenen hebben het verlangen om zich bewust in te zetten voor het evange­lie en zien het lectuurproject als een reële mogelijkheid om in te partici­peren. We hopen in het komende voorjaar met dit deelproject te kun­nen starten.

Tot nog toe heeft: de Heer steeds voorzien in de financiering van dit project en heeft daar de harten van mensen toe bewogen om van hun middelen hierin mee te delen. We verwachten ook in de komende tijd weer de nodige ruimte te kunnen krijgen tot het realiseren van de zich aandienende deelprojecten. Samen met u als bewuste christenen willen we middels dit lectuurproject mede uitgaan in de hele wereld en het rijke evangelie van onze Heer ver­kondigen aan de ganse schepping naar Markus 16 vers 15 (Mark. 16:15). Daarbij hanteren we in geloof de belofte van onze Heer, die Hij bij de aanvang van dit project gaf: ‘Ik zal volken geven tot uw erfdeel en de einden der aarde tot uw bezit’ Psalm 2 vers 8 (Ps. 002:008). Voorlopig hebben we het ‘einde’ nog niet bereikt, dus houden we het lectuur­project graag nog levend en bevelen het van harte in uw gebed en zo mogelijk vrijwillige gaven aan.

Anne van der Bijl maakt weer zen­dingsreis

Onlangs vierde ‘Open Doors’ de organisatie voor hulp aan verdrukte christenen, haar vijftigste verjaardag. In Trouw blikt Anne van der Bijl, die inmiddels 78 is, daarop terug. Hij maakt enkele kernachtige opmerkin­gen zoals: “Er is op dit moment meer vervolging dan onder het com­munisme. Zelfs in Egypte worden de schroeven aangedraaid”. Anne van der Bijl raakte vooral bekend door zijn jarenlange zen­dingsreizen achter het toenmalige ijzeren gordijn. Steevast namen hij en zijn medewerkers bijbels mee. In 1967 schreef hij er een boek over wat hij als ‘brother Andrew’ allemaal beleefde. ‘God’s smuggler’ wat gek genoeg nooit in het Nederlands werd vertaald, schrijft Elma Drayer, de schrijfster van het artikel, die ver­der onder andere opmerkt Van der Bijl is ‘natuurlijk blij’ met de omme­keer in het Oostblok. “Maar het geestelijk klimaat was toen zonder meer beter. Leven in welvaart en vrijheid is vele malen moeilijker dan in armoede. Van die onbegrensde mogelijkheden maakt de duivel óók gebruik. Dat is de reden dat de kerken leeglopen. Ze hebben er geen antwoord op. De kerk spreekt het verlossende woord niet”. Open Doors trok zich begin jaren negentig terug uit Oost-Europa. “Wij proberen te werken waar niemand werkt. Nu zit iedereen daar. Natuurlijk hoor je de klacht dat we te vroeg zijn weggegaan. “Ik zeg: het is nu aan hen. De kerken daar moe­ten leren omgaan met de vrijheid”.

Nieuw arbeidsterrein

Het werk van Open Doors werd ver­legd naar de islamitische landen. Anne van der Bijl merkt op: “Onder het communisme was de christen­vervolging ‘nooit honderd procent’. Dat kun je niet zeggen van de mos­limlanden. Er is daar op dit moment meer vervolging dan onder het com­munisme”.

Naar de mening van Van der Bijl komt dit “omdat van nature het communisme negatief stond tegen­over religie. Daarom is het maar zeventig jaar oud geworden. De islam is veel krachtiger. Daarom moeten we ons nu veel meer inspan­nen om het evangelie te brengen. Bovendien is er nog een complicatie. De impopulariteit van het Westen groeit in de moslimlanden. Hij meent dat we die over onszelf heb­ben afgeroepen. Elk brandje in een westerse moskee wordt daar geno­teerd. Daar krijgen we nog de reke­ning van. Onze intolerantie voedt de islam”.

Voor de westerse reacties op de aan­slagen van ii september 2001 heeft hij dan ook geen goed woord over. “Terroristen hebben geen land, dus mag je geen land aanvallen. Je moet terroristen opsporen, geen oorlog beginnen. Wat hebben de boertjes van Kaboel ermee te maken? Ik denk cynisch: de wapenindustrie is de grootste ter wereld. Die moet geld verdienen”.

Vergelding, vindt Anne van der Bijl, is altijd verkeerd. “Als christenen moeten wij een ander speerpunt hebben: God is liefde. Dan hoeven wij ons niet te bezondigen aan al die nare dingen”.

De evangelist is nu 78, maar het werk in de wijngaard gaat onver­moeibaar door en wordt nu voor een groot deel gedaan door andere medewerkers van Open Doors. Maar wat hemzelf betreft… “Achter de geraniums is het ergste wat er is. Elke week krijg ik telefoontjes uit Afghanistan, Iran, Pakistan. De nood wordt almaar groter. In decem­ber ga ik er weer heen, acht landen bezoeken”. Mompelend: “En ik heb zo’n hekel aan reizen”. Hij schiet er zelf van in de lach…

 

Komt de Heer terug op de Olijfberg? Door Wim te Dorsthorst

Er zijn nog al wat christenen die geloven en belijden dat de Heer Jezus terug zal komen in Israël op de Olijfberg en dat die berg dan let­terlijk middendoor zal splijten. Dit geloof is dan gebaseerd op Zacharia 14 vers 4 (Zach. 14:04), waar staat: “Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noord­waarts wijken en de andere helft zuidwaarts”.

Voor wie een letterlijke vervulling verwacht in de natuurlijke, zichtbare wereld van dergelijke profetieën, is dat te begrijpen. Men gaat dan ech­ter voorbij aan het feit dat in het Nieuwe Testament, waar toch nogal veel gesproken wordt over de weder­komst, nooit over de Olijfberg gesproken wordt en zeker niet dat het met zoveel geweld gepaard zou gaan! Waarom trouwens zou die berg moeten splijten? Ook vergeet men dan wat voor vre­selijke gevolgen dat zou hebben voor mensen die daar leven en wonen.

Natuurlijk of geestelijk?

Ik geloof echter veel meer dat de woorden van Zacharia over de Olijfberg een geestelijke betekenis hebben en letterlijk vervuld zijn of nog vervuld worden in de geestelij­ke, onzienlijke wereld. De Heer Jezus heeft ons duidelijk geleerd met wat Hij sprak en deed, dat het niet meer gaat om een strijd tegen vlees en bloed, maar zoals Paulus ook schrijft: “Wij hebben niet te wor­stelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de mach­ten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12) Er zal dus in de eindtijd niet een strijd geleverd worden tegen alle vol­ken die tegen Jeruzalem op zouden trekken Zacharia 12 vers 3 (Zach. 12:03). Hoe zou dat trouwens gerealiseerd kunnen wor­den? Als de profeten in deze zin spreken over ‘volkeren’ dan worden daar niet de inwoners van een land mee bedoeld, maar de overheden, de wereldbeheersers van de duisternis met hun legers van boze geesten en machten, die de volken regeren. Zie bijv. Daniel 10 vers 13 en Daniel 13 vers 20 en 21 (Dan. 10:13 en Dan. 13:20-21). Door de antichrist zal in het laatst der dagen zich alles keren en verza­melen tegen het hemelse Jeruzalem de waarachtig wedergeborenen, de gemeente van Jezus Christus!

Niet zomaar een berg

De Olijfberg is niet zomaar één van de bergen die Jeruzalem omringen, maar de Olijfberg heeft een geschie­denis en een geestelijke betekenis, zoals bijna altijd als er over bergen gesproken wordt. Hij is ongeveer 800 meter hoog en is daarmee hoger dan de tempelberg in Jeruzalem die ongeveer 740 meter hoog is. Het is zoals Zacharia met nadruk zegt: “de Olijfberg die vóór Jeruzalem ligt” Zacharia 14 vers 4 (Zach. 14:04).

Dit doet even denken aan Openbaring 12 vers 3 en 4 (Openb. 12:03-04), waar de grote rossige draak vóór de vrouw staat die baren zou om haar kind te verslinden!

Eveneens in het boek Zacharia lezen we de bekende woorden: “Dit is het woord des Heren tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de Here der heerscharen”. En dan wordt er gesproken tot een berg, een grote geestelijke macht, die de bouw van het huis des Heren wil tegen staan, met de woorden: “Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte”  Zacharia 4 vers 6 en 7a (Zach. 04:06-07a). In geestelijke beteke­nis wordt de Olijfberg een vlakte, een zeer groot dal, om doorheen te kunnen trekken (vers 4). “Niet door kracht noch geweld, maar door Mijn Geest! Zegt de Here der heerscharen”. Dat wil zeggen dat er geen menselijke legers tegenover elkaar komen te staan om iets te bevechten op aarde, maar dat er een geestelijke strijd gevoerd wordt door de kracht van de heilige Geest, zoals de Heer Jezus ons getoond heeft.

Geschiedenis van de Olijfberg

In 2 Samuel 15 vers 30 (2 Sam. 15:30) lezen we dat koning David op de vlucht is voor zijn zoon Absolom en al wenende de Olijfberg bestijgt dat is de eerste keer dat de Olijfberg genoemd wordt! Daarbij mogen we ook nog bedenken dat David een type is van Jezus Christus, de ware Koning David.

Salomo heeft zich op een gegeven moment vreselijk misdragen. Hij had zevenhonderd vorstinnen als vrouwen en nog eens driehonderd bijvrouwen, vrouwen uit andere cul­turen die andere goden dienden. Om de vrouwen tevreden te stellen heeft hij op de Olijfberg voor de meest gruwelijke goden altaren en offerhoogten gebouwd. In 1 Koningen 11 vers 1 tot en met 10 (1 Kon. 11:01-10) kunnen we daar over lezen. Daar wordt gespro­ken van: Astarte, de godin der Sidoniërs (ook wel Astoreth, de koningin des hemels genoemd), van Milkom, de gruwel der Ammonieten, van Kamos, de gruwel van Moab, van Moloch, de gruwel der Ammonieten. “Hetzelfde deed Salomo voor al zijn vreemde vrou­wen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten” (vs. 5-8). De berg stond vol met altaren, offer­hoogten, gewijde stenen en gewijde palen. Dagelijks moet dat een drukte van belang zijn geweest als daar geofferd werd aan al die goden en godinnen die voor God een gruwel zijn. Het was een enorm bolwerk van duisternis, wat vóór Jeruzalem lag!

Koning Josia (2 Koningen 23), heeft bij zijn hervormingen en reiniging van tempel en land alles wat Salomo op die berg gebouwd had verwoest en verbrijzeld en hij heeft die plaats vol­gestort met mensenbeenderen waar­door het een berg van de dood werd. In vers 13 wordt het dan ook “de berg der verwoesting” genoemd. Zo stond de Olijfberg als een grote geestelijke macht vóór Jeruzalem.

De strijd van de Heer Jezus

Ook in het leven van de Heer Jezus heeft de Olijfberg een bijzondere rol gespeeld. De vrienden van de Heer: Lazarus, Maria en Martha, woonden te Bethanië, een dorpje tegen de hel­ling van de Olijfberg. De evangeliën vermelden dat de Heer overdag in de tempel en de stad onderwees en dan naar de Olijfberg vertrok om daar de nach­ten door te brengen Lucas 21 vers 37 en 38 (Luc. 21:37-38). Lucas 22 vers 39 (Luc. 22:39) vermeldt nog: “En Hij verliet de stad en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg”. Daar bracht Hij dus in het bijzonder de nachten door als Hij in de omgeving van Jeruzalem was en daar zal Hij een geestelijke strijd gestreden hebben. Hij zal wel zeker in die nachten op de Olijfberg gebeden hebben met smekingen en onder sterk geroep en tranen tot Zijn Vader, die Hem uit de dood kon redden en Hij is ver­hoord uit zijn angst Hebreeën 5 vers 7 (Heb. 05:07). Misschien was dat wel in de hof “Gethsemané”, de plaats die de dis­cipelen ook zo goed kenden en waar Judas hem dan ook verraden zou. Het was bij de intocht in Jeruzalem dat Hij ook weer van de Olijfberg kwam, via de dorpjes Bethanië en Bethfage, waar twee van Zijn disci­pelen een ezelsveulen voor Hem moesten halen Lucas 19 vers 29 en 30 en Matteüs 21 vers 1 en 2 en Markus 11 vers 1 en 2 (Luc. 19:29-30; Matt. 21:01-02; Mark. 11:01-02). Op die tocht naar Jeruzalem heeft Hij op de helling van die berg geweend over de stad omdat ze de tijd niet verstonden dat de Here naar hen omzag Lucas 19 vers 37 en Lucas 19 vers 41 en 42 (Luc. 19:37 en Luc. 19:41-42). Vanaf de Olijfberg heeft Hij tot zijn discipelen het gericht over Jeruzalem beschreven wat in het jaar 70 letterlijk is vervuld. Wij kennen deze woorden van de Heer als “de eindtijd-redenen”, die de overwin­ning proclameerden over het rijk van satan en de overwinning van het Koninkrijk Gods bij Zijn komst! Matteus 24 vers 1 tot en met 3 en Markus 13 vers 1 tot en met 3 (Matt. 24:01-03 en Mark. 13:01-03).

Oog in oog met duivel en dood

Aan het slot van het laatste avond­maal heeft de Heer samen met zijn discipelen “de lofzang” gezongen en daarna zijn zij samen naar de Olijfberg vertrokken (Matt. 26:30; Mark. 14:26: Luc. 22:39). Je zou zeggen waarom? Waarom bleef Hij niet gewoon in Jeruzalem waar Hij toch weer naar terug gebracht werd? Ik geloof omdat juist daar, op de Olijfberg, in de hof “Gethsemané”, die vreselijke doodstrijd gestreden moest worden, oog in oog met de duivel en z’n hele rijk Matteüs 26 vers 36 tot en met 49 en Markus 14 vers 32 tot en met 42 en Lucas 22 vers 39 (Matt. 26:36:49; Mark. 14:32-42; Luc. 22:39). Jesaja heeft hiervan geprofeteerd toen hij sprak: “Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was nie­mand bij Mij, Ik trad hen in mijn toorn en vertrad hen in mijn grim­migheid; toen spatte hun bloed op mijn klederen en Ik bezoedelde mijn ganse gewaad. Want een dag van wraak had Ik in de zin en het jaar van mijn verlossing was gekomen” Jesaja 63 vers 3 en 4 (Jes. 63:03-04).

Ik geloof dat deze profetie van Jesaja daar, in Gethsemané op de Olijfberg, door de Heer Jezus letterlijk vervuld is in de geestelijke wereld. In die hof, op de Olijfberg, is Hij door Judas verraden en als misdadi­ger gevangen genomen, echter niet voor dat Hij had laten zien wie Hij werkelijk was, toen Hij zei: “Wie zoekt gij? En op hun antwoord zei Hij: Ik ben! En die Hem gevangen moesten nemen deinsden achteruit en vielen ter aarde Johannes 18 vers 1 tot en met 11 (Joh. 18:01-11). Als overwinnaar verliet Hij zo de Olijfberg!

Alles onder zijn voeten gesteld

Zo zien we dat de Olijfberg een grote geestelijke plaats heeft vervuld in het leven van de Heer Jezus. Zelfs zijn hemelvaart heeft plaatsge­vonden vanaf de Olijfberg. Handelingen 1 vers 12 (Hand. 01:12) vermeldt het: “Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan”.

Toen al hebben zijn voeten op die berg gestaan als een triomf over de macht van de duivel en de dood, die Hij aan het kruis vernietigend ver­slagen heeft Kolossenzen 2 vers 15 (Kol. 02:15). Hij heeft de duivel die de macht over de dood had onttroond Hebreeën 2 vers 14 (Heb. 02:14). Als de Heer iets onder zijn voeten heeft, wil dat zeggen dat Hij daar­over overwonnen heeft! Hij is opgevaren vanaf de Olijfberg en heeft zich gezet aan de rechter­hand Gods, vanwaar Hij de geestelij­ke werkelijkheid, waarvan al het zichtbare slechts een afschaduwing was, tot volheid zal brengen Efeze 4 vers 10 (Ef. 04:10).

Wel is het zo dat bij de eerste opstanding, dat is bij de wederkomst van de Heer, als de volmaakte gemeente die dan nog op aarde is, verheerlijkt zal worden Filippenzen 3 vers 20 en 21 (Filip. 3:20-21), de triomfkreet zal klinken: “De dood is verzwolgen in de overwinning” 1 Korinthe 15 vers 54 (1 Kor. 15:54).

De werkelijkheid is van Christus

Al het zichtbare in het Midden- Oosten, het hele land met Jeruzalem en de Olijfberg, het heeft geen enke­le geestelijke waarde meer in het heilshandelen van God. De Heer Jezus heeft de hele Schrift vervuld en in Hem is de werkelijkheid geko­men waarvan de Schrift woordelijk en beeldend heeft gesproken. De apostel Petrus verwoordt het heel duidelijk als hij zegt: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd heb­ben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lij­den, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan 1 Petrus 1 vers 10 tot en met 12 (1 Petr. 01:10-12).

Met de uitspraak: “u dienden”, bedoelt de apostel de gemeente van Jezus Christus waar hij aan schrijft! De profeten dienden in werkelijk­heid niet het Joodse volk, maar de gemeente van Jezus Christus, die bestaat uit Joden en heidenen, uit elke stam en taal en volk en natie.

Bedoel ik met het voorgaande nu te zeggen dat er geen wederkomst van de Heer Jezus zal zijn? Nee, natuur­lijk niet! Ik heb getracht te laten zien dat die wederkomst niet op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt, zal plaats vinden. Naar mijn mening staat de Olijfberg symbool voor de grote geestelijke macht, die vooral in het boek Openbaring, ‘het grote Babylon’ genoemd wordt. (Zie wat ik hiervoor schreef over wat koning Salomo bouwde op de Olijfberg). Ik schaar me niet bij de theologen en leraren die beweren dat de weder­komst een enkel geestelijke zaak is, namelijk het openbaar worden van de Heer in de gelovigen. De Schrift is heel duidelijk over de werkelijke wederkomst van de Heer op aarde. Om maar enkel plaatsen te noemen: Hebreeën 10 vers 37 (Heb. 10:37) zegt: “Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten”. In Openbaring 3 vers 10 (Openb. 3:10 zegt de Heer zelf: “Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten…” Als Paulus spreekt over het avond­maal, zoals hij het van de Heer Jezus ontvangen heeft 1 Korinthe 11 vers 23 (1 Kor. 11:23), dan zegt hij in 1 Korinthe 11 vers 26 (1 Kor. 11:26): “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt”. Tot slot nog een uitspraak van de Heer zelf in Lucas 18 vers 8 (Luc. 18:08): “Doch als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”.

 

De overgang van blad naar website door Gert-Jan Doornink

Eind juli sprak ik voor ’t eerst met de belangrijkste schrijvers in Levend Geloof over het beëindigen van de uitgave van Levend Geloof, hoewel enkelen al eerder op de hoogte waren. Daarna werd begin-augustus een brief verzonden aan allen die de laatste jaren in ’t blad hebben geschreven. Naar aanleiding daarvan ontving ik verschillende reacties. Een kleine selectie uit deze reacties en van enkele anderen treft u hier­onder aan. Daarbij wil ik met nadruk stellen dat ik dit niet doe om over mezelf de loftrompet af te steken, maar uit dankbaarheid jegens Hem die het mij mogelijk maakte dit redigerend en coördine­rend werk te mogen doen. Ik heb dit alles als een bijzondere genade en voorrecht mogen ervaren. Ook ben ik blij dat ik zolang ik geestelijk vitaal blijf, met een website en ande­re activiteiten te kunnen doorgaan.

Reacties

“Na 44 jaar trouwe dienst door mid­del van het blad Levend Geloof, mogen wij in de eerste plaats dank­baar zijn voor de zegen die dit werk heeft verspreid in de harten en in het denken van zeer veel mensen! Heel veel dank!”.

Herman Robbertz

“Je hebt met volle inzet en toewij­ding het blad geredigeerd. Levend Geloof heeft verschillende keren een facelift ondergaan. Het kreeg inder­daad een professionele uitstraling.

Qua inhoud heb je altijd de bood­schap van het Koninkrijk der heme­len vooropgesteld. Dat hebben Riek en ik altijd zeer gewaardeerd”.

Roel Schipper

“We hebben de ontwikkeling van het volle evangelie bewust meegemaakt. We zijn 45 jaar geleden tot bekering gekomen en hebben veel zegen via Beukenstein ontvangen. We hebben grote bewondering voor je wat je hebt gedaan al die jaren met Levend Geloof. Natuurlijk was het Gods werk en Hij gaf jullie (jij en je vrouw) de kracht en de talenten om het te doen. Jullie hebben je beschik­baar gesteld met alles wat nodig is om het te volbrengen en dat nu al 44 jaar! Het is fijn dat God jullie de zekerheid geeft om deze ingrijpende beslissing te nemen”.

Peter Koumans

“In onze gemeente zijn een aantal vaste lezers erg teleurgesteld dat het prachtige en opbouwende blad ophoudt te verschijnen. Namens ons allemaal danken wij u voor de gewel­dige inzet die u jarenlang gegeven hebt. Wij krijgen binnenkort een eigen website en op die manier hoop ik de gemeenteleden in contact te brengen met de Levend Geloof-web- site”.

Paul de Groes

“Ik denk dat het een wijs besluit is. Immers, het blad was jouw persoon­lijke roeping en opdracht en zoiets kun je niet zomaar aan een ander overdragen. Je hebt je van God gekregen taak in getrouwheid uitge­voerd, al deze jaren, 44 jaar zoals je vermeldt. Dat is toch genade van onze Heer, die jou altijd in staat gesteld heeft dit werk te volvoeren. Het blad is voor velen tot zegen geweest. Je hebt ‘voor jou tijd de raad Gods gediend’, zoals ook van David wordt getuigd. Het blad was een baken in veel stormachtige tij­den, temidden van allerlei verwar­ring. Een vaste koers, om steeds het evangelie van Jezus Christus te belichten”.

Klaas Goverts

“Dat Levend Geloof uw persoonlijke bediening was is ons altijd duidelijk geweest. En dat is toch ook goed? Als andere mensen een blad overne­men of voortzetten is het toch zo dat zo’n blad gaat veranderen en meest­al niet met de instemming van die­gene die het oorspronkelijk opgezet had. Ook mede namens onze gemeenteleden en ons beleidsteam willen wij u bedanken voor de trou­we toezending van Levend Geloof. Het lag bij ons op de boekentafel en iedereen die het lezen wilde kon het meenemen. Ook gastsprekers namen nog al eens zo’n blad mee omdat ze het blad niet kenden of er wel van gehoord hadden maar nu dan eens de gelegenheid kregen om het zelf te lezen. Als er eens een blad over was dan hebben wij dat altijd bij buren en kennissen afgege­ven met een begeleidend schrijven. Wij hebben verschillende bladen op de boekentafel maar wat ons dan altijd opvalt is, dat er veel in bladen wordt overgenomen vanuit goede boeken of preken van sprekers. Levend Geloof is volgens ons een blad waarin nagedacht werd/wordt en ook soms dieper gespit werd, als ik dat zo eens mag zeggen. Daar is tegenwoordig helaas bijna geen tijd meer voor (om je af te zonderen en eens diep met God samen te denken over wat je op schrift wil stellen) en dat is gezien de werkdruk soms ook wel te begrijpen”.

Tineke Annotee-Remijnse

“We ontvingen deze week je brief met het nieuws dat volgens mij al enige tijd in de lucht hing. Ondanks het feit dat je er al enige tijd tegen­aan hikte is het mijns inziens de juiste keuze. Zeker als er geen opvolger of organisatie is aan wie je kan overdragen is het belangrijk or het juiste moment te stoppen”. Marcel Camminga

“Je bent vele jaren trouw gebleven aan je bediening en de Heer zal dat belonen (al deed je het daar niet voor). Het blad is voor velen tot grote zegen en voor mijzelf is het toen het nog eenvoudig verscheen in de zeventiger en tachtiger jaren al een enorme hulp geweest om ‘hoger’, ‘dieper’ en ‘verder’ te komen in het leven met de Heer. Steeds heeft Hij je weer frisse inspiratie, maar ook doorzettingsvermogen gegeven om een heldere koers uit te zetten qua visie, echter gecombi­neerd met een grote dosis mildheid, die de Heer in jou heeft doen rij­pen”.

Jildert de Boer

“Graag wil ik u en uw medewerkers te kennen geven, dankbaar te zijn om het mogen deelhebben aan hun geestelijke pennevrucht!”.

Guido Cleeren

“Ik hoop dat u met volle tevreden­heid kunt terugdenken aan al die jaren dat u het blad verzorgd heeft. En dat u zult beseffen dat het voor velen een grote rijkdom is geweest! Ik leende het blad bijvoorbeeld ook weer uit aan anderen. Als je de weg met de Heer gaat, kom je net als Jezus tegenstand tegen. En dan heb je best wel eens een bemoediging nodig, of opheldering, inzicht in de geestelijke wereld. Door het lezen van de artikelen kon je dat dan ont­vangen. Dus het heeft velen gehol­pen om steeds met vertrouwen de weg met Jezus te vervolgen”.

Berry Janson

“Stoppen met Levend Geloof, dat is een hele stap. Moedig om dat te doen, ook al weet je dat het blad geen doel op zich is. Het is al die jaren toch een deel van jezelf geworden en het zal, zeker in het begin, Als het ware een leegte geven, lijkt mij, als je daar niet meer mee bezig hoeft te zijn. Wat goed dat je doorgaat op internet. Er zullen niet veel mensen van jouw leeftijd zijn die alsnog digi­taal gaan. Ik wens je alle goeds, ook daarbij”.

Henk Moorman

“Al jaren heb ik uw blad met grote zegen gelezen. Telkens was het weer diepgaand en begrijpelijk tegelijk. Daarvoor aan U in het bijzonder, maar tevens ook aan de anderen die bijdragen leverden, mijn hartelijke dank. Ik bid u Gods rijke zegen toe in uw verdere leven en andere inzet voor het Koninkrijk der hemelen”.

Riemer de Graaf

“Het spijt mij dat Levend Geloof als blad zal ophouden te bestaan. Naar mijn mening heeft het blad een dui­delijke functie gehad als forum voor de overdenking van het Volle Evangelie. Uiteraard respecteer ik uw beslissing en wens ik u veel zegen, ook bij het in gebruik nemen van de nieuwe website. Overigens heeft onze gemeente inmiddels een eigen website: www.vegintgoudse.nl. Vindt u het goed als wij te zijner tijd op onze site een link naar uw websi­te maken?”.

Peter Annotee

Om op deze laatste opmerking in te haken: Wij waarderen het natuurlijk bijzonder wanneer zoveel mogelijk bekendheid wordt gegeven aan onze website www.levendgeloof.nl. die volgende maand van start gaat. Ook vinden we het belangrijk dat zoveel mogelijk gemeenten een eigen web­site hebben.

Nu is het openen van een website in onze tijd geen bijzonderheid meer. Iedereen kan er mee beginnen. Dat we er in dit laatste nummer van ons blad toch nog al aandacht aan beste­den komt uiteraard door het stopzet­ten van de gedrukte versie van Levend Geloof en het openen van een website met dezelfde naam. We hebben al aangekondigd dat de Levend Geloof-website een geheel eigen invulling zal krijgen, anders zou het een soort surrogaat-versie van het blad zijn. Natuurlijk zullen bepaalde elementen van ons blad ook aangetroffen worden op de Levend Geloof-website, maar voor de

rest zal de website een eigen karak­ter hebben, waarvan wij op dit moment zelfs nog niet geheel weten hoe die zal zijn. Eén ding blijft ech­ter onveranderd: de centrale basis waarvan wij uitgaan en van wat wij doorgeven blijft het evangelie van het Koninkrijk Gods, zoals Jezus en de eerste apostelen dat ook doorga­ven en beleefden.

 

De gemeente als ’tegenhouder’ Door Paul de Groes

Tijdens mijn vervangende dienst­plicht werkte ik in een psychiatri­sche sluisinrichting. Ik ontmoette daar een hoge militair in behande­ling. Hij sprak veel met mij over geestelijke zaken. Aan het eind van mijn dienstplicht gaf hij mij een bij­zondere vertaling van het Nieuwe Testament vertaald door Prof. Ogilvie.

Een andere vertaling laat mij vaak een gezichtspunt zien dat mij niet eerder is opgevallen. Zo vielen mij in deze vertaling de termen ’tegenhouder’ en ‘mens der chaos’ op. In deze Bijbelstudie werk ik deze ter­men verder uit. Tevens geef ik hier­onder het des betreffende Bijbelgedeelte te weten 2 Thessalonicenzen 2 vers 3 tot en met 9 (2 Thess. 02:03-09) uit de Ogilvie vertaling weer:

“Met het oog op de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereni­ging met Hem, hebben wij aan u broeders, een verzoek: Laat u niet zo gauw de bezonnenheid ontnemen en laat u niet opschrikken – noch door een geestelijk beleven noch door een woord of door een brief, die van ons afkomstig zouden zijn – alsof de Dag van de Heer reeds zou aanbreken. Laat u door niemand op de een of andere manier misleiden. Eerst moet de afval komen en de mens van de chaos (de Statenvertaling geeft wetteloosheid weer) zich onthullen, de zoon des verderfs, de tegenstander die zich verheft boven alles wat goddelijk of heilig wordt vereerd en die zich ten­slotte in Gods Tempel op de plaats van God neerzet en zelf optreedt als een God. Herinnert gij u niet, dat ik u dit, toen ik nog bij u was. gezegd heb? Zo weet gij ook wat hem thans nog tegenhoudt, totdat hij zich op de voor hem bepaalde tijd zal openbaren. Het Mysterie van de chaos is reeds werkzaam; alleen moet nog de macht, die het tegenhoudt, uit de weg geruimd worden. Dan echter zal de mens van de chaos onverhuld optreden. Doch de Heer zal hem wegvagen door de adem van Zijn mond en hem vernietigen door de stralende verschijning van Zijn tegenwoordigheid. De komst van de tegenstander geschiedt door de wer­king van de Satan met louter krachtsvertoon, tekenen en valse wonderen en met allerlei alle moge­lijke misdadige verleiding voor hen die verloren gaan” (Vert. van H. A. P. Olgilvie).

De weerhouder

In vers 2: tot 6 staat: “En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, tot hij zich openbaart op zijn tijd”. Paulus geeft hier geen toelichting over wie de mens der wetteloos­heid, der chaos weerhoudt. De men­sen van Thessalonica waren al eer­der door Paulus op de hoogte gebracht van deze tegenhouder. Uit andere Bijbelgedeelten moet duide­lijk worden wie of wat er bedoeld wordt.

De mens der chaos laat zich leiden door de satan en dus ga ik ervan uit de tegenhouder ondanks zijn negatieve klank iets positiefs is. Ik denk namelijk dat de tegenhouder de benaming is van de Gemeente Gods levende in het heden of te wel de tijd. Aan de hand van een aantal Bijbelteksten wil ik dat nader toelich­ten.

In de eerste zin van 2 Thessalonicenzen 2 vers 1 (2 Thess. 02:01) staat dat de apostel Paulus uitgaat van  met vereniging, een eenwording met Jezus. Deze éénwor­ding wordt in deze brief niet verder uitgewerkt. Hij gaat er n.l. van uit dat dit algemeen bekend is. Ik wil proberen daar aan de hand van andere Bijbelteksten wel iets meer te zeggen.

In Openbaring 12 vers 12 (Openb. 12:12) lezen we dat de boze is nedergedaald in grote grimmigheid, wetende dat hij weinig tijd heeft.

De Gemeente is niet gesteld tot toorn 1 Thessalonicenzen 5 vers 9 (1 Thess. 05:09) en zal daarom in veiligheid worden gebracht, voordat deze toom los zal breken 1 Thessalonicenzen 1 vers 10 (1 Thess. 01:10).

In veiligheid

Wat is dit in veiligheid brengen? Niets anders dan dat de gelovigen wederom geboren worden en daarop gedoopt worden in de Geest van God. Door de wedergeboorte maken zij deel uit van tijdloze eeuwige Koninkrijk van God dat steeds meer en meer uitbreidt. Zij leren daar te wandelen door- en in de heilige Geest. Daardoor wor­den de gelovigen onaantastbaar voor de boze die met zijn leugen­geest, verleidingen en geweld alles wil vernietigen wat God heeft bedacht op de aarde én in de hemel­se gewesten.

De boze kan door middel van de wetteloze mens(heid), de nog steeds in de levende Gemeente naar het vlees geweld aan doen (net als Jezus) maar geestelijk bezitten de gelovigen (door het geloof) de kracht van God. En bovendien helpt God deze Gemeente in de tijd Openbaring 12 vers 15 tot en met 18 (Openb. 12:15-18).

Voordat de boze zich ten volle kan openbaren in de ongeestelijke mens­heid, (net zoals Jezus zich zal open­baren in de zijnen) moeten de gelo­vigen dus verwijderd worden, (letter­lijk: “De Gemeente moet uit het midden”).

Dit uit het midden nemen, dit ver­wijderen slaat niet op een feitelijke opname in de lucht. Het betekent dat de gelovigen niet meer gelijkvormig willen zijn aan de wereld. Zij worden geheiligd doordat de gelovigen zich in Jezus en de Vader verlustigen. Dit heeft als gevolg dat zij Hem steeds meer gaan openbaren. De volle openba­ring van de gemeente van alle tijden is dit echter nog niet! (d.w.z. de eeuwige Gemeente Gods = het volgroeide lichaam van Jezus). In hoofdstuk 14 van Openbaringen wordt over deze eeuwige Gemeente geprofeteerd. Dit is dus na het beest uit de zee en uit de aarde (Openbaring 13).

De eeuwige gemeente

In Openbaring 12 lezen we over de profetie van de vrouw en de draak. Hiermee wordt hetgeen ik hiervoor schreef zinnebeeldig voorgesteld. Deze vrouw, dat is de gelovige mens­heid, (Jood en Niet-Jood) brengt een kind voort. Dit is de tijdloze eeuwige gemeente met aan het hoofd Jezus. Dit Kind wordt 1260 dagen Openbaring 12 vers 6 (Openb. 12:06) onderhouden op een plaats waar zij veilig is voor de grimmig­heid van de boze. Zij duikt als het ware onder op het onderduikadres dat de Heer ons bereid heeft. Dit is het koninkrijk van God! Heerlijk is het dat de in de tijd levende gelovigen reeds in de geest deel mogen uitmaken van deze eeu­wige Gemeente van Jezus! Naar het vlees zijn de gelovigen ech­ter nog wel op aarde en zij ondervin­den naar het vlees de woede van de

Boze. We lezen in Openbaring 12 vers 15 tot en met 18 (Openb. 12:15-18) dat God mee helpt de Gemeente in de zichtbare wereld te beschermen. Uit de brief van Paulus leren wij verder dat de Gemeente op aarde ineens omkleed gaat worden met een lichaam uit de eeuwigheid. Ze krijgen een tijdloos eeuwig lichaam om zo samengevoegd te worden met de reeds in Christus ontslapenen. Tot die tijd zal de in de tijd levende gemeente overle­ven en zelfs overwinnen door het bewaren van Gods geboden en omdat zij het getuigenis van Jezus hebben. Paulus beschrijft dit o.a. in 1 Thessalonicenzen 4 vers 13 tot en met 18 (1 Thess. 04:13-18).

Bij de mens de wetteloosheid vol­trekt zich eenzelfde proces als bij de Gemeente van Jezus, namelijk hij zal zich zelf openbaren in degenen die Jezus haten! Met deze mensheid zal hij volgens Openbaringen 1260 dagen zijn gang kunnen gaan. Na deze dagen komt echter een einde aan zijn dagen omdat de eeuwige Gemeente van Jezus geopenbaard wordt (Openbaring 14). De eeuwige Gemeente en de in de tijd levende Gemeente zijn geworden tot de tijd­loze eeuwige Gemeente van God: Het lichaam van Jezus. Zij zullen een einde maken aan de macht van de Boze. En vervolgens zal Jezus het hoofd, alles aan de voe­ten van de Vader leggen zodat De Vader alles in allen zal worden. God heeft Zijn ‘Tegenover’ weer bij zich en kan met de Gemeente wandelen

door de hemelse Hof.

 

Het troostboek van de kerk door Cees Maliepaard

Als het boek Openbaring destijds niet in de canon van de bijbel opge­nomen was, zou dat onder christe­nen een heleboel gekissebis voorko­men hebben. Soortgelijke gedachten zijn in de loop van de geschiedenis meermalen geuit. Zoals Luther des­tijds moeite had met de brief van Jacobus, zo kunnen wij problemen hebben om bepaalde gedachten in dit ‘kerkelijk troostboek’ te laten rij­men met hoe Jezus de Vader beschrijft in zijn in de evangeliën genoteerde uitspraken.

Is God werkelijk enkel goed?

In de psalmen staat vele malen dat God goed is. De psalmdichters ken­den de Here God als zodanig, en schreven Hem derhalve niets kwaads toe. Dat klopt uiteraard, want Hij zou het kwade niet eens hebben kunnen bedenken! Dat God het goede zowel als het kwade zou kennen, is de kardinale leugen die Satan in de hof van Eden op het eer­ste mensenpaar losliet. Hij maakte hun immers wijs dat zij net als God zouden kunnen worden… als zij net als Hij óók het kwade leerden ken­nen.

Doordat Adam en Eva het door de duivel vertekende godsbeeld als juist aanvaardden, kwamen ze verkeerd uit. Behalve Jezus heeft nog nie­mand aan alle misleidingen van Satan weerstand kunnen bieden. Maar wel reikt de apostel Johannes ons een kostbaar gegeven aan. In 1 Johannes 1 vers 5 (1 Joh. 01:05) schrijft hij: “God is licht; er is in Hem geen spoor van duisternis”. Dat correspondeert op de gedachte, dat de Here God alles wat Hij is altijd voor de volle hon­derd procent zal wezen. Omdat God licht is, kan er dus gewoon geen duisternis in Hem zijn. Dit principe kun je op alle eigenschappen van de Vader van toe­passing brengen. God is rechtvaar­dig, derhalve zal er nooit enige onrechtvaardigheid bij Hem gevon­den worden. God is liefde, liefde­loosheid is bij Hem dus ondenkbaar. De Vader is de bouwer van de natuurlijke en van de geestelijke wereld, de sloophamer zul je daar­om bij een ander moeten zoeken. God is barmhartig, onbarmhartig bezig zijn past echt op geen enkele manier in zijn wezen. Zo is het ook met de kwalificatie van het goede in Hem: er zal nimmer iets kwaads in Hem gevonden kunnen worden. Onze Vader is puur licht, zonder meer rechtvaardig, één en al liefde en barmhartigheid, voortdurend bouwend aan de vervol­making van zijn puike plan en in alle opzichten onverdeeld goed. Geen van de negatieve tegenpolen krijgt bij Hem enige kans.

God is wars van verderf

In Gods plan is voor de mens zinvol leven gesitueerd. Hij doet zijn voor­nemen nimmer geweld aan, ook niet bij wie zich niets aan Hem gelegen laat liggen. Het is de toorn van God (Satan, op wie Gods toorn rust) die maar al te graag de kroon op Gods schepping aantast. De Here God brengt zijn schepselen zelf niet in de vernieling; wel waarschuwt Hij hen voor de intriges van de vorst van het duistere rijk in de hemelsferen. Maar met het stellen van zulke gedachten, doemt er gelijk een pro­blematisch punt op in de slotconclu­sie die Johannes aan dit gezicht ver­bindt. In Openbaring 22 vers 18 en 19 (Openb. 22:18-19) schrijft hij namelijk: “Ik verklaar tegenover een ieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn, en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn”. Hoe zijn dergelijke gedachten over God te rijmen met het beeld dat Jezus van de Vader schetste? Zij zul­len toch met elkaar in overeenstem­ming moeten zijn, aangezien de inhoud van het boek Openbaring óók door Jezus aan Johannes is getoond. Bekende Bijbelteksten zijn: ‘God is liefde’ en ‘God is goed’. Maar geldt dat dan niet voor degene die iets van de inhoud van dit Bijbelboek weglaat of er iets aan toevoegt? We dienen nooit uit het oog te ver­liezen dat de Heer de tekst van Openbaring niet letterlijk aan Johannes gedicteerd heeft. Hij toon­de hem de beelden en Hij gaf daar gedachten bij. Dat wil dus zeggen dat in dit gedeelte Jezus aan Johannes duidelijk gemaakt heeft, dat sleutelen aan de tekst van dit boek tot gevolg zal hebben dat de sleutelaar zich aan een scenario van rampzalige ontwikkelingen bloot­stelt. En tevens dat hij zich daarmee isoleert van de heilzame elementen die erin vermeld staan. Het Joodse volk was nu eenmaal eeuwenlang gewend geweest aan de oudtestamentische visie op dit soort zaken. Vandaar dat het Johannes niet vreemd zal zijn overgekomen, dat God hier als de straffende rech­ter wordt weergegeven. De werke­lijkheid is echter dat bagatelliseren van de inhoud van dit apocalyptische boek, zal leiden tot een vergemakke­lijking voor de betrokken machten van de duisternis om de geopenbaar­de zegeningen voor de mens te blok­keren en tegelijkertijd de bekendge­maakte rampzalige toestanden te helpen bewerkstelligen.

God is liefde

Deze waarheid blijft te allen tijde kaarsrecht overeind staan. God houdt niet slechts van de mens onder voorwaarde van diens blinde gehoorzaamheid, maar Hij heeft zijn schepselen onder alle omstan­digheden lief. Wie Hem ongehoor­zaam is, wekt (in de taal van de bij­bel) ongetwijfeld zijn toorn op. Maar dat is niet meer dan de gramschap van Satan, op wie de toorn van God (zoals reeds opgemerkt) nu eenmaal rust.

God is onmogelijk van zijn liefde te scheiden, want de Schrift geeft aan

dat Hij liefde is… puur liefde dus. De narigheid is echter dat een mens zichzelf buiten Gods liefde en trouw kan plaatsen door een knieval voor de duivel te doen. De Here God is immers te allen tijde zichzelf? Wel, dat betekent dan ook dat Hij nooit verbonden kan worden met het gedachtegoed van Satan, want dat zou tegen zijn wezen ingaan. Wie zich tot Jezus wendt, zal te allen tijde door Hem de weg naar de Vader gewezen worden. Want Jezus heeft de weg gebaand naar Gods liefdeshart. Dat komt doordat Hij zelf ook één en al liefde is. Hij is bovendien de verpersoonlijking van de waarheid van Vaders onberouwelijke keuze voor de mens. Elk men­selijk wezen maakt immers deel uit van zijn schepping, en Jezus is de volmaakte weergave van hoe God zich van eeuwigheid zijn beelddra­gers gedacht heeft. Vandaar dat Gods eerste Zoon in ieder die z’n verwachting op Hem stelt, Goddelijk leven geeft. Hoe heerlijk is die open­baring van Goddelijk heil in het leven van u en mij!

 

Dagelijks vol zijn van Gods Geest door Jildert de Boer

‘Dagelijks vol zijn van Gods Geest’… Een utopie of een voor iedere christen bereikbare werkelijkheid? In dit arti­kel belicht Jildert de Boer het onder­werp ‘Pinksteren’ op uitvoerige en duidelijke wijze (-red.).

“Wie gelooft, gelijk de Schrift zegt, stro­men van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38). “En zij werden allen vervuld met de heilige Geest…” Handelingen 2 vers 4 (Hand. 02:04).

Voor velen is Pinksteren niet meer dan een extra dag vrij. Christenen weten dat Pinksteren te maken heeft met de uitstorting van de Heilige Geest. Voor sommigen blijft het spreken over de Geest van God vaag en abstract. De werking van de Geest lijkt voor niet weinigen een onbekend of althans weinig bekend verschijnsel. Velen lijken de geeste­lijke antenne en een radar van God voor de geestelijke wereld te missen. Misschien is het een mooi historisch feit en een krachtig begin van de gemeente van Jezus Christus 2000 jaar geleden. Maar wat zijn de effec­ten van de werking van Gods Geest voor nu? Heb je persoonlijk ook een ervaring van en met Gods Geest gehad? Dan bedoel ik weer niet alleen een aantal jaren terug, toen je in je eerste vurige liefde voor Jezus Christus stond, maar vandaag als een werkelijkheid in je leven. Is het leven in de Geest realiteit voor je nu, of zij het maar een stel verhe­ven klanken? Mooie, maar loos lij­kende kreten die toch -op de keper beschouwd- geen relatie hebben met de nuchtere, soms harde wereld van elke dag.

Meer dan wedergeboorte!

Ik ga ervan uit dat je je hebt bekeerd van je vroegere wandel, toen je stuurloos met de wereld mee dobberde en dat je Jezus als stuurman en leidsman van je leven hebt gekozen. Ik neem aan dat je wedergeboren bent door het levende en blijvende Woord van God 1 Petrus 1 vers 23 (1 Petr. 01:23) en dat je geboren bent uit de Geest Johannes 3 vers 5 en 6 (Joh. 03:05-06).

Die Geest van God heeft jouw men­selijke geest levend gemaakt -die was immers dood door je zonden en overtredingen Efeze 2 vers 1 (Ef. 02:01)- en samen met Hem ben je aangesloten op de bron van ons leven: God Zelf! Je hebt Jezus Christus leren kennen als het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt Johannes 1 vers 29 (Joh. 01:29). De vraag is evenwel daarbij of je Hem ook hebt leren kennen als Degene, die in de heilige Geest doopt Johannes 1 vers 33 (Joh. 01:33). Ben je onderge­dompeld in heilige Geest, helemaal omhuld met de Geest van God? Reken maar dat dit een heerlijke ervaring met God is! Dat is iets dat je door gebed en geloof kunt beleven. Daartoe heeft God ook handoplegging als een ondersteuning gegeven. Hier kun je profijt van trekken door middel van anderen, die je een stap verder kun­nen helpen op de weg van God. Zonder de kracht van de heilige Geest is het christenleven een moei­zame, traag voortslepende zaak.

In, met en door ons

Er is verschil of Gods Geest bij jou is en aan jou een werk doet, of dat

die heilige Geest in jou woning heeft gemaakt en je helemaal van binnen kan vervullen, zodat Hij ook met en door jou een heerlijk werk van God kan doen in je leefom­geving, concreet in je alledaagse leven. Kortom: dat stromen van levend water uit jouw binnenste gaan vloeien Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38). Die Geest van God zal je eigen dorheid door­breken en je persoonlijke leven gezond en fris maken. Vervolgens zal Gods Geest de saai­heid van de dagelijkse sleur verande­ren in een interessant ‘oefenterrein’, om te leren wandelen in de Geest en Zijn stem te verstaan, in plaats van het gegons en lawaai van andere “filmen van beneden. Dat kunnen Wieren in huis, op school, op straat en op ons werk, of waar dan ook. Een blij, fris en sprankelend leven kan ons deel zijn, als we bereid zijn in de werking van de heilige Geest te geloven en de heilige Geest te gehoorzamen.

Misschien hebben we ooit wel in onze vroomheid best oprecht gebe­den: “Heer, maak mij een kanaal van Uw zegen”. We voelden ons als die “holle pijp”, waar God Zijn levens­water in moest gieten via ons over het onvruchtbare woestijnland. Maar Hij respecteert ons mens-zijn, onze creativiteit en talenten en ziet ons niet als een willoos werktuig, niettemin zullen wij ons graag door Hem laten vormen. Toen -in onze oude voorstelling- beseften we nog niet dat zo’n kanaal een steriele, strakke en stijve zaak is. Het is rechtuit door mensen gegra­ven en daarmee een dood ding op zichzelf. Kanalen zijn nooit verras­send in hun loop, maar uiterst voor­spelbaar. Gods Geest werkt nooit op een en dezelfde manier en daarom is het niet leuk om een kanaal te zijn of ernaar te verlangen dit te worden.

Geef ons dan veel liever het levendi­ge bruisen van een rivier, die heel

verrassend zijn werk doet en vanuit de bron kris kras kronkelend uit­stroomt over het land, vol van ener­gie en krachtige stroming. Wat fijn om dan te bidden: “Heer laat mij een bron zijn van Uw levende water”. Daar sta je niet passief bui­ten, maar daar ben je helemaal in betrokken en word je actief ingeschakeld.

Bewustwording

Gedoopt zijn in en steeds vervuld worden met de heilige Geest geeft je het bewustzijn, dat de levende God in je werkt en dat Hij door jou ande­ren kan bereiken om je heen. Hoe mooi om te zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water nooit meer teleurstelt Jesaja 58 vers 11 (Jes. 58:11). Hoeveel mensen zijn er wel niet teleurgesteld in wat chris­tendom heet? De bruisende rivier van kracht is de eerste christenge­meente is vaak verworden tot een mager stroompje, dat zo heel zwak en zachtjes nog wat voortkabbelt…(althans in de ogen van velen). Is het niet fantastisch als de heilige Geest in ons opspringt als een fontein van water, die springt ten eeuwigen leven?! Johannes 4 vers 14 (Joh. 04:14). In dit voorbeeld uit het verhaal van de Samaritaanse vrouw zien wij ook dat het levende water vrijmoedig uit haar binnenste opsprong tot zegen van haar stad Johannes 4 vers 39 (Joh. 04:39). Het getui­genis van Jezus spoot eruit! Het is adembenemend om het avontuur op de rivier van God aan te gaan en de uitdaging op te pakken, om levens­water uit te delen aan een wereld die zijn dorst lest aan allerlei zaken waar je steeds weer dorst van krijgt en waar je nooit echte bevrediging in vindt.

Herstel

Het is geweldig dat de Heer in de geschiedenis van de gemeente steeds weer herstelbewegingen heeft gegeven, om de gemeente te bepalen bij haar oorsprong, haar geboorte op de Pinksterdag in Jeruzalem, of wel:

de kracht van de heilige Geest! Wat geweldig als kinderen van God gaan opstaan om vol van de heilige Geest te zijn en voortdurend te wor­den. En: vervolgens ook hun lauw­heid, gezapigheid, luiheid en slap­heid radicaal overboord te gooien! Opwekking is niet slechts een “conferentiefeest” (merk tussen haakjes op dat op zulke conferenties wel over de Geestesdoop wordt gespro­ken, maar dat de Bijbelse ‘link’ met de waterdoop helaas niet wordt gelegd!).

Opwekking is iets dat de Heer van binnenuit met jou wil doen en wat je samen met anderen mag beleven: de heilige Geest woont in je en maakt jouw zwakheid sterk! Je bent van tussen de doden uit opgestaan en wandelt nu in de Geest. De Trooster is erbij geroepen in jouw leven tot zalfolie voor je ver­wondingen, tot balsem en verkwik­king voor je ziel.

Zo kun je op jouw beurt voor ande­ren tot troost worden, zodat zij gaan zeggen “Jezus is Heer” door de heili­ge Geest 1 Korinthe 12 vers 3 (1 Kor. 12:03) en mag jij door de Heer gebruikt worden dat ande­ren gedoopt worden in de heilige Geest.

Als het Koninkrijk van God over je gekomen is en bij jou baan heeft gebroken doordat boze geesten uit je leven zijn gebannen zie Matteüs 12 vers 28 (Matt. 12:28), dan mag jij daarna het kli­maat en de geur van het Koninkrijk gaan verspreiden tot bevrijding van anderen, die nog gebonden zijn op bepaalde punten of gebieden in hun leven.

De Geest van God maakt je lichtbewegelijk en flexibel, zodat je Gods wijsheid vindt, om mensen te bemoedigen met woorden van God. Dat is de Geest van Pinksteren diep in je hart en reuze praktisch in je dagelijkse leven!

Een ongedeeld hart

De Heer wil in ons leven tot Zijn volle recht komen!

In het Oude Verbond lezen we al dat als ons hart volkomen naar Hem uitgaat, Hij ons krachtig bijstaat 2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09). Gedeelde harten kunnen dus ingele­verd worden tot een ontvankelijk: “leer mij Here uw weg, opdat ik in uw waarheid wandele”. Dan kan ons hart verenigd worden tot de vrees van Zijn Naam Psalm 86 vers 11 (Ps. 086:011). Het gaat er dus allereerst om dat ons hart ongedeeld is voor Hem! Met een innerlijk verdeeld en twijfelend hart moet een mens niet menen dat hij iets van de Here zal ontvangen Jakobus 1 vers 8 (Jak. 01:08) en daarmee kan Zijn Geest niet uit de voeten. In Gods bedoe­ling wil Hij Zijn Geest juist meer dan overvloedig geven, want Hij is niet zuinig en wil op velerlei wijzen aan, in en door ons leven werken.

Doorwerkende aspecten van Gods Geest

Wat werkt de Geest van Pinksteren uit in je leven?

Wat zijn nu een aantal belangrijke dingen, die het doel zijn van de ver­dere doorwerking van de heilige Geest in je leven? Gaat het om uiterlijk vertoon, om een paar specifieke gaven, of is de Geest van God veel meer “allround”? Uiteraard is het werk van de Geest van God zo inspirerend en veelzijdig dat we maar een aantal punten kun­nen aanstippen. Deze kunnen ons aansporen en aanvuren om naar meer van God in ons leven te zoe­ken en te verlangen! Zonder op vol­ledigheid te bogen noemen we een aantal terreinen op, waarin Gods Geest ons wil stuwen.

  1. De Geest tot getuigenis

Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:08) geeft je kracht, de kracht van de Heilige Geest over je tot een getuigenis is steeds grote­re cirkels van bereik, te beginnen met je eigen huis en omgeving. Het is veranderd worden van een verle­gen naar een vrijmoedig persoon, die in woord en daad, door Zijn levenswijze, echt christen-zijn toont.

2.De Geest, die het Woord levend maakt

De Schriften worden levend voor je en je Bijbel is geen oud, antiek boek meer, dat traditioneel naar de letter gebruikt wordt, maar o zo nuttig bij je wandel in de praktijk. Bij Jezus gaf God Zijn Geest niet met mate Johannes 3 vers 34 (Joh. 03:34) en Zijn woor­den waren dan ook geest en leven Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63). Het is ook boeiend om te zien hoe Petrus op de Pinksterdag (Handelingen 2) de Schrift opende en putte uit het Oude Testament, om onder andere de woorden van de profeet Joël actueel en levend toe te passen. In je eigen leven ervaar je hoe God Zijn Woord voor je laat ‘oplichten’ en je wijsheid en openbaring krijgt door de Geest Efeze 1 vers 17 en 18 (Ef. 01:17-18). Het is de Trooster, de heilige Geest, die ons alles zal leren en te binnen brengen al wat Jezus gezegd heeft Johannes 14 vers 26 (Joh. 14:26). Hij zal Jezus verheerlijken, want Hij zal het uit het Zijne nemen en het ons verkondigen Johannes 16 vers 14 (Joh. 16:14).

3.De Geest van gebed en lofprijs

Zonder gebed geen heilige Geest Lucas 11 vers 13 (Luc. 11:13) en zonder heilige Geest geen krachtbron om tot bidden te komen. Kan de Geest jou op gezette tijden in de stilte brengen, los van de beslommeringen van het leven, om je relatie met God te verlevendi­gen? Of om gericht voorbede voor anderen te doen?

Het komen tot lofprijzing en aanbid­ding is heerlijk om gezamenlijk te doen, maar best een oefening om het alleen te (leren) doen, of het juist te doen middenin de beproevingen!

4.De Geest van profetie

De Geest wil spreken in de gemeen­te met profetische woorden. Hier mag vooral naar gestreefd worden 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01).

“Spreekt iemand (!), laten het woor­den zijn als van God” 1 Petrus 4 vers 10 (1 Petr. 04:10). Het zijn woorden tot mensen, die stichtend, vermanend en bemoedi­gend zijn 1 Korinthe 14 vers 3 (1 Kor. 14:03). Ook de andere uitingen van de Geest mogen in een gezonde balans tot ontwikkeling komen in eigen leven en in de gemeente.

5.De Geest tot heiliging

De heilige(!) Geest der waarheid kan niet ontvangen worden door deze wereld Johannes 14 vers 17 (Joh. 14:17). Bij de stijl, de sfeer en de aanpak van de wereld voelt de Geest van God in ons zich thuis. “Want God heeft ons niet roepen tot onreinheid, maar in heiliging. Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook Zijn heilige Geest geeft” 1 Thessalonicenzen 4 vers 7 en 8 (1 Thess. 04:07-08). Door de Geest kunnen wij de “lichaamswerkingen” doden en als we ons door die Geest laten leiden zijn we zonen Gods Romeinen 8 vers 13 en 14 (Rom. 08:13-14). De brieven van de apostelen sporen ons aan tot “heiliging door de Geest” 2 Thessalonicenzen 2 vers 13 en 1 Petrus 1 vers 2 (2 Thess. 02:13; 1 Petr. 01:02). De Geest tot heiliging is dezelfde Geest als de Geest van (lust in) de vreze des Heren Jesaja 11 vers 3 (Jes. 11:03), namelijk om (ver!) te wijken van het kwade in je leven en ook in de gemeente.

6.De Geest tot de goede strijd

De Geest bakt geen “zoete broodjes”, kweekt geen “zweverige gevoelens”, is niet te porren voor “zwoele manifestaties”, maar zegt dat je krachtig in de Here en de sterkte van Zijn macht de volle wapenrus­ting van God aan moet doen Efeze 6 vers 10 (Ef. 06:10), om in de geestelijke wereld tegen je ware vijanden te strijden Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12). Het is oorlog in de hemelse gewesten en wij mogen met de autoriteit van de Geest daar onze plaats innemen! Ook op aarde leren we in praktische zin dat “wandel door de Geest” betekent het “niet voldoen (toegeven) aan het begeren van het vlees” Galaten 5 vers 16 (Gal. 05:16). Dat blijkt wel uit onze reacties in de levenssituaties. Zijn die nog als “zure azijn” uit de woestijn, of al als “heerlijke honig” uit het beloofde land?

Jezus kreeg de vuurdoop -de testcase van de duivel- in de woestijn na Zijn Geestesdoop, maar de goede enge­len dienden Hem en Hij keerde terug in de kracht des Geestes naar Galilea Lucas 4 vers 1 tot en met 14 (Luc. 04:01-14). Hoe keren wij terug naar huis van een dag met allerlei “tegenzitters” en aanvallen? Vol van de Geest (via de goede strijd tegen de machten der duisternis), of menselijk geprikkeld en chagrijnig? Deze vuurgloed van beproeving moet ook ons niet bevreemden, als die over ons komt 1 Petrus 4 vers 12 (1 Petr. 04:12). Dan kan bijv. bij smaad lijden toch gelukkig(!) blijken dat de Geest der heer­lijkheid en de Geest Gods op je rust 1 Petrus 4 vers 14 (1 Petr. 04:14).

7.De vrucht van de Geest

De negenvoudige vrucht van liefde tot en met zelfbeheersing gaat door de Geest rijpen in onze levens Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22). Tegen zulke mensen is de wet niet Galaten 5 vers 23 (Gal. 05:23). Zij bevestigen name­lijk de wet Romeinen 3 vers 31 (Rom. 03:31) in hun levens, hebben het vlees gekruisigd Galaten 5 vers 24 (Gal. 05:24) en houden door de Geest het (goede!) spoor Galaten 5 vers 25 (Gal. 05:25). Vergeten wordt vaak bij het spreken over de vrucht van de Geest dat als voorwaarde geldt het afleggen van de werken van het vlees Galaten 5 vers 19 tot en met 21 (Gal. 05:19-21). Er staan daar 15 duidelijke zon­den opgesomd, maar met “en derge­lijke” is de lijst verder uit te breiden. Door allerlei vleselijk blijvende christenen ontstaat er soms een ver­keerde leefsfeer in gemeenten, die het klimaat van het Koninkrijk Gods met zijn gerechtigheid, vrede en blijdschap Romeinen 14 vers 17 (Rom. 14:17) dreigt te verstoren.

Het is niet de bedoeling de zuurstof van het Koninkrijk -de liefde- te smoren door “geestelijke milieuver­ontreiniging” van werken der duis­ternis. Deze zullen radicaal wegge­daan moeten worden, wil de vrucht van de Geest tot volle ontplooiing komen! De vrucht van de Geest openbaart het karakter van Jezus! De zonen van God, die door de Geest geleid worden, zullen het wezen en de heerlijkheid van Christus gaan weerspiegelen en naar Zijn beeld veranderen zij van de ene heerlijkheid in de andere heerlijk­heid, immers door de Here, die Geest is! 2 Korinthe 3 vers 18 (2 Kor. 03:18).

8.De eenheid door de Geest

Tegen het woord “u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes” Efeze 4 vers 3 (Ef. 04:03) is veel gezondigd in de kerkgeschie­denis. Gods uitgangspunt blijft: “een lichaam en een Geest” Efeze 4 vers 4 (Ef. 04:04). De kracht van Gods Geest kan ons in de plaatselijke gemeente zichtbaar een maken! Dat lukt echt niet als menselijke heerszucht, jaloe­zie, roddel en negatieve kritiek (onveranderd) blijven leven in de gemeente.

De kracht van de Geest is de opwaartse kracht tot God, die sterker is dan de neerwaartse kracht van de zondemachten. De Geest tot eenheid is meer dan de geest van verwijde­ring of verdeeldheid. Geloof in Zijn goddelijke kracht, die eenheid mogelijk maakt! De Geest bindt samen en toont je liefde voor elkaar! Woorden als “samen” en “met elkaar” zijn kernwoorden voor gemeente bouw.

Verlangen naar meer van God

Tenslotte: heb je dorst naar (nog) meer van God? Als je deze gezind­heid en instelling hebt, dan ben je niet een beetje aan het geestelijk freewheelen of entertainen in de gemeente. Dan hunker en smacht je naar de weg die de Geest verder met je wil gaan. Dan wil je vrij van oppervlakkigheid dieper en hoger met God gaan, ook al kost het meer van jezelf.

Laten we de uitdaging aangaan en ik roep je op, als je dorst hebt naar meer van God, dat je in je verlan­gen komt en drinkt van Zijn Geest. Kom weg uit elke “droogte”, “verzan­ding” en “dichtslibbing” van bepaal­de gebieden in je leven en laten – voor het eerst of opnieuw- de stro­men van levend water vloeien uit je hart en leven!

Geef de geest van onverschilligheid geen kans, om schouderophalend aan het meerdere van Gods goede Geest voorbij te gaan! De Heer is RIJK voor allen die Hem aanroepen! Romeinen 10 vers 12 (Rom. 10:12).

 

‘Opdat zij allen een zijn Door Wim te Dorsthorst

Het is altijd weer indrukwekkend in het Johannes-evangelie de hoofd­stukken 13 tot en met 17 te lezen. Als Judas is verdwenen in de duis­ternis van de nacht om zijn Heer te verraden, geeft Jezus daarna nog het meest heerlijke onderwijs aan Zijn apostelen. Dit gedeelte is bekend onder de naam: “Gesprekken bij het Avondmaal”. Wat opvalt is dat de Heer niet praat over het verschrikkelijke lijden waar Hij nu doorheen zal moeten, maar dat Hij vol zorg is voor Zijn discipe­len, als Hij er niet meer zal zijn. Het Hogepriesterlijk gebed is dan de afsluiting. Direct hierna gaat hij met de elf apostelen naar Gethsemané, waar Hem de verschrikkelijke doodsangst overvalt en Hij even later gevangen genomen wordt. Juist in dat laatste gebed spreekt Hij Zijn zorgen uit voor de apostelen en bidt Hij in vers 11b: “Heilige Vader bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn, zoals wij”. Dat is het thema van Zijn laatste gebed tot de Vader: ‘De eenheid van zijn apostelen en de toekomstige gemeente’. In de verzen uit Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23) is dan Zijn gebed: “En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid, die Gij Mij gege­ven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erken- ne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”.

De verdeeldheid-zaaier

Tot vijf maal bidt Hij tot de Vader om eenheid voor de gemeente die nu zal gaan ontstaan. Uit zo’n gebed spreekt een diep verlangen, maar ook een grote zorg van de Heer voor de gemeente als Hij er niet meer zal zijn; ‘opdat zij allen een zijn’!

Hij heeft in Zijn onderwijs drie en een half jaar lang de geestelijke wereld geopend en de Naam van de Vader aan Zijn apostelen geopen­baard. Maar Hij heeft daarin ook laten zien, wie de grote tegenstander is van God en de mensen. Hij heeft de duivel openlijk aangewezen als de dief, de slachter en de verdelger. De vader der leugen en de oorzaak van alle ellende, waar mensen in ver­strikt kunnen zitten. Hij is ook de grote verleider, bedrieger en aankla­ger. Maar één eigenschap, die ook uit z’n griekse naam (Diabolos) naar voren komt, is: ‘uiteenwerper’, ‘ver­deeldheid-zaaier’. Dat speciale werk van de duivel zien we op alle terrei­nen van het leven, maar vooral in kerken en gemeenten. De Heer Jezus bidt om eenheid en de duivel zaait verdeeldheid! Hij heeft dat altijd gedaan, ook onder het oude volk Israël, en hij zal dat blijven doen tot het einde toe. We hoeven ‘oor maar acht te geven op de indringende waarschuwingen van de Heer zelf en van de apostelen in hun onderwijs.

Volmaakt zijn tot één

In deze laatste verzen van Zijn gebed Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23) bidt de Heer niet alleen voor de apostelen, maar ook voor allen die door het woord van de apostelen in Hem gaan geloven. En met welk doel? “opdat zij allen een zijn”. En dan gaat Hij die een­heid nog wat duidelijker stellen als Hij zegt: “opdat zij allen één zijn gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn” (vers 21). De NBG-vertaling vertaalt met: “… dat ook zij in Ons zijn’, maar de Staten vertaling en de meeste andere vertalingen, hebben:’… dat ook zij in Ons een zijn’. Het gaat dus om een hele bijzondere en diepe een­heid van de gemeente. Een eenheid zoals Jezus en de Vader één zijn! In Johannes 14 vers 7b tot en met 9b (Joh. 14:07b-09b) zegt de Heer tot Filippus: “Van nu aan kent gij de Vader en hebt gij Hem gezien. Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. De Hebreeën-schrijver zegt later: “dat Jezus de afstraling is van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen” Hebreeën 1 vers 3a (Heb. 01:03a). Om die eenheid bidt de Heer voor zijn volgelingen voor Hij gaat lijden en sterven. Hij bidt zelfs in Johannes 17 vers 23 (Joh. 17:23): Dat zij volmaakt zijn tot een”.

En waarom is deze diepgaande een­heid zo belangrijk – in de eerste plaats van zijn apostelen natuurlijk, maar ook van alle christenen – “Opdat de wereld gelove en erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt”, zegt Hij Johannes 17 vers 21 tot en met 23 (Joh. 17:21-23).

Zolang de gemeente nog verdeeld is en niet tot die volmaakte eenheid is gekomen is zij geen getuigenis en geen betrouwbaar bewijs dat de Heer Jezus door de Vader in de wereld gezonden is. Dan is de gemeente ongeloofwaardig en onwaarachtig! Ik geloof dat de een­heid waar de Heer om bidt, de diep­ste betekenis is van het gemeente- zijn en het grootste wonder wat de wereld zal kunnen overtuigen, als zij volmaakt is tot één. De Heer bidt dus niet om een oecu­menische eenheid zoals bij de PKN- kerk, wat op het ogenblik nogal actueel is, maar in wezen slechts een papieren overeenkomst is. Ook geen eenheid in ‘verscheidenheid’, zoals dat zo interessant genoemd wordt, maar natuurlijk geen eenheid is. Ook geen eenheid tussen Rooms Katholieken en evangelischen zoals in Amerika gezocht wordt! Nee, de Heer bidt om een eenheid “zoals de Vader en de Zoon een zijn”!

Vorming van de apostelen

Is dit niet veel te hoog gegrepen van de Heer? Hoe zou dat gerealiseerd kunnen worden als Hij er zelf niet meer is?

De Heer is ruim drie jaar rondge­trokken in Israël en Hij leerde en onderwees de schare aangaande het Koninkrijk Gods, maar aan Zijn apostelen heeft Hij heel bijzonder onderricht gegeven. Op veel plaatsen lezen we in de evangeliën dat Hij zich heel speciaal met de twaalven bezighield. Zo lezen we bijvoorbeeld in Markus 4 vers 34 (Mark. 04:34): “Tot de scharen sprak Hij enkel in gelijkenissen, maar afzonderlijk aan zijn discipe­len verklaarde Hij alles”. In de gesprekken bij het avondmaal zegt Hij tegen de elf overgeblevenen: “Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aan­gewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen Johannes 15 vers 15 en 16 (Joh. 15:15-16). Ook in Zijn laatste gebed tot de Vader zegt Hij dat Hij de Naam van God aan hen heeft bekend gemaakt en dat Hij de woorden die de Vader Hem gegeven had aan de apostelen bekend heeft gemaakt (vers 6-8). Zelfs na Zijn opstanding is Hij hen nog 40 dagen verschenen om hen te onderrichten over alles wat het Koninkrijk Gods betrof, en door de heilige Geest heeft Hij hen Zijn bevelen gegeven.

Zo zijn de apostelen door de Heer grondig toebereid om de bouwers van de gemeente van Jezus Christus te zijn.

De heerlijkheid

Hij bidt in vers 22 voor hen: “En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn”. Wat bedoelt de Heer met die ‘heer­lijkheid’?

Je kunt denken aan de kennis van de Vader en alle woorden die de Vader Hem gegeven had en die Hij aan hen doorgegeven heeft, dat is ook heerlijkheid, maar ik geloof dat de Heer hier de heilige Geest bedoelt. Bij Zijn hemelvaart geeft Hij ook de opdracht dat ze moeten blijven wachten op het ontvangen van de heilige Geest. Dan zullen ze kracht ontvangen om uit te gaan zoals Hij uitgegaan is.

Voor de Heer Zijn bediening begon, liet Hij zich dopen en werd Hij ver­vuld met de heilige Geest. Van toen af was Hij aangedaan met hemelse kracht, autoriteit en goddelijke heer­lijkheid. Zijn hemelse Vader bekleedde Hem met heerlijkheid tot het vervullen van een geweldige taak.

Deze heerlijkheid trad naar buiten als Hij zijn mond opende om het evangelie te brengen aan de armen, om Zijn discipelen te onderwijzen in de geheimenissen van het Koninkrijk Gods, en wanneer Hij rondging weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38). Zo kunnen we op verschillende plaatsen lezen in de evangeliën dat de Heer Jezus Zijn ‘heerlijkheid’ openbaarde. Deze ‘heerlijkheid’ was zichtbaar en hoorbaar voor hen die in Hem geloofden. Voor de ongelovigen en dwarsliggers was Hij nog steeds de timmermanszoon uit Nazareth en werd Hij veracht, juist om die ‘heer­lijkheid’ en zochten ze Hem te, doden. 

“En deze heerlijkheid heb Ik ook aan hun gegeven”, bidt Hij. En dan niet op de eerste plaats om de werken te doen die Hij gedaan heeft, maar ‘opdat zij een zijn, gelijk wij een zijn’!

De tijd van Handelingen

Hij heeft de apostelen niet zomaar de wereld ingestuurd. Hij zegt: Vader, gelijk gij Mij gezonden hebt in de wereld; heb Ik ook hen gezon­den in de wereld” (vers 18). Dat wil zeggen: met dezelfde kennis en dezelfde toerusting! En de apostelen zijn na Pinksteren de wereld ingegaan, vervuld met dl^ heerlijkheid Gods, en met een eens­luidende boodschap die zij van de Heer geleerd hadden. Beginnende in Jeruzalem, vervolgens in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde Handelingen 1 vers 8b (Hand. 01:08b). De apostel Paulus schrijft later aan de Efeziërs dat de gemeente gebouwd wordt op het fundament van de apostelen en de profeten, ter­wijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is Efeze 2 vers 20 (Ef. 02:20).

In Openbaring 21 waar we lezen over het nieuwe Jeruzalem, beeld van de gemeente, zien we op de fun­damenten van de stad de twaalf namen van de apostelen van het Lam Openbaring 21 vers 14 (Openb. 21:14). Wat een machtige tijd moet dat geweest zijn in het begin. Allen die tot geloof kwamen waren één omdat ze het woord van de apostelen geloofden. En niemand hoefde te twijfelen aan de echtheid van de boodschap, want de Heer werkte mee en bevestigde de woorden van de apostelen door de tekenen die er op volgden. Allen lieten zich dopen volgens de opdracht van de Heer Jezus en ontvingen dan ook de heili­ge Geest volgens de belofte, want zonder deze stappen is er geen een­heid mogelijk waar de Heer om heeft gebeden.

De heilige Geest is de Geest der waarheid en wil de gelovigen de weg wijzen en hen leiden in de volle waarheid. Hij smeedt alle gelovigen, van alle volken, rassen en culturen over de hele wereld samen tot één lichaam. Allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, lezen we in 1 Korinthe 12 vers 12 en 13

(1 Kor. 12:12-13). Schitterend mooi is dat!

Het is geweldig begonnen

Er is de voorbije 20 eeuwen veel fout gegaan met de gemeente van Jezus Christus. Al vrij snel na de dood van de apostelen verdween het geloof en de glans die de eerste gemeenten zo sierde. En toen in de 3e eeuw de staatsgodsdienst werd ingevoerd, betekende dat het gaan in geestelijk ballingschap. Het volk van God werd verstrooid onder wereldlij­ke en kerkelijke machthebbers en wat het allerergste was. de bood­schap van de apostelen werd niet meer gehoord.

De profeet Joël beschrijft in Joël 1 vers 4 (Joël 01:04) wat er dan met het volk van God gebeurt: “Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft de verslinder afge­vreten; en wat de verslinder had overgelaten, heeft de kaalvreter afge­vreten”.

Zie je het voor je? Wij staan nu bij de resultaten van dat eeuwenlange proces.

Zo heeft de satan met zijn rijk Jeruzalem, het huis Gods, de gemeente verwoest, leeggeroofd en het tot een puinhoop gemaakt. De duivel heeft kans gezien alles wat de gemeente betreft, leiding en gezags­structuren, bedieningen, werking van de gaven van de heilige Geest, zicht op wat de gemeente is en het doel van de gemeente, met een dikke laag religieuze modder te bedekken. Kaal geknaagd, afgevreten, verslonden…

Er is in de loop van de eeuwen een verdeeldheid ontstaan die alle begrip te boven gaat. Duizenden richtin­gen, stromingen, groeperingen, ker­ken, gemeenten… Bij geen enkele andere godsdienst vind men dit zoals juist bij het christendom! Waarom? Omdat de duivel, de grote ‘uiteenwerper’, altijd bezig blijft ver­deeldheid te zaaien. Als we deze verdeeldheid zien dan zeggen we: Daar moet een wonder gebeuren, wil er nog ooit weer een eenheid komen onder het volk van God. Een eenheid als waar de Heer Jezus om gebeden heeft en zoals dat in de dagen van de apostelen geweest is.

De nieuwe tijd

Maar goddank, we leven nu in de tijd dat vele profetieën die spreken van het herstel van de gemeente in het laatst der dagen, in vervulling gaan. Om maar één plaats te noe­men, wat Jesaja zegt in Jesaja 51 vers 3 (Jes. 51:03): “Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang”.

Daar is de Heer mee bezig in deze tijd! Niet alleen de schepping zucht, maar ook velen van Gods volk zijn nog ziek, verdeeld en krachteloos en hebben diepe genezing en oprich­ting nodig.

Belangrijk is om geestelijk opmerk­zaam te zijn zodat we door de heili­ge Geest ervaren dat we midden in deze ontwikkeling leven, zoals Jesaja hier beschrijft.

Wij leven duidelijk in de eindtijd en bewegen ons naar een geweldige nieuwe volheid des tijds, naar de openbaring van de zonen Gods! De landman heeft eeuwen en eeu­wen geduld gehad en gewacht op de volle vrucht van het land, totdat de vroege en de late regen erop geval­len is, schrijft Jakobus 5 vers 7 (Jak. 05:07). Wij mogen het nu beleven dat de late regen valt/gaat vallen en de volle vrucht zich zal gaan openbaren. Daarom is er allerwegen een verlan­gen in de gemeenten om weer te komen tot een structuur als in de begintijd. Dat is niet ouderwets, maar dat is nu de ware vernieuwing om weer terug te keren naar de Bijbelse principes, wat de Heer zelf en Zijn apostelen geleerd hebben. En ik geloof dat de Heer zelf werkt in deze drang naar geestelijke vernieuwing en vrijheid.

Hij werkt immers het willen en het werken in ons, zegt Filippenzen 2 vers 3 (Filip. 02:03). De Willibrord-vertaling heeft: “God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt, om zijn heilsplan te verwe­zenlijken”.

Zo zal er uiteindelijk een gemeente tot stand gaan komen waar de Heer Jezus zo vurig om gebeden heeft: “Opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één.

 

Instrumenten in Gods hand door Gert Jan Doornink

In het leven van elk kind van God gebruikt God mensen die van invloed zijn op de ontwikkeling en groei van ons geloofsleven. Bij mij waren dat onder andere:

Gerrit Ernste, een evangelist uit de Betuwe, die destijds conferenties hield samen met

Woud de Grood en sprak in allerlei samenkomsten. Hij leerde mij vrijmoedigheid. Met hem ben ik in die tijd verschillende keren mee geweest met spreekbeurten en tournees die hij hield in Duitsland.

Johannes Maasbach, een evangelist met grote bewogenheid voor het ver­lorene en bekend werd als tolk van de Amerikaanse evangelist Osborn. Daarnaast bleef hij zakenman, waardoor hij er in slaagde allerlei kerken op te kopen voor een lage prijs die dan als evangelisatiecentra werden ingericht en waardoor velen tot geloof kwamen. Gedurende enige tijd mocht ik met hem samenwerken. Hij stond vaak aan veel kritiek bloot maar ik waardeer behalve zijn bewogenheid ook zijn oprechtheid.

Eli Stanley Jones, een Amerikaanse zendeling-evangelist, die in de eerste helft van de 20e eeuw gedurende vele jaren in India werkzaam was en later in vele landen van de wereld in samenkomsten sprak waardoor velen tot geloof kwamen. Zijn grote liefde voor Christus en de mensen leerde ik destijds kennen door één van zijn boeken. Uiteindelijk ben ik erin geslaagd al zijn in het Nederlands vertaalde boeken te bemachtigen, via een tweedehands boekwinkel in Rotterdam.

Robert Schuller, de Amerikaanse televisiepredikant die velen bereikt met zijn uitzendingen via ‘Hour of Power’. Wat ik van hem mocht leren en opnieuw bevestigd wordt in mijn leven, is dat we onze bekwaamheden, talenten, gaven in dienst van Gods Koninkrijk mogen stellen. Een accent wat naar mijn mening in de Nederlandse evangelieprediking veel te veel op de achtergrond blijft.

Duurt Sikkens, die vele jaren de creatieve en unieke illustraties verzorgde in Levend Geloof, evenals de rubriek ‘Onder de boom’. En voor mij hoe langer hoe meer een echte vriend werd. In onze gesprekken opende hij mij de ogen voor het deelhebben aan Gods volle heerlijkheid, door geheel los te komen uit een star, wettisch denken om te kunnen delen in de echte vrijheid in Christus.

Ik kan natuurlijk nog meer namen noemen, maar laat het hierbij. Ik heb willen aangeven dat we als nieuwe scheppingen in Christus geen individualisten zijn, maar niet kunnen functioneren en ontwikkelen zonder onze medebroeders en zusters.

 

Wees op uw hoede voor de afgoden Door Cees Maliepaard

Het is niet voor niets dat Johannes waarschuwt voor de afgoden, want Satans engelen zijn gericht op de ondergang van de mensheid en op de teloorgang van de relatie tussen God en zijn schepselen.

Waar gaat het om?

Johannes sluit zijn eerste algemene zendbrief af met de woorden: ‘Kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.’ Hij zal zich er wel van bewust zijn geweest, dat het slot van een epistel de lezer vaak het langst bijblijft. Was Johannes’ schrijven dan bedoeld om hen ervan te door­dringen, voortdurend bedacht te zijn op de aanwezigheid van Satans demonische handlangers? Dat is nu juist niet het thema van deze brief en ook niet het item waar Johannes zich bij voorkeur in verdiepte. Natuurlijk was de discipel waar Jezus het meest vertrouwd mee was, zich terdege bewust van de activitei­ten van de duivel, maar dat was niet het onderwerp waar hij zijn gedach­tewereld mee vulde. Johannes, de apostel van de liefde, was veel meer gericht op de aanwezigheid van de Heer en de goede hemelse machten, dan dat hij zijn aandacht verspilde aan de kwade geesten in de hemel­sferen. We mogen aanspraak maken op overwinningsleven. Het is nor­maal dat iemand die Jezus toebe­hoort, de aanvallen uit het rijk van de duisternis leert pareren. Maar het gaat tenslotte om de verheerlijking van de Heer. En Hij wordt grootge­maakt wanneer zijn schepselen gaandeweg gaan beantwoorden aan zijn verwachtingen; anders gezegd: wanneer onze innerlijke mens op de zijne gaat lijken.

Zondeloos leven

Johannes geeft te kennen dat de zonde voor ons iets uit het verleden is. Letterlijk schrijft hij: ‘We weten dat iemand die uit God geboren is, niet zondigt.’ Dat is nogal een uit­spraak! Is dit niet te hoog gegrepen, en betrappen we Johannes hier wel­licht op een behoorlijk ondoordachte conclusie? De gemeente van Christus Jezus bestaat uit allemaal wedergeboren mensen, maar zondi­gen die ook geen van allen? Of ster­ker nog: zit er zelfs maar eentje tus­sen die alle zonden uit het leven gebannen heeft?

Gelukkig hoeft niemand minder­waardigheidsgevoelens te krijgen,^^ want buiten Jezus is er geen mens die naar waarheid kan zeggen nooit iets verkeerds gedaan te hebben. God is enkel goed en Jezus, het getrouwe beeld van de Vader, is eveneens puur goed. Wij zullen in de gezindheid van de Christus ons naar het volkomen goed zijn mogen uitstrekken. In relatie met Jezus zondigen we niet, want Hij leidt ons van heerlijkheid tot heerlijkheid. Dat wil zeggen dat Hij ons leert wat Gods heerlijkheid inhoudt, namelijk het vol zijn van goedheid, goedertie­renheid, barmhartigheid en gerech­tigheid. We maken ons meer en

meer de gedachten van onze enkel goede God eigen, en naar rata daar- djn we vrij van de troep die de tegenstander bij ons naar binnen probeert te blazen. Dat kunnen god­deloze ideeën zijn, maar net zo goed vrome waanvoorstellingen. Wie in de Christus is ingevoegd, is in prin­cipe vrij van de zonde en van religi­euze beïnvloedingen gekomen. Van de nawerkingen die er nog zullen wezen, mag men leren gaandeweg afstand te nemen. En als er nog grote miskleunen zullen plaatsvin­den, is het volbrachte werk van onze Heer altijd ten volle toereikend om er vanaf te komen. Want zondeloos leven is iets wat door Hem binnen bereik is gekomen.

Leven naar Gods wil

Het behoeft geen betoog dat de mens die op Jezus’ aanbod tot red­ding en bevrijding is ingegaan, er alles aan zal doen om aan de ver­wachtingen van de hemelse Vader te gaan voldoen. En wat zal Hij denken dat door ons in de huidige stand van zaken haalbaar is? In elk geval een hart dat op Hem gericht is en dat derhalve bezig is zich aan de beïn­vloeding van de afgoden te ontworstelen. Het is daarbij van belang, te weten dat de hedendaagse afgoden over het algemeen niet in een beel­dendienst te vinden zijn, maar dat ze gestalte aannemen in de beelden waar onze harten mee bezig zijn. Geld is een noodzakelijk kwaad in ons leven, maar wanneer het in mijn hart een dominerende plaats heeft ingenomen, is het mijn afgod geworden. Seksualiteit past in een door God gegeven levensinvulling, maar wanneer ik oversekst ben, heb ik het in een door Hem niet zo bedoeld afgodisch kader geplaatst. Je kunt tegen bepaalde mensen wel­licht terecht opzien. Bij de één zal dat zijn vanwege de geestelijke instelling van de betrokken persoon, bij de ander vanwege bepaalde natuurlijke kwaliteiten. Daar hoeft op zichzelf niets mis mee te zijn, maar als ik zo iemand dusdanig op mijn gedachtetroon zet dat de Heer erdoor in de schaduw dreigt te gera­ken, dan heb ik hem of haar tot mijn idool gemaakt. Hetzelfde valt te zeggen van hoe je met sportfiguren bezig kunt zijn. Ik heb echt wel bewondering voor hoe sommigen zich inzetten voor hun team, zelfs als ze niet bijster in vorm zijn. En je kunt er van leren dat je in de gemeente ook niet altijd in topvorm hoef te wezen om iets in het midden te leggen of om voor een ander te bidden. Maar het zou abso­luut een foute zaak zijn als ik sport­mensen in m’n hart als sportidolen zou gaan koesteren. Wie wijs bezig is, zal zeker op z’n hoede zijn voor de afgoden, maar minstens in dezelfde mate met waar het eigen hart zich op richt. Geef ze geen voet: de afgoden van de wereld niet, maar net zo min de reli-idolen. God is een enig God; er zal nimmer een tweede bijkomen. Alleen zijn Zoon Jezus heeft Hij als koning/priester en als herder over ons aangesteld. Hem zullen we aanbidden, omdat Hij als de Christus de enige brug naar de Vader is. We doen er dus goed aan, de raad van Johannes op te volgen. We zul­len ons hoeden voor de afgoden. En we richten ons met een wijd geo­pend hart op de door onze hemelse Vader aangestelde koning/priester. En we betonen de eeuwige God in aanbidding onze wederliefde. Hoe? Vooral door te zijn zoals Hij ons zich gedacht heeft.

 

Gods ’toorndoor Tea Keuper

Als we er vanuit gaan dat God enkel goed is en goed doende, dan moe­ten wij erkennen, dat Hij het kwade, wat in velerlei vorm bestaat in deze wereld, niet bewerkt of uitvoert! In de Romeinenbrief beschrijft Paulus onder meer dat God kwaad en onrecht veroordeelt, verwerpt. Alle mensen hebben gezondigd en mis­ten hierdoor het doel, wat God met de schepping, die Hij volmaakt geschapen had, voor ogen had en nog heeft! Ook in de engelenwereld kwam de grootste zonde voor, hoog­moed, waardoor ongehoorzaamheid aan de Schepper. Satan werd uit de hemel verbannen naar de aarde, waar hij de tegenstander en verlei­der bij uitstek is geworden van God, de Vader van Jezus Christus. Goed en kwaad kunnen niet met elkaar verenigd worden. God gaf aan de mensheid de keuze: Kiezen voor Hem, die enkel het goede bewerkt of kiezen voor zijn tegenstander, satan, de bewerker van alle kwaad. Maar God kon zijn wezenskenmer­ken, zijn liefde, trouw, rechtvaardig­heid en barmhartigheid niet verloo­chenen. Hij is de verpersoonlijking hiervan! Ik las in de nieuwe Van Dale dat voor ’toorn’ aan het einde van een heleboel menselijke toorn, als twee­de betekenis staat vermeldt: verdriet, leed. Dit is naar mijn mening Goddelijk! Als iemand een verkeerde keuze maakt en van de weg, die God hem of haar wijst, afwijkt, dan kan God met zo’n mens geen gemeen­schap hebben, Hij kan er zijn goed­heid niet aan kwijt! Hij heeft zich overgegeven aan de verleider, satan, die hem in de duisternis leidt met alle gevolgen van dien.

De verloren zoon

Een prachtig voorbeeld staat er in de bijbel. Het verhaal wat Jezus zelf heeft verteld, wat me eens enorm heeft ontroerd, toen ik het voor kin­deren vertelde met vingerpopjes! Het verhaal van de verloren zoon uit Lucas 15 vers 11 tot en met 32 (Luc. 15:11-32). Jezus toonde hier duidelijk mee aan, dat de Vader leed en medelijden met de zoon had, die de verkeerde weg opging! Hij liet hem wel gaan… maar zag uit naar zijn terugkeer! En hij kwam terug en beleed zijn zonden! Wat was die Vader toen blij! Hij gaf een groot feest en omhelsde de verlopen bedelaar. Hij was genadig en is dit nog! De andere zoon, die volgens de wet zijn vader gehoorzaamde maar niet blij was maar jaloers, werd liefdevol voorgehouden toch ook blij te zijn over het behoud van zijn broer! Men zegt dan vaak: “Ja, dat was de verlo­ren zoon”. Maar de Vader heeft een andere houding: Hij probeert ook die zoon in de lichtkring te trekken van zijn Koninkrijk! Ik ben zo dank­baar voor dit verhaal van Jezus. Hij bracht een volmaakte boodschap, als Zoon, als afdruk van Gods Wezen! Wat wil Jezus zijn volgelingen hier­mee leren? Dat wij zo worden als Hij en zijn Vader en mensen hiervan vertellen en… voorleven. Dat kunnen wij alleen, als Jezus in ons woont door zijn Heilige Geest, die op de weg van het Leven leidt!

Voor wie kiezen wij?

Wij hebben maar één tegenstander,

verwekker van elk soort van kwaad.

Hij zet de één op tegen d’ ander,

hij steelt, verderft, hij moordt en haat!

 

Wij hebben ook één God en Vader,

Die ’t goede wil en het bewaart.

Die hoorder inspireert tot dader,

Die vrede wil in plaats van ’t zwaard.

 

Gods toorn is, dat Hij lijdend loslaat,

wie kiest voor eigen wil en weg,

de tegenstander tegemoet gaat,

die hem misleidt naar heg en steg!

 

God is rechtvaardig en vol liefde,

de weg naar Hem is vrijgemaakt!

Hoezeer zijn scheps’len Hem ook grief­den,

Hij is het, die zijn Woord bewaakt!

 

Gaande op de weg, die Jezus baande,

vernieuwd in denken door zijn Geest

blijven zijn kind’ren met Hem staande,

wordt ’t weer zoals ’t eens is geweest!

 

Psalmvers door Froukje Huis

‘Zo! Heb je een 10 op je rapport?’ Wat was je trots als er een tien op je rapport prijkte. Het was dan wel voor een vak dat eigenlijk niet op de cijferlijst stond maar er door de ‘juf’ was bijgeschreven, maar ’t was en bleef een tien! Psalmversje 10. Immers toen we goed konden lezen, moesten we elke week een psalm- of gezangvers leren, ’t Werd altijd over­hoord en als ’t goed ging kreeg je een 10. ’t Kostte wel eens hoofdbre­kens voor onze jonge hersentjes maar we stampten het erin net als al de moeilijke plaatsnamen die we op een rijtje uit ons hoofd leerden: Bern, Neuchatel, Le Locle. La Chaud de Fonds enz.

Zondags was het: ‘Ken je je versje al?’ O wee als je het vergeten had, dan bleef er maar een paar uur over om het in je hoofd te krijgen.

‘Ik lag gekneld in banden van de dood, daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen!’ of:

’s Heren goedheid kent geen palen, God is recht dus zal Hij door…’

Ik begreep niet, dat het na ‘door’ ver­der ging op de volgende regel. Je zag de samenhang niet en van verschillende woorden had je zelfs nooit gehoord! Ik kan me niet herin­neren dat er iets werd uitgelegd, je kreeg het op en dus leerde je het. ’t Was altijd een verassing als er op een zondag in de kerk een lied werd opgegeven dat jij kende! Dan kon je zonder boekje uit volle borst mee­zingen ook al begreep je niet alles wat je zong.

Zelfs als volwassene besefte je nau­welijks wat voor getuigenis je eigen­lijk gaf, zoals:

‘De Heer is mij tot hulp en sterkte,

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.

Hij was het die mijn heil bewerkte,

dies (?!) loof ik Hem mijn leven lang’.

Maar nu ben ik tot de conclusie gekomen dat het een voorrecht is, deze liederen te hebben geleerd. Hoezeer ze tot steun kunnen zijn voor je geloof en hoe de heilige Geest deze kennis ons op het juiste moment kan te binnen brengen om anderen te ondersteunen.

Jaren geleden waren Dick en ik op bezoek bij een tante van in de negentig. Ze leefde helemaal in het verleden, zocht om haar ouders en begreep niet waar wij het over had­den. Tot… Dick de bijbel pakte. ‘Tante zal ik u wat voorlezen?’ Ja dat was prima. Hij begon: ‘De Here is mijn…’

Hier viel ze hem in de rede: ‘…Herder, mij ontbreekt niets…’ En met een lief gezicht en een blij hart, kon ze de hele psalm opzeggen. Zullen we nu bidden, tante?’ Ze vouwde haar handen en in een vurig gebed loofde en prees ze de Heer voor zijn goedheid aan haar betoond, dankte Hem voor ons bezoek en voor de blijdschap, die ze had ontvangen.

Het was een heerlijk bezoek, zowel voor haar als voor ons. Als het Woord eenmaal vast in ons hart verankerd is, blijft het daar, ook als het verstand er geen weg meer mee weet. Maar de geest die op God gericht is zal, onder leiding van de heilige Geest, putten uit de voorraad die we hebben aangelegd. Wij hebben volop gelegenheid om er mee bezig te zijn. Laten we onze tijd goed benutten, want het Woord geneest, bouwt op, geeft kracht en weerwoord als we worden aangeval­len. Immers Jezus is het Woord ten voeten uit. Lees wat het Woord over Hem schrijft en datzelfde doet Het ook voor u!

 

Ootmoed door Duurt Sikkens

Het woord ‘ootmoed’ komt niet zo heel vaak voor in de bijbel, maar wel altijd cruciaal in verband met de verhou­ding tot God en Zijn woord. En met ‘woord’ bedoel ik in de eerste plaats Jezus zelf, want dat is zijn eigenlijke naam, hij is Gods woord. Wanneer hij voor het eerst voorleest in de synagoge citeert hij Jesaja met de woorden: “Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen”.

Ootmoedigen worden ook wel ‘nederigen’ genoemd, maar je moet oppassen dat het niet een stempel meekrijgt van onderdanige slaafsheid. Waar het wèl om gaat is eigenlijk: een gemakkelijke instelling, een geestesgesteld­heid waarin je ontvankelijk bent voor genade, de goede gezindheid van God. Zijn zachtmoedigheid en vriende­lijkheid kunnen zo ingang vinden in je geest en aansluiten bij jouw zachtmoedigheid, daarmee één worden. Zelf zegt Jezus: “Zachtmoedigheid en nederigheid kun je van mij leren”. En Salomo concludeert: “Wijsheid is bij de ootmoedigen”.

Het evangelie is voor de nederigen en de vernederden.

Veel christenen zijn verdrietig en teleurgesteld, soms verbitterd of verhard door allerlei nare ervaringen, vaak doordat het evangelie van het koninkrijk der hemelen nogal ‘geweldig’ en ‘heldhaftig’ en ‘machtig’ en ‘succes­vol’ moest zijn en vul de Nimrodiaanse superlatieven maar in… Alles kon, als je maar geloofde, enz. Zou het kunnen zijn dat het een verkeerde interpretatie is? Nou, ik weet het wel zeker, want daarin pasten immers geen begrippen als zachtmoedigheid, bescheidenheid, stilheid en onopvallendheid; laat staan de men­sen die zo waren. Maar nu langzamerhand Gods vriendelijk aangezicht wat duidelijker zichtbaar begint te wor­den, wordt ook Zijn beeld, Zijn mens, duidelijker. Zijn helderste beeld was Jezus en deze predikte de omgekeer­de wereld, een ‘Umwertung aller Werte’: hoog en laag, eerste en laatste werd bij hem omgedraaid. Hij was en is zo inhorent aan zijn Vader en was zelf zó ootmoedig dat God alles(!) aan hem kon overgeven èn aan degenen die dezelfde geestesgesteldheid bezitten: Ontvankelijk voor Gods liefde. Want God is Liefde, licht, alleen maar. Al Zijn eigenschappen komen daaruit voort. Daarin past geen heerschappij als in de wereld. In ootmoedigen vindt het zaad van Zijn evangelie goede aarde. Zij beantwoorden daarmee Zijn vraag: “Heb je me lief?” Het is daarom zo mooi om, zolang het kan, bezig te zijn en juist in binnen- en buitenland het Godsbeeld te ver­tellen dat zo anders is dan we zolang hebben gedacht. Religie maakt slaven, deze móéten altijd wat doen ‘voor hun heer’, maar ze kennen de Vader niet zoals Hij is.

Jezus bracht eerst het evangelie aan degenen die geloofden Gods volk te zijn. Dat bracht een scheiding der gees­ten teweeg. Het was ook een hele verschuiving in het denken. Het gevolg was dat er een scheiding kwam tussen ootmoedigen en hoogmoedigen.

Wij willen op dezelfde wijze bezig zijn: Gods naam, Zijn mildheid, rust en tederheid bekend maken aan onze broeders en zusters, zonder enige vorm van pressie. En wie er oren voor heeft, die hoort het wel. Dat zijn de ‘stillen’ in het land, de bescheidenen, en ze zitten overal. Ze kunnen gaan wandelen in onschuld en rust met hun Vader en de Zoon. En wat is mooier dan geliefden te zijn?

Dan worden vanzelf heel veel vragen beantwoord. Heel veel hoeven niet eens gesteld te worden. David (Psalm 27) had er maar eentje: “Gods lieflijkheid zien en bezig te zijn met de schatten van Zijn tempel”, de schatten van het koninkrijk van God in de ootmoedigen.

Laten we bidden dat zó Zijn koninkrijk tevoorschijn wordt bemind in elkaar en dat we deze kostbare geheimenis­sen zorgvuldig bewaren.

 

Einde van Levend Geloof

Levend Geloof – 438

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

“Wie lof offert, eert Mij en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien”. Een bekende opmerking van Asaf in Psalm 50. Er is zelfs een koortje van gemaakt, dat in de samenkomsten wordt gezongen en vaak verschillende keren wordt herhaald, ’t Gevaar bestaat dan dat we aan de betekenis van de woorden voor­bijgaan, terwijl het juist zo belangrijk is dat we acht geven op deze woorden. Bovendien moeten we niet denken dat ‘lof offeren’ alleen betekent dat we dat in gezongen vorm moeten doen. Ook als we bidden, hetzij individueel of geza­menlijk, is dat een vorm van lof offeren en zelfs als we alleen al onze gedachten op God richten.

Door ‘lofofferen’, op welke wijze ook, eren we Hem en ’t gevolg is dat we daar­door de weg vrijmaken (in de geestelijke wereld waar de tegenstander dat pro­beert tegen te houden) voor het heil wat God ons wil geven. Dat ‘heil’ is ‘het goede, welgevallige en volkomene’, want we hebben een goede God die altijd het beste met ons voor heeft. We zijn immers Zijn scheppingen? En willen we een volledig beeld van Hem, dan hebben we Zijn Zoon als grote” voorbeeld. Hij is immers, zoals in de Hebreeënbrief wordt opgemerkt, ‘de afstr­aling van Zijn heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen’? Hoe meer we Hem volgen, hoe meer we op Hem gaan lijken en hoe meer we ook in staat zijn goede werken te doen die Hij van ons vraagt. Daarbij mogen we ons op creatieve wijze ontwikkelen, zodat alles wat Hij in ons heeft gelegd, er ook helemaal uit gaat komen.

Over deze en andere facetten van ons geloofsleven wordt ook in dit voorlaatste nummer weer geschreven. Lees het, denk er over na, breng eventueel correc­ties aan in je geloofsleven en bedenk dat alles waarover geschreven wordt dient om ons geloof te stimuleren zodat het op positieve wijze geopenbaard wordt.

 

Bij de voorplaat door redactie

Deze keer als tekening: “Paulus ver­antwoording voor koning Agrippa”. De apostel kwam door zijn radicale prediking van het evangelie verschei­dene malen in conflict met de toen­malige machthebbers. Lees wat hij allemaal moest ondergaan in 2 Korinthe 11 vers 23 tot en met 28 (2 Kor. 11:23-28). Maar hij wist stand te houden omdat hij zich vast hield aan de woorden van Jezus: “In de wereld lijdt gij ver­drukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” Johannes 16 vers 33 (Joh. 16:33).

 

Belangrijke mededeling! Door Gert Jan Doornink

Dit is het voorlaatste nummer van Levend Geloof.

Na deze september/oktoberuitgave verschijnt er over de maanden november en december nog één nummer. Dat is dan definitief het laatste nummer wat ervan ons blad uitkomt. In de brief die u bij dit nummer aantreft heb ik uiteengezet waarom ik deze belangrijke beslissing heb geno­men.

Het zal ongetwijfeld even wennen zijn dat ons magazine niet meer verschijnt, want veel van onze lezers en lezeressen keken altijd om de twee maanden met verlan­gen uit naar het nieuwe nummer.

Maar de tijd staat niet stil, de ont­wikkelingen gaan op alle tereinen van het leven door, zeker ook op het terrein van alles wat er gepu­bliceerd wordt. De beslissing om te stoppen met de uitgave van ons magazine mag daarom niet gezien worden als een dramatisch besluit. In het volgende en laatste nummer zal ik daar nog meer aandacht aan besteden,

Er worden dus de komende maand geen acceptgiro’s verzonden voor betaling van het abonnementsgeld voor het komende jaar. Alle abon­nementen komen per 1 januari 2006 automatisch te vervallen.

Wel blijven giften voor de arbeid welkom, waarvoor de rekening­nummers zoals vermeld in de colofon op blz. 2, gebruikt kunnen worden. De ‘Stichting Levend Geloof’ blijft namelijk bestaan en het werk gaat, zij het op andere wijze, door. Zo verschijnt er volgend jaar een eigen website onder de naam.www.levendgeloof.nl. Zoals ik In de bijgesloten brief al heb aangegeven. Deze site is helaas niet meer beschikbaar.

(Wel bestaat er sinds kort (2023 augustus) een eigen website onder de naam: levendgeloof@ruurdvisser.nl toevoeging door Ruurd Visser)

 

Verwarring of duidelijkheid? Door Gert Jan Doornink

 

We leven in een tumultueuze tijd. Nu zijn we ons bewust dat dit door alle eeuwen heen al gezegd is door de mensen die toen leefden en meenden dat hun tijd de meest bij­zondere uit de menselijke geschiede­nis was. De mensheid als geheel is niet veranderd en heeft nog steeds met goed en slecht te maken, met waarheid en leugen, met licht en duisternis. En door alle eeuwen heen is het voor de mens mogelijk te kiezen voor het goede, voor de waarheid, voor het licht en het nega­tieve een halt toe te roepen. Door de komst van Jezus en de uit­storting van de heilige Geest is de mogelijkheid om voor het positieve, vertegenwoordigd door de levende God, zelfs duidelijker geworden, al zal de mens ook nu zelf moeten kie­zen. Iedereen heeft een ‘vrije wil’ in zich en als hij de goede keuze niet maakt -en dat tekens opnieuw doet- sluit hij zich niet af voor de vorst der duisternis die al het negatieve in deze wereld vertegenwoordigd.

Kiezen én groeien

Velen hebben gekozen voor ‘het licht’, Jezus Christus, de Zoon van de levende God, maar wat gebeurt er verder? Juist de groei, die wij in het natuurlijke leven zo vanzelfsprekend vinden, behoort er ook in geestelijk opzicht te zijn. Blijft die achterwege dan zijn we een gemakkelijke prooi voor de vijand, ook al noemen we ons christen of kind van God. Het is dit punt waar bij velen de schoen wringt. Gebrek aan geestelij­ke groei is de grote vijand van het doorbreken en zichtbaar worden van ons christen-zijn en dus ook van de werkelijke gemeente van Jezus Christus. Zij is de bron en veroorzaakt bij velen verwarring waardoor ” men door de bomen het bos niet meer ziet. Men wordt geconfron­teerd met veelal tegenstrijdige meningen en uiteindelijk gaat men zich er bij neerleggen met de gedachte: ‘Dat zal toch wel nooit ver­anderen. Ik ben weliswaar christen, maar ik leef vrijwel net zo als ieder ander en later, op mijn sterfbed, is er altijd nog de mogelijkheid om het in orde te maken, zodat ik niet ‘ver­loren ga’, maar de eeuwigheid cq. de hemel binnenkom…’ Men ziet over het hoofd dat men het doel wat God met ieder mens heeft: tot geloof komen en dan door het  geloof leven, heeft gemist. Een groot manco waardoor juist veel van de blijdschap, zekerheid en inspiratie die het nieuwe leven met zich mee­brengt, verloren gaat.

Verandering mogelijk

Hoe kan hierin verandering komen? Door te gaan ontdekken hoe Jezus, Gods Zoon, Zijn volle heerlijkheid tot openbaring heeft gebracht en hoe wij kunnen delen in die heerlijk­heid. Gods Geest wil ons daarbij hel­pen en het eerste wat ons daarbij getoond wordt is dat geestelijke groei onontbeerlijk is! Loskomen uit een star, dogmatisch denken en in de volle vrijheid van Christus gaan leven is zo iets gewel­digs dat het met geen pen te beschrijven is. Dat is het werkelijk nieuwe leven dat God zo graag wil dat wij gaan ontdekken en beleven! Dan gaan we de Goddelijke natuur (onze oorspronkelijke natuur) open­baren die ook in Jezus was, in het gewone leven van elke dag. De eerste christenen hadden deze geweldige ontdekking gedaan en beleefden dit nieuwe leven in al zijn facetten En het geweldige was dat het uitwerking had ook in de levens van vele anderen. De eerste christen­gemeenten groeiden en bloeiden. Zij die :tot geloof gekomen waren, werden niet opgezadeld met allerlei logische spitsvondigheden, maar hadden gehoor gegeven aan de oproep van bijvoorbeeld Paulus die sprak over de ‘eenvoudige en loutere toewijding aan Christus’. Bij hen was verwarring taboe omdat zij op duidelijke wijze hadden verstaan en gingen beleven waarom het werke­lijk ging. Natuurlijk probeerde de duivel roet in het eten te gooien, zoals hij ook nu alles op alles zet om de werkelijke gelovigen van het echte geloof af te brengen en verwar­ring er voor in de plaats te geven. Maar door Gods heilige Geest wor­den wij opgeroepen en in staat gesteld hem te weerstaan. Jezus is daarbij ons grote voorbeeld. Van de verwarring in onze tijd kunnen wij vele voorbeelden aanhalen. We laten dit echter achterwege om de duivel niet nog meer eer te geven dan hij probeert te bemachtigen.

Duidelijkheid

De werkelijke gelovigen van deze tijd kiezen voor duidelijkheid: het evangelie zoals Jezus en de eerste apostelen dat brachten, het evangelie van het Koninkrijk Gods. Geen sur­rogaat, geen onduidelijkheid, geen verwarring, maar het pure, het echte! Geen evangelie dat alleen maar in naam een ‘evangelie’ is maar het in werkelijkheid niet is. Jezus sprak: “Dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken…” Het werkelijke evangelie van Jezus Christus geeft ons houvast en zeker­heid in het leven van elke dag. Het maakt het ons mogelijk te leven zoals Jezus en de eerste christenen leefden. En ook als de omstandighe­den niet gemakkelijk zijn, kunnen wij standhouden en overwinnen. Het is belangrijk dat wij ons in deze tijd door niets en niemand laten afremmen om voor dit evangelie te kiezen en het te gaan beleven. Dat is een proces, een dagelijkse ontwikke­ling die ons meer en meer alles wat Gods Koninkrijk in zich heeft doet beleven. En hoe meer onze geest daarbij een eenheid gaat vormen met Gods Geest, hoe meer wij ook deelgenoten worden van de volle heerlijkheid van God.

 

Goddelijke wijsheid door Cees Maliepaard

 “De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen” Uit 1 Korinthe 1 vers 18 tot en met 1 Korinthe 2 vers 5 (1 Kor. 01:18 – 1 Kor. 02:05 – NBV).

Gods dwaasheid en zwakte

Als er iets dom overkomt voor natuurlijke oren, is het wel de bijbel­se boodschap over Jezus. Daarin gaat het immers over een koning aan wie alle macht in de hemel en op de aarde gegeven is, maar die even zo goed roemloos sterft aan een kruis. Voor de joden is het aan­stootgevend dat de door God beloof­de Messias uitgerekend aan het vloekhout sterft. De Messias zou immers komen om Israëls natuurlij­ke vijanden het beloofde land uit te jagen? Nou, dat lukt nooit met een dode Jezus – wat een irritant evange­lie!

Voor de joden is het niet alleen aan­stootgevend, maar ook ergerniswek­kend… het geeft hun nationale trots een enorme knauw. Die door de Romeinen gekruisigde timmer­manszoon zou de langverwachte Messias zijn? De discipelen van Jezus moeten het niet gekker maken zeg! En de heidenen vinden het te gek voor woorden: een dode joodse rabbi de redder van de wereld? Wat een bespottelijke dwaasheid! Hartstikke stom… wie dood is, is dood, dat mag duidelijk wezen. Zoek dus maar liever iemand onder de levenden om een betere wereld te krijgen, want wie weet – al lijkt het Romeinse Rijk nog zo onoverwinne­lijk – misschien boek je nog wel resultaten ook!

Ongeveer zo zullen de joden en de heidenen gedacht hebben. Op grond van bijbelse waarnemingen kun je wel tot die conclusie komen. Maar het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. Maar hoe zit dat eigenlijk: heeft God dan ook dwaze momenten? Dat kan toch niet, want alle wijsheid komt bij Hem vandaan. En heeft God trou­wens wel zwakke kanten? Net zo min toch! Hij heeft immers alle macht in de hemel en op de aarde – anders zou Hij die niet aan Jezus hebben kunnen geven. Toch staat dat er: over het zwakke en dwaze van God. En het zijn beslist geen foutieve vertalingen! Heeft Festus, de Romeinse stadhouder (of procurator), dan misschien gelijk gehad met zijn opmerking dat Paulus’ grote wijsheid hem wellicht naar de bol gestegen is? Is dat de verklaring van Paulus’ mening dat God ook zwakke kanten en dwaze invallen kan hebben? Nou, het is veel simpeler! Wat Paulus ons hier­mee duidelijk wil maken, is: wat de mensen zwak van God vinden, dat is sterker dan zij zelf kunnen opbren­gen. en wat zij als dwaas van God ervaren, dat is wijzer dan zij zelf zijn.

Méér tussen hemel en aarde

Als je uit Gods liefde gaat leven, word je door sommigen al gauw voor een watje versleten, want je bent niet bezig uit puur eigenbe­lang. Je blaast niet hoog van de toren en je zet geen hoge borst op, maar je hebt wel de kracht van God in je…

en die wijkt nimmermeer. Je mag overwinningsleven hebben over alle machten die je proberen eronder te krijgen.

Maar als je de dwaasheid van het evangelie voor waar aanneemt, kun je hen die in de wereld de wijsheid in pacht menen te hebben, zómaar over je heen krijgen. Want in deze tijd heeft bij weldenkende mensen, God als persoon toch zeker afge­daan! Het is wel ‘in’ te geloven dat er ‘iets’ is, en ook dat er méér is tus­sen hemel en aarde… maar noem dat nou geen God! Zo iets zou op een persoon moeten slaan, en dat is gewoon belachelijk. Al met al is het in de wereld nog nooit zo’n puinhoop geweest als nu. ‘t Leven lijkt wel hoe langer hoe meer gedemoniseerd te geraken. Dat zie je in het klein in toenemende onverdraagzaamheid, en in de kleine criminaliteit. In het groot kun je dat in terrorisme opmerken en in de ongenaakbare houding van sommige regeringen, zich al dan niet democratisch noemende. Maar we doen er verstandig aan, niet mee te doen met wereldse trends en wijsheden, want God heeft de wijsheid van de wereld voor dwaas verklaard en ons als perspec­tief zijn wijsheid gegeven. Door de dwaasheid van de gekruisigde Christus is bevrijding, vernieuwing en herstel binnen bereik gekomen. Wereldse wijsheid hoeft per definitie niet verkeerd te zijn. maar ze is ontoereikend om volkomen goede mensen en volmaakte omstandighe­den te creëren. Het blijft op z’n best steken in goed bedoelde pogingen om het geheel naar een aanvaard­baar niveau op te krikken.

We zijn niet wereldvreemd!

Kunnen we ons dan niet inlaten met natuurlijke verbeteringen? Waarom zou dat niet kunnen? Als we ze maar nooit te hoog inschatten, want natuurlijke zaken hebben nu een­maal geen eeuwigheidswaarde; ze komen voort uit onvolmaakt men­senwerk… en dat schiet nou een­maal niet op! Maar God heeft oog voor alle aspecten van het leven; Hij laat niemand scheefgroeien. Het complete heilsplan mag gaandeweg in elk mens openbaar komen. Dat lukt alleen op basis van wat de clou is van de dwaasheid van het kruis: onze roeping, onze van God gegeven en door de wereld als dwaas ervaren roeping tot hemels perspectief. Er zijn echt wel wijze mensen in de wereld, mensen die verstandig leven en goed omgaan met natuurlijke problemen. Je komt ook heel sterke lieden tegen, krachtpatsers met een robuust lichaam of een sterke geest. Maar de Here God heeft hén niet geselecteerd voor de lichaamsleden van de Christus – althans niet op grond van hun natuurlijke kwalitei­ten.

God schrijft evenwel verstandige en sterke mensen niet af voor zijn koninkrijk; natuurlijk niet! Net zomin als mensen met veel natuur­lijke kracht of wijsheid een streepje vóór zouden hebben, net zomin staan natuurlijke bekwaamheden op zich, een relatie met de Heer in de weg. God kiest niemand uit vanwege vermeende wijsheid of geesteskracht – dat zijn geen vereisten en ook geen verdiensten, want God schenkt ze de mens, het is voor ons pure genade. Maar reeds aanwezige natuurlijke pluspunten zijn ook geen reden voor een afwijzing. Ze hoeven niet in de weg te zitten, als ze maar onderge­schikt zijn gemaakt aan de bood­schap van Christus Jezus. Nicodemus werd écht niet afgewe­zen, ondanks dat hij een ontwikkeld mens was; Paulus trouwens ook niet. En Jozef van Arimathea werd al evenmin op een zijspoor gezet, ook al was hij schatrijk. God is niet bevooroordeeld tegen mensen met macht, invloed of kennis. Maar wie zich door zulk soort zaken laat lei­den, werpt wel zélf een barrière op tegen Gods aanvaarding.

Want als iemands hart daarnaar uit­gaat, staat het niet echt open voor wat de Heer samen met hem of haar wil bewerken: het goede, het welge­vallige en dat wat volkomen is. Dan wordt er blijkbaar liever doorgegaan met het krakkemikkige dat de duivel van de natuurlijke schepping pro­beert te maken… alle eeuwen door al, vanaf zijn eerste poging daartoe in de hof van Eden.

De kracht van het kruis

Maar Paulus besluit geen andere kennis in Korinte te brengen dan die over Jezus Christus, de gekruisigde. Hij probeert hen niet met menselij­ke wijsheid te overtuigen, hoewel hij op dat gebied heel wat in z’n mars heeft. Paulus weet dat de kracht van de boodschap niet gevonden wordt in kennisoverdracht, maar puur in de kracht van Gods Geest. Geloof op basis van wereldse wijs­heid stijgt niet uit boven het peil van religie bedrijven. Dat kan gepaard gaan met indrukwekkende manifes­taties, of met allerlei ceremonieel gedoe – maar daar raakt God niet van onder de indruk. Zijn ego wordt er óók niet door gestreeld, want de Eeuwige is altijd volkomen zichzelf. We hebben de Here God dus niets van wezenlijke waarde aan te bie­den, buiten wat Hij ons door zijn Geest zélf heeft toevertrouwd. Geven we dan de Schepper, wat wel genoemd wordt ‘een sigaar uit eigen doos’? Nee, want zijn Geest heeft zich verbonden met de onze; er komt dus een gezamenlijk product tevoorschijn. Daar geniet de Vader van hoor! Want het is de aanzet tot hersteld menselijk leven, overeen­komstig zijn blauwdruk. Paulus schrijft dat hij niet met ver­toon van kracht in Korinte gekomen is. Hij was bij zijn komst in de gemeente niet erg zeker van zich­zelf. Hij had zich zelfs zwak gevoeld, en zijn optreden werd beheerst door angst. Dat speelde zich allemaal af bij zijn bediening in de gemeente Korinte.

Had Paulus dan geen machtige boodschap? Jazeker, maar die open­baart zich niet in menselijke kracht of wijsheid. Daar was Paulus in zijn farizeese verleden al meer dan genoeg van uitgegaan. De bood­schap die hij nu in Korinte verkon­digde, bewees zich door de werking van Gods Geest. We doen er verstan­dig aan, het vandaag de dag óók daarin te zoeken. Je mag je best wel eens zwak voelen, dat doet aan de kracht van Gods Geest niets af. Ook dat is een stukje dwaasheid in de ogen van de mensen, want om verder te kunnen met je leven, moet je volgens velen toch wel ‘scoren’. Maar dat hoeft niet hoor, want Jezus heeft al voor ons gescoord, en wel door puur uit de Geest te leven. Overwinningsleven krijgt een mens door Jezus te volgen, en dus even­eens naar de inwonende Geest te luisteren. Voor de wereld is dat dwaas, want de ervaring heeft vele geleerd toch echt de eigen boontjes te moeten doppen. En dat is in zeker opzicht wel waar, maar dat mag je doen in de kracht en de wijsheid die God geeft.

Vernieuwing van leven

De dwaasheid van de boodschap van het kruis geeft een discipel de beschikking over op maat gesneden hemelse wijsheid. Het is dus zinvol, met alle mankementen en ongerech­tigheden naar de Heer te gaan. Bij Hem is verlossing, bevrijding en herstel. Bij Hem kan een mens ook autoriteit krijgen over alles wat uit de geestelijke wereld ontregelend werkt en een verwerpelijk denken propageert. Het past in de dwaas­heid van de kruisiging, in de bood­schap van het kruis waaraan Jezus zijn leven gaf voor ons allemaal… wereldwijd! Opdat ieder die het gelooft, vernieuwing van leven zal verwerven.

We denken dankbaar terug aan wat Hij voor de wereld volbracht heeft op de kruisheuvel, op de Calvarie, op Golgotha. Maar dat is één kant van het verhaal. Iets anders is dat Hij hierdoor de oudtestamentische Messiasverwachting in nieuwtesta­mentisch perspectief geplaatst heeft. Het wereldwijde lichaam van Christus kon gestalte gaan krijgen want door Jezus’ kruisdood en opstanding werd Pinksteren moge­lijk. Dat geeft heel zuiver de verhou­ding van dwaasheid en wijsheid in de prediking aan. Want via de dwaasheid van het kruis, is Gods wijsheid openbaar gekomen… name­lijk in de vorm van de lichaamsleden van Christus, allen gezalfd met Gods Geest, ontelbaar in aantal, meer dan de zandkorrels aan het strand. Wat een féést beleven we eigenlijk hè, onvoorstelbaar toch! Nou, dat feest mogen we elke dag vieren, heel simpel in het contact met de Heer… en met elkaar.

 

Onder de boom door Duurt Sikkens

Onder ons is zoveel zielsverdriet, zoveel innerlijke pijn, die nooit genoemd, benoemd is. Het lijden daaraan wordt vaak niet uitgesproken maar in stilte gedragen. Soms dingen van vroeger, heel vroeger. De jaren gleden voorhij, maar de tijd heelde de wonden niet. En iedereen kan zich deze dingen herinne­ren, maar zolang het pijn blijft doen is het niet genezen.

Het vergt soms nogal wat moed om die pijn te benoemen, omdat je eerst ergens doorheen moet. Het kan verborgen zit­ten onder schuld- en schaamtegevoe­lens, al of niet gekoppeld aan wat ande­ren ervan ‘vinden’. Je kunt het ook ont­kennen en net doen alsof het er niet is. Dit wordt dan vaak toegedekt onder de korst van allerlei activiteiten en bedrijvigheil. Dat kost veel energie, maar het lost niks op. Het verdrietige is je zoveel voor anderen doet datje niet meer aan jezelf toekomt, laat staan dat je voor anderen bereikbaar bent om je te laten helpen. Je kan zo beheerst worden door een zogenaamd overwinningsleven (wat dat ook moge zijn) dat je jezelf daarin verliest en schade oploopt in je ziel. En die ‘ziel’, dat benjij- Ik dacht dat er staat geschreven dat de treurenden getroost zullen worden’, niet de helden. Er is ook veel pijn onder verlies. Je kan zoveel verloren hebben en dan bedoel ik niet alleen geliefden, maar ook dingen van jezelf  wanneer je je een leiboom voelt ben je voor het grootste deel beknot in je persoonlijkheid. Je kan ook het geloof in mensen verloren hebben, zelfs geloof in God omdat de teleurstellingen diepe wonden hebben gedogen in je levensverwachtingen, zo diep, dat het leven eruit wegvloeit. En wat moetje dan? Verbitteren? Uitgedoofd raken? Het opgeven en uit­stellen naar ‘later’? Onder je boosheid kunnen zoveel tranen zitten. Je kunt geïsoleerd raken of, nog erger, ver­vreemd raken van jezelf Sommigen willen in één klap van hun pijn af, anderen lopen er omheen of doen net alsof ze alles onder controle hebben, maar altijd blijft er die onuitgesproken pijn, dat verstopte (!) verdriet. Geestelijk kun je misschien de dingen ‘op een rijtje’ hebben en de beginselen keurig hebben gesorteerd in de daartoe bestemde hokjes, maar hoe is het nou met jezelf? En ben je toegankelijk of ontoegankelijk? Ben je bereikbaar? Wat zou het een ontroerend moment zijn wanneer er iemand naast je ging zitten, je naam zei, je wezen noemde en alleen maar vroeg: ‘Vertel me eens…’ Zomaar, zonder vooroordeel. Iemand die vriendschap als een warme mantel om je schouders slaat en beminnelijk wacht tot dat jij begint te vertellen. Over de pijn in je ziel, je verloren din­gen, je teleurstellingen, je schijnoplos­singen, je moedeloosheid. Je eigen ver­driet en kapotgeslagen verwachtingen onder ogen te brengen van een ander, van je zelf.

Een ouderwetse, maar o zo mooie uit­drukking is: “Voor het aangezicht van God”. Wat gaat daar een rust van uit. Samen breng je het onder woorden. Pijn, verdriet kan niet zó diep zitten of liefdevolle handen kunnen het vrijma­ken. En dat is het: Het durven uiten, laten zien om het daarna in goede handen te geven en te laten verbinden. Niet met goedkoop pleisterwerk van een paar bijbelteksten, maar door jezelf te verbinden, met al je wonden, aan iemand die Zich aan jou verbindt. Omdat Hij jou zo liefheeft en een mens gevonden heeft waarin Hij zich herkent en die Hij naar jou heeft gezonden om naast je te gaan zitten. Zijn goedheid en belangstelling heeft gestalte gekregen in een mens die zich jouw lot aantrekt en je barmhartigheid bewijst. Kortom, jouw naaste.

Wat is zo’n vriendschap een kostbare voorwaarde en tevens een bedding om een stroom van verdriet een uitweg te geven. Schuld en schaamte verdwijnen als sneeuw voor Zijn zon, wantje bent teruggekeerd tot de eerste liefde waar­mee je wordt liefgehad. En zó, van lie­verlee, ontvang je genezing voor je ziel. Liefde brengt alles onder ogen en ver­bindt zich met elkaar. Een veilige, ver­trouwde plek voor een gewond mensen­kind.

Durf je je te laten vinden; durf je je rouwsluiers af te leggen? Gun je jezelf het zonlicht in je ogen van Zijn vrien­delijk gezicht? Durf je… durf je weer gelukkig te worden? Vreugde hoefje niet op te roepen met allerlei religieuze middelen, want echte vreugde is het gevolg van een liefdesver­klaring aan jou en deze milde genade is voldoende om je van binnen te gene­zen. Daar kun je je in (terug) vinden. Heb je de moed om, na alles wat er is gebeurd, je toe te vertrouwen aan hen die jou werkelijk liefhebben? Gelukgewenst!

In-gelukkig worden de treurenden die zich laten troosten door Zijn mensen, want Zijn daglicht stroomt in jouw ziel.

“De leiboom spruit opnieuw en spreidt zijn takken uit, omdat-ie, groen en fris, opnieuw geschapen is”.

 

Wat ook nodig is voor de eenheid door Jildert de Boer

Sleutels tot ware eenheid in de gemeente Deel 5

De twee voorgaande artikelen hadden respectievelijk gemeenschap en avond­maal als thema. We gaan door met nog een aantal trefwoorden die van groot belang zijn voor ons onderwerp en zon­der welke echte eenheid geen gestalte kan krijgen. Uiteraard bestaat er een bepaalde overlapping in de apart benoemde subtitels.

Dienen

We begrijpen dat “dienen” het tegen­overgestelde is van “heersen”. De Meester gaf ons het voorbeeld als Hij een vergelijk treft met het heer­schappij voeren in de wereld: “Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden zal uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” Matteüs 20 vers 26 tot en met 28 (Matt. 20:26-28). Dit zei Jezus naar aanleiding van de onenig­heid onder de discipelen wie van hen als de eerste moest gelden. “De eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar”, dat in tegenstelling tot de wereld waar hun machthebbers weldoeners worden genoemd, maar het vaak niet zijn, Lucas 22 vers 24 tot en met 26 (Luc. 22:24-26).

Het is dus niet interessant in de gemeente, om indruk te maken door welsprekendheid, want het gaat in wezen om dienstbaar willen zijn. Intelligentie of positie in de maat­schappij geeft in de gemeente van God geen enkele voorrang en op die grond mag ook geen voorkeur gege­ven worden, want daar gaat het puur om het dienen van God en elkaar. Streven naar macht of het uitoefe­nen van heerszucht, het innemen van sterke leidersposities, dat zijn zaken die uit den boze zijn, of op zijn zachtst gezegd klein-menselijke manieren om invloed aan te wenden in de gemeente. Simpel de gezind­heid hebben van de Meester om de anderen te dienen, dat is de mentali­teit van een echte discipel! Het is de gemakkelijkste weg, om zich te laten dienen, maar dat is nou net niet de taak die Jezus ons geeft. In de weg van dienen ging Jezus ons voor door de minste te zijn en de vieze voeten van zijn discipelen te wassen, Johannes 13. “Indien Ik nu nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gege- ven, opdat gij ook doet, gelijk Ik u gedaan heb” Johannes 13 vers 14 en 15 (Joh. 13:14-15). Kunnen wij hiermee uit de voeten in het praktische dienen, ook als klus­jes en taken soms minder aange­naam zijn voor het vlees? Jezus ver­volgt: “Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet” Johannes 13 vers 16 en 17 (Joh. 13:16-17).

Het gaat niet om mooie theoreti­sche kennis of woorden, maar om daden van dienstbaarheid. Geestelijk verheven taal klinkt hol, als men niet eenvoudig kan dienen in het aardse en het geringe. Prachtige visies zijn leeg, als men niet gewoon kan dienen. Ook als men het Woord van God verkondigt in de gemeente gaat het er niet om een hoge positie in te nemen, maar elkaar te dienen met datgene wat de Heer elk in het bijzonder gegeven heeft op de door God aangewezen plaats 1 Korinthe 12 vers 18 (1 Kor. 12:18).

Als je de mensen dient, dan kun je heersen over de machten, maar als je over de mensen heerst, dan dien je de machten!

Denkt u dat er spoedig een scheu­ring optreedt in een gemeente, waar ze God en elkaar allemaal dienen en zich voor en aan elkaar geven?

Ootmoed

Wij verstaan dat “ootmoed” het tegenovergestelde is van “hoog­moed”. Het woord dat wij meestal gebruiken is nederigheid. Merkwaardigerwijs staat deze godde­lijke deugd niet in het rijtje van de vrucht van de Geest Galaten 5 vers 22 (Gal. 5:22). Iemand gaf als reden daarvoor eens kernachtig aan dat dit komt, omdat ootmoed of nederigheid de enige grond of bodem is waarin de vrucht van de heilige Geest kan groeien. Dat is een boeiende gedachte voor het praktische leven! Ootmoedigen hebben er geen problemen mee als zij in het ootje wor­den genomen, want zij hebben geleerd wat het is om te buigen, in plaats van de typisch menselijke trek om zichzelf altijd te willen verdedi­gen te hanteren. Zij hebben in de levenssituaties ondervinding wat het is zoals een lied zegt: “De wateren des levens, zij vloeien naar benee en wie vol Geest wil worden, moet in die richting mee”. Hebt u ooit water tegen een berg zien opgaan? Met God kun je nooit afgaan, als je gewillig je kunt onderwerpem aan Zijn woord, dat zegt: “De nederigen geeft Hij genade” Jakobus 4 vers 6b en 1 Petrus 5 vers 5b (Jak. 04:06b; 1 Petr. 05:05b). Dit principe vinden we reeds terug in het Oude Verbond Spreuken 3 vers 24 (Spr. 03:34)-

In de “laagvlakte” van het elkaar onderdanig zijn in de vreze van Christus Efeze 5 vers 21 (Ef. 05:21) en het je allen omgorden met nederigheid jegens elkander 1 Petrus 5 vers 5a (1 Petr. 05:05a) vind je des te grotere genade van God als hulp. Daar ga je niet op jacht naar eigen “strepen” in het zoeken van eer. Het hebben of halen van eigen gelijk door het laatste woord te willen spre­ken vindt men niet bij hen die in de levensschool geleerd hebben wat ootmoed werkelijk in de praktijk is. In de ervaringen van elke dag heb­ben zij geleerd wat het is om de onderste weg te gaan en dat bete­kent soms zwijgen en stil-zijn. Natuurlijk gaat dit niet zonder de strijd aan te binden met bijvoorbeeld de verzoekingen tot hoogmoedige gedachten bij zichzelf, of zucht naar rivaliteit in de gemeente. “In oot­moedigheid achte de een de ander uitnemender (belangrijker, NBV) dan zichzelf” (Filip. 2:3) is zo typerend op de weg van Jezus. De weg van Jezus, zoals die subliem is geschetst in Filippenzen 2 vers 1 tot en met 7 (Filip. 02:01-07) is nu juist de weg naar beneden, die naar omhoog voert. Het is de weg van vernedering naar verhoging Matteüs 23 vers 12; Lucas 14 vers 11; Lucas 18 vers 14 (Matt. 23:12; Luc. 14:11; Luc. 18:14). Dit is een goddelijke wetmatigheid. “Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen” Matteüs 18 vers 4 (Matt. 18:04).

Als het gaat om de gaven en bedie­ningen die Hij aan de mensen geeft, worden deze gegeven door Hij, die (eerst) is nedergedaald, Hij is het (daarna) ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen (Efeze 4 vers 9 tot en met 11 (Ef. 04:09-11). Hoogmoedigen weerstaat Hij, die kan Hij niet gebruiken. Ootmoed gaat vooraf aan de eer Spreuken 15 vers 33 en Spreuken 18 vers 12 (Spr. 15:33 en Spr. 18:12).

Omhoog via omlaag

Een weg, die nog veel verder omhoog voert, is de weg van de lief­de in combinatie met de gaven 1 Korinthe 12 vers 31; (1 Kor. 12:31; 1 Korinthe 13; 1 Korinthe 14). Ook in dit verband loopt de weg naar omhoog via de weg naar beneden. We noemen een paar uitdrukkingen uit 1 Korinthe 13: “de liefde zoekt zichzelf niet, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen”, enzovoort. Ootmoed of nederigheid gaat gepaard met zelfverloochening en dat is een bijbels begrip dat haaks staat op de geest van deze tijd. Waar men het “zelf” zo sterk profileert, ook in christelijke kringen, mogelijk uit reactie tegen de geest van verwer­ping met zijn “je bent niets”, kan men zich afvragen of het gaat om het mogen zijn van een vernieuwde persoonlijkheid in Christus, of dat de “ego-gerichtheid” langs een ach­terdeur weer binnenkomt. De gewil­de nederigheid Kolossenzen 2 vers 18 (Kol. 02:18) in hou­ding of maniertjes, mag overboord en vervangen worden door een gezonde nederigheid van hart Matteüs 11 vers 29 (Matt. 11:29). Zo’n hart is zacht, ontvankelijk, soepel en buigzaam gemaakt onder Gods hand. Met mensen, die waarachtig nederig van harte zijn, kan God Zijn gemeente bouwen. Zij koesteren geen gedachten hoger dan die hen voegen, maar gedachten tot bedacht­zaamheid Romeinen 12 vers 3 (Rom. 12:03). Zulke men­sen hebben er geen moeite mee, om een “beweging naar beneden” te maken (al kunnen zij wellicht slechts 10% aan fouten bij zichzelf vinden en ligt de oorzaak misschien voor 90% bij de ander), om het hart van die ander te kunnen winnen. Wijsheid is immers bij de ootmoedigen Spreuken 11 vers 2 (Spr. 11:02). Paulus schrijft over het wandelen in alle ootmoed Efeze 4 vers 2 (Ef. 04:02) en hij sprak uit ruime eigen ervaring Handelingen 20 vers 19 (Hand. 20:19). De sleutel van de weg omlaag te gaan op aarde, leidt er juist toe dat de weg omhoog voert in de hemelen. Met God ga je uiteindelijk alleen maar op! Hij kroont de ootmoedigen met heil Psalm 149 vers 4 (Ps. 149:004).

Om eenheid in de gemeente te bewaren is de gezindheid van nede­righeid en het weerstaan van het “omhooggaan” (door bijvoorbeeld competitiedrang, jaloezie op ander­mans zegen, etc.) een onmisbare zaak. Als je gepasseerd wordt, of niet gevraagd voor een taak, dan kun je ootmoed van God tonen, of vallen in verwijt naar die ander. Etc.

Geen verkeerde strijd

Veel gemeenteproblemen komen daaruit voort, dat men elkaar te lijf gaat. Meestal wel niet letterlijk, maar in woordenstrijd en twist met men­sen ligt geen wijsheid om een pro­bleem in de gemeente aan te pak­ken. Helaas komt het hier en daar voor dat men elkaar “bijt en vereet”. in plaats van elkaar in de liefde te dienen en door de Geest te wande­len en niet te voldoen aan de begeer­te van het vlees Galaten 5 vers 13 tot en met 16 (Gal. 05:13-16). Door de strijd tegen mensen te voe­ren, verliest men het zicht op de achterliggende ware vijanden: de boze geesten in de hemelse gewes­ten Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12). Natuurlijk niet om te roepen: “jij hebt een boze geest en moet je eerst maar eens laten bevrij­den”. In hoeverre ben ik zelf volledig vrij van alle beinvloeding van de boze? We bidden toch allen: “Verlos ons van de boze”, zoals Jezus het ons leerde in het zogenaamde “Onze Vader”. Essentieel in het omgaan met elkaar in de gemeente is glas­helder te zien dat we maar een gemeenschappelijke geestelijke vij­and hebben en dat is de duivel, die de door-elkaar-werper tracht te zijn door middel van onder meer het aanklagen van broeders en zusters. Neem ik aanklachten van de boze over tegen mijn broeder, of spring ik ter verdediging van mijn broeder op de bres in de gezindheid van Jezus? De geestelijke strijd zien en hante­ren is een belangrijk wapen, om je broeders en zusters vrij te pleiten en hen geen dingen toe te rekenen door scheiding aan te brengen tussen mens en macht der duisternis, die hem/haar (of mezelf!) mis-leidt. We zullen in de gemeente nooit tegen elkaar zijn, maar voor elkaar en alleen tegen de satan, die gebruik wil maken van menselijke situaties. Laten we als er iets opkomt vanuit het vlees, de duivel dan geen voet geven, maar de eenheid bewaren met elkaar.

Zien met geestelijke ogen

“Zo kennen wij van nu aan niemand meer naar het vlees” 2 Korinthe 5 vers 16 (2 Kor. 05:16) is een subliem woord, dat ons kan behoeden die ander nog te beoordelen volgens de maatstaven naar de oude mens. “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schep­ping: het oude is voorbijgegaan, Zie, het nieuwe is gekomen. Dit alles is uit God…” 2 Korinthe 5 vers 17 en 18a (2 Kor. 05:17-18a). Waarom kunnen wij dat niet zien met geestelijke ogen? Die ander heeft de volkomenheid nog niet bereikt, maar wat heerlijk als ik zie wat voor nieuwe ontwikkeling er in Christus is gekomen, in plaats van te kijken of mij zelfs blind te staren op “vlees”. Als God mij plaatst naast iemand die mij van nature minder ligt, dan heb ik geweldige mogelijk­heden, om het positieve bij die ander op te merken, naar wie Hij in Christus is en wie Hij in Christus mag worden. Wil ik het oude van medechristenen “voorbij laten gaan”? Ga ik het verklaren tot “vroe­ger”, toen hij in het vlees wandelde? Dan kijk ik mee vanuit het perspec­tief dat God voor ogen heeft en wordt het klimaat in de gemeente positief.

Kijk nooit minnetjes rond, maar waardeer het goede dat in die ander naar Christus Filemon 4 (Filemon 01:4-6). Op die manier beoordelen we posi­tief, vanuit een plus-denken (die ander in Christus en Christus in die ander!). “Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld” 2 Korinthe 5 vers 16 NBV (2 Kor. 05:16). Dan ga je niet meer rond om die medebroeders en -zusters iets toe te rekenen en een zwart boek” over hen bij te houden, want Christus rekent mij ook al die dingen niet meer aan 2 Korinthe 5 vers 19 (2 Kor. 05:19). Alleen de duivel heeft belang bij “negatieve notitieboekjes”, om aan te kunnen klagen, maar wij mogen deze dingen wegdoen, als ze opko­men, of ons in de herinnering schie­ten. De gezindheid van Christus gaat zo heersen in de gemeente en alle verhoudingen kunnen gezond worden.

Oordeelt niet

Elkaar de maat nemen komt veel voor in gemeenten. Het leidt tot een voortdurend letten op elkaar, beoordelen van elkaar, praten over elkaar, kritiseren van elkaar en soms zelfs een veroordelende houding naar elkaar. Veroordeling van anderen onder een vroom masker is een wapen in handen van religieuze geesten. Deze oordeelszucht over de ander, die eis naar de ander en kri­tiek op de ander is een gif van de oude slang, dat mensen en hele gemeenten kapot kan maken. In elk geval werkt het op zijn minst ver­lammend ten aanzien van eenheid. Jezus maakt hier korte metten mee door te zeggen: “Oordeelt niet” Matteüs 7 vers 1 (Matt. 07:01). De Heer geeft daarbij de leerzame illustratie van de balk in eigen oog niet zien, maar wel de spl­inter bij de ander opmerken. Jezus vindt dat huichelarij, omdat je pas scherp genoeg kunt zien, om die splinter bij die ander te verwijderen, als je eerst de balk uit je eigen oog hebt weggedaan Matteüs 7 vers 3 tot en met 5 (Matt. 07:03-05). Kortom: oordeel de ander niet, maar oordeel jezelf! Dat wil zeggen: “Zie toe op jezelf en op de leer” 1 Timoteüs 4 vers 16 (1 Tim. 04:16). Met andere woorden: kloppen mijn daden wel met de woorden die ik spreek? “Indien wij echter onszelf beoordeelden (=toetsten), zouden we niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd (=opgevoed), opdat wij niet met de wereld zouden ver­oordeeld worden” 1 Korinthe 11 vers 31 en 32 (1 Kor. 11:31-32). De wijsvinger naar de ander die de schuld heeft, is dichtbij, maar ben ik bereid mijzelf op de proef te stellen en te onderzoeken, of ik wel in het geloof ben en of ik zeker weet dat Jezus Christus in mij is 2 Korinthe 13 vers 5 (2 Kor. 13:05)? Als ik mijzelf de spiegel durf voor te houden, word ik mild voor anderen in de gemeente, ook als ze naar het aanzien nog fouten (lijken te) maken, die ik inmiddels immers bij mezelf heb gezien. Niet om mijzelf daarmee te deprimeren, want de dingen zien in Gods licht leiden tot reiniging en heiliging. Het oordeel voert tot overwinning! Wij zullen toezien op onszelf en waakzaam zijn, bijv. Lucas 21 vers 34 tot en met 36 (Luc. 21:34-36). God geeft ons steeds een beetje licht, om te oordelen over wat we bij onszelf zien en op die wijze schei­ding aan te brengen tussen duister­nis en licht, tussen goed en kwaad in ons leven.

Jezus sprak eveneens: “Nu gaat er een oordeel over deze wereld, nu wordt de overste dezer wereld buitengeworpen” Johannes 12 vers 31 (Joh. 12:31). God brengt oordeel(=scheiding) aan tus­sen de mens en de overste die hem in deze wereld beheerste, geheel, of nog op bepaalde gebieden in ons leven. Het is een heerlijke zaak dat we de ander niet hoeven te oordelen, maar onszelf onder de loupe durven te nemen en dat de machten der duisternis uitgeworpen kunnen wor­den, om te beginnen uit de gemeen­te. Laten we deze sleutel gebruiken, die zo bevorderend werkt voor de eenheid tussen christenen!

(slot volgt)

 

Gods oogappel (gedicht) door Berry Janson

“Wie U aanraakt, raakt Zijn oogappel aan” naar Zacharia 2 vers 8 (Zach. 02:08).

Mijn oogappel ben jij;

’t is veilig dit te weten.

Ik berg je in Mijn hand –

zul je dit nooit vergeten?

 

Mijn handen zijn zo zacht;

ja, vrij van elk geweld.

En wie jou waagt te schaden

wordt door Mijn kracht geveld.

 

Wie jou aanraakt, raakt Mij;

want wij zijn immers één!

En voor Mijn majesteit

snellen de schenders heen!

 

Door engelen omringd

zul je Mijn glans verspreiden;

jij bent Mijn hartewens,

in jou zal Ik heil bereiden.

 

Want kostbaar ben je, kind,

kleinood van gróte waarde!

jij bent Mijn heerlijkheid

in hemel en op aarde.

 

Mijn oogappel ben jij,

Mijn roem, mijn lof en luister.

Ik laaf je met Mijn licht

en dat ontkracht èlk duister!

Berry Janson

 

De veroorzaker van het lijden door Hessel Hoefnagel

Het boek Job In het licht van het evangelie Deel 3

Op ‘zekere dag’ komen in het ver­haal over Job de zonen Gods (enge­len in dit verband) om zich voor de Here te stellen Job 1 vers 6 (Job 01:06). Zoiets als van de baas, die aan het eind van de werkdag zijn personeel bij elkaar roept en ieders bevindingen navraagt en weer nieuwe instructies geeft.

Afzonderlijk wordt dan gesteld, dat ook satan zich onder hen mengt. Hij is een engel tussen de anderen, maar hij valt direct op, zeker bij de Here God. Duidelijk is dat wwar zonen Gods zich openbaren, ook satan tracht zich te manifesteren. En dan wordt satan naar voren geroepen om verantwoording af te leggen aan de ‘grote Baas’. ‘Wat heb jij gedaan vandaag? Waar ben je geweest? Heb je ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’.

De vraag komt naar boven: waarom attendeert de Here God de satan op Job? Het is echter niet de Here God die satan moet attenderen op Job, want uit het antwoord van satan blijkt, dat deze zeer goed weet wie Job is, hoe godvrezend hij is, hoe oprecht en welk een afstand hij neemt van alles wat tegen de wil van de ware God in gaat. Gewoon als mens tussen de mensen en niet omdat Job het bestaan van een dui­vel achter de verleidingen tot zonde ziet.

De overste van de wereld

Toen de Here God de schepping van hemel en aarde voltooid had en alles daarin en daarop functioneerde, zoals Hij het bedoelde, stelde Hij de mens aan als de beheerser van de aarde en alles wat daarop was. De mens was dus de wettige ‘overste van de wereld’.

Sinds de zondeval van de mens ech­ter is deze zijn heerserspositie kwijt­geraakt en is hij tot een slaaf van de zondemacht (satan) geworden. De aarde is sindsdien omwille van deze ongehoorzaamheid van de mens aan de bedoeling van de Schepper ‘ver­vloekt’, dat wil zeggen onder de claim van de zondemacht gekomen. Satan is sindsdien de wederrechtelij­ke ‘overste der wereld’ in plaats van de mens. De mens is ondergeschikt geworden aan de duivel en daardoor gedoemd om te sterven. Sterven is komen onder de claim van de doodsmacht! Als de mens zondigt, treedt er namelijk een geestelijke wetmatig­heid in werking. Dat is de ‘wet van de zonde en van de Dood’. Deze brengt de mens onder de claim van de Dood. In tegenovergestelde zin geldt: Als de mens zich tot God bekeert, treedt de ‘wet van de Geest van het leven’ in werking op basis van het volbrachte werk van Jezus Christus Romeinen 8 vers 2 (Rom. 08:02). De Dood is de ‘laatste vijand’, die teniet gedaan wordt, dus geworpen wordt in de ‘poel des vuurs’. Als er sprake is van een ‘laatste’ vijand, moet er ook een ‘eerste’ vijand van God en mens zijn. En dat is de zonde (macht), die de wereld is bin­nengekomen als gevolg van de onge­hoorzaamheid van de eerste (nog niet wederom geboren) mens. En de zondemacht zette de poort open voor de Dood(smacht), zodat deze kon gaan heersen in de wereld van de mens, Romeinen 5 vers 12 tot en met 14 en Romeinen 5 vers 17 tot en met 21 en 1 Korinthe 15 vers 21 en Openbaring 20 vers 13 (Rom. 5:12-14 en Rom. 5:17-21 en 1 Kor. 15:21 en Openb. 20:13). Maar zowel de zonde (macht) als de Dood(smacht) worden door de over­winning van onze Heer Jezus teniet gedaan, dus uitgeworpen in de eeu­wige afgrendeling, de ‘poel des vuurs’ 1 Korinthe 15 vers 26 en Jesaja 25 vers 7 en 8 (1 Kor. 15:26 en Jes. 25:07-08). De rechtvaardige Schepper erkent de nederlaag van ‘de mens in het algemeen’ en de consequenties, die dit heeft voor de hele schepping. Hij trekt zich als het ware tijdelijk terug op ‘de mens in het bijzonder’, die in Hem blijft geloven. Daaronder dus ook de gevallen Adam met zijn vrouw Mannin. Hij geeft ze de zo genoemde ‘moederbelofte’, die ze in geloof aanvaarden Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15) en Mannin krijgt van haar man de pro­fetische benaming Eva, dat wil zeg­gen ‘moeder van alle levenden’ Genesis 3 vers 20 (Gen. 03:20).

De claim van de Dood

Ook de Heer Jezus erkent de satan als ‘overste van de wereld’, die immers sinds de zondeval van de éérste mens ‘in het boze’ ligt, dus onder de claim van de Dood. Lees: Johannes 12 vers 31 en Johannes 14 vers 30 Johannes 16 vers 11 Joh. 12:31 en Joh. 14:30 en Joh. 16:11). [N.B.: een diepere studie over dit onderwerp geeft mij persoonlijk de indruk, dat ook de satan een ondergeschikte is van de Dood in plaats van andersom. (De) Dood wordt immers de ‘laatste vijand’ genoemd, die te niet moet worden gedaan 1 Korinthe 15 vers 26 (1 Kor. 15:26).

En als satan met al zijn engelen al in de ‘poel des vuurs’ is geworpen, dan moet (de) Dood als ‘gevangenbe­waarder’ nog zijn ‘gevangenen’ los laten, zodat deze rechtvaardig geoordeeld kunnen worden. Pas daarna wordt (de) Dood in de poel des vuurs geworpen Openbaring 20 vers 7 tot en met 15 (Openb. 20:07-15). In Romeinen 5 wordt door de apostel Paulus gesteld: ‘de Dood heeft als koning geheerst’ , ook al voordat er een wet was, die de zonde benadruk­te. Daardoor kon de Dood al vanaf Adam gaan heersen over de mens als gevolg van diens overtreding. Zijn claim lag als een sluier over de schepping en de zonde (macht) (satan) kon eveneens heersen over de mens vanwege die claim van de Dood.

De vertaling van Romeinen 5 vers 21 (Rom. 05:21) luidt dan ook bij sommige bijbel­vertalingen: ‘… opdat, gelijk de zonde (macht) heerschappij voerde in het rijk van de Dood …’. En in Hebreeën 2 vers 14 (Heb. 02:14 Statenvert. en Luthervert.) wordt van satan gezegd: ‘… die het geweld van de Dood had’, dus werkte met het geweld van de Dood en niet, zoals de NBG-vertaling stelt: ‘…die de macht over de Dood had’].

Na de opstanding van de Heer Jezus komt de uitdrukking ‘overste van de wereld’ voor satan in de bijbel niet meer voor. Wel wordt hij de ‘overste van de macht der lucht’ (hemelse gewesten) genoemd, tegen wie wij te strijden hebben Efeze 2 vers 2 (Ef. 02:02). Sinds Zijn opstanding en plaats op de troon van God is onze Heer Jezus de ware ‘Overste van de wereld’ en namens Hem de ‘zonen Gods’, naar wiens openbaring de schepping als in barensnood zuchtend verlangt Romeinen 8 vers 18 tot en met 21 (Rom. 08:18-21).

Wat de éérste Adam (mens) verzaak­te, volbracht de laatste Adam (mens!). Hem is vanwege Zijn over­winning over Satan en Dood immers gegeven ‘alle macht in hemel en op aarde’, zoals Hij ook zelf tegen Zijn discipelen zei: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ Matteüs 28 vers 18 (Matt. 28:18).

De koningen van de aarde

En in Openbaring 2 vers 5 (Openb. 02:05) wordt Hij de ‘Overste van de koningen der aarde’ genoemd, aan wie ‘engelen, machten en krachten’ (dus ook dui­velen) onderworpen zijn 1 Petrus 3 vers 22 (1 Petr. 03:22) . De ‘koningen der aarde’ zijn de ‘zonen Gods’, die met het Hoofd samen het totale ‘lichaam van Christus’ vormen. Ook de Dood werd van zijn ‘kracht’ of geweld beroofd, waardoor weer het oorspronkelijke, onvergankelijke leven aan het licht kwam (komt) als gevolg van de prediking van het ware (volle) evangelie van licht en leven 2 Timoteüs 1 vers 10 (2 Tim. 01:10). Zo komen we weer bij die vraag: Waarom wordt satan opmerk­zaam gemaakt op Job? We hebben al gezien, dat er geen sprake is van een specifiek ‘aandacht vestigen op’, maar veel meer van een ’tot verantwoording roepen van’! God wil aandacht voor Zijn knecht Job in de hemelse gewesten. Zoals Hij dat ook wil voor u en mij, die Hem dienen. Satan is dus sinds zijn nederlaag aan het kruis van Golgotha niet meer de ‘overste van de wereld’, al doet hij nog wel alsof. Integendeel, hij wordt door God bewust geconfronteerd met de opgroeiende ‘zonen Gods’, want door middel van hen en met behulp van de ware engelen Gods zal hij worden uitgeworpen in de ‘buitenste duisternis’.

Om deze reden moeten wij ons niet verbazen, als ook wij net als de eer­ste en de laatste Adam in velerlei verzoekingen vallen. Daardoor wordt ons geloof namelijk een beproefd geloof en we leren daardoor te vol­harden in ons geloof. Daarin hebben wij het voorbeeld van Job, die bleef vasthouden aan zijn rechtvaardigheid Jakobus 1 vers 2 (Jak. 01:02).

Job is voorbeeld voor ons

Het is goed om ook Jakobus 5 vers 7 tot en met 11 (Jak. 05:07-11) te lezen. Hier wordt het geduld van Job ons ten voorbeeld gesteld, evenals de gelatenheid en het geduld van de profeten, die in de naam des Heren gesproken hebben. In het boek Job wordt in profetische zin duidelijk gemaakt dat de mens Gods centraal staat in de hemelse gewesten en daar in zijn ontwikke­ling tot het doel van God wordt tegengestaan en gehinderd door de satan.

Job is dan ook een typering, niet alleen van onze Heer Jezus als ‘zoon des ménsen’, maar ook van ieder, die naar het beeld van zoonschap Góds streeft.

Satan wordt bewust geconfronteerd met de kinderen Gods. Deze hebben daardoor enerzijds lijden te verdu­ren, maar anderzijds worden ze geoefend in het onderscheiden van goed (de sfeer van het Koninkrijk van God) en kwaad (de sfeer van de (wederrechtelijke) beheersgebieden van satan en Dood. Je zou misschien geneigd zijn te denken, dat God in de situatie, die geschilderd wordt in het eerste hoofdstuk van Job, een soort over­eenkomst aangaat met de duivel. Maar dat is geenszins het geval, want dat zou in tegenspraak zijn met het karakter van God. Onze God namelijk: bewoont een ontoegankelijk licht,

kent geen zweem van verandering of ommekeer, kan door het kwade niet verzocht worden, brengt zelf ook niemand in verzoe­king Jakobus 1 vers 13 tot en met 17 (Jak. 01:13-17).

Proces van ontmaskering

Onze God werkt vanuit een bepaald uitgangspunt en met een bepaald doel. En de mens staat daarin cen­traal. Het gegeven in het boek Job duidt veeleer op een proces van ont­maskering van de satan. Satan probeert zich te verbergen en vanuit een duistere omhulling zijn werk te doen. Maar onze God haalt hem voor het voetlicht! ‘Vertel maar eens openlijk, waar je mee bezig bent’.

Onze God is één! Ongedeeld, heilig en zuiver. Daarvoor sidderen de dui­velen, want zij zijn enkel haat en verdeeldheid, leugen en bedrog. En ze sidderen ook voor mensen als Job, die daarbij ook nog vervuld zijn met de Geest van de levende God. De duivelen ervaren God in zulke mensen en daarom sidderen ze voor deze heiligen Gods, die hen met behulp van de heilige engelen doen belanden in de eeuwige afgrende­ling, de ‘poel des vuurs’. De duivel weet, dat zijn einde nabij is en hij kan niet anders dan het ‘vlees’ aantasten, zoals létterlijk bij Job gebeurde. Maar de aanduiding ‘vlees’ is méér dan alleen maar het aardse lichaam. Het duidt een gezindheid aan, die in plaats van naar bóven (naar de dingen van God), naar benéden (naar de begeer­lijkheden op aarde) gericht zijn. Ook wij moeten daarom leren om ons in ons geloof niet te richten op ‘het vlees met zijn begeerten’, maar dit integendeel ‘kruisigen’, zodat onze nieuw geboren innerlijke mens kan uitgroeien tot geestelijke volwas­senheid en geschiktheid voor het Koninkrijk Gods. (Lees Jakobus vers 13 tot 16).

Wie was Job?

Nu iets over de persoon en gezind­heid van Job. De naam Job betekent ‘gehate, vijandig bejegende, vervolg­de, aangevochtene’. Job woonde in Uz, dat betekent ‘een vruchtbaar land’, in het oosten. Hij was de rijk­ste mens van al de bewoners van het oosten. En hij diende God onberis­pelijk. God zelf getuigde van hem: ‘Niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’ Job 2 vers 3 (Job 02:03). We zien hier vergelijkingen met de begintijd. Toen deed de Here God de éérste mens (Adam) ook wonen in een vruchtbaar land in het oosten. We kennen dat uit de bijbel als de ‘hof van Eden’ (Genesis 2). We zien ook vergelijkingen als we naar onze Heer Jezus kijken. Hij is de laatste Adam en Hij leefde in het vruchtbaarste land, wat in de hemelen maar te bedenken is, namelijk: het Koninkrijk van God. Jezus was van jongs af aan onophou­delijk bezig met de dingen van de Vader in de hemelen. Hij was daar­om geheel ‘van boven’, niet van deze aarde. Dat is ook onze roeping van­daag: ‘…Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is met (in) Christus verborgen in God’ Kolossenzen 3 vers 1 tot en met 3 (Kol. 03:01-03). De ‘hof van Eden’ en het land Uz zijn schaduwbeelden van de ‘hemel­se gewesten’ (Efezebrief). Adam en Job zijn dan op zich schaduwbeel­den van de mens naar  Gods oorspronkelijke bedoeling? die bewust in deze geestelijke wereld geplaatst wordt. Daar ervaart de mens, die op de ware God gericht is, enerzijds de vrede, gerechtigheid en blijdschap van het Koninkrijk van God. Anderzijds ervaart hij daar de verleiding en subtiele invloed vanuit het rijk der duisternis. De mens-in-Christus wordt immers gezegend met ‘allerlei geestelijke zegeningen’ in de hemelse gewes­ten Efeze 1 vers 3 (Ef. 01:03). Hij moet echter net als de eerste Adam ook zijn/haar ‘hof’ ‘bewerken en bewaren’, dus op de juiste wijze beheren, afstand nemen tot de ‘boom van kennis van goed en kwaad’ en

vooral niet ‘eten’ van de vrucht van deze boom Genesis 2 vers 5 tot en met 17 (Gen. 02:05-17).

De mens in Christus

De mens-in-Christus wordt net als de éérste Adam in de hof, bewust in die hemelse gewesten geplaatst om daar in de komende eeuwen (dat is de tijd, waarin wij nu leven) ‘de over­weldigende rijkdom van Gods gena­de’ te tonen, dus naar buiten te laten zien in overeenstemming met Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus Efeze 2 vers 7 (Ef. 02:07). De mens-in-Christus is in totaliteit de gemeente van Jezus Christus en door middel van dit ‘lichaam van Christus’ wordt de bediening van het ‘geheim van God’ openbaar. Dat geheim is van eeuwen her ver­borgen gebleven in de Schepper van alle dingen, maar het wordt door middel van de gemeente van Jezus Christus als een ‘veelkleurige wijs­heid’ bekend gemaakt (geprocla­meerd) aan de ‘overheden en mach­ten’ in de hemelse gewesten Efeze 3 vers 9 tot en met 11 (Ef. 03:09-11).

Jezus zelf is het Hoofd van dit lichaam. En deze ware gemeente wordt in de hemelse gewesten bewust geconfronteerd met de (vaak subtiele) invloed van het rijk der duisternis en de invloed van het rijk van de Dood.

Het ‘geheim van God’ betreft de invulling van het ‘eeuwig voorne­men’ van onze God. In dat geheim had ook Job een plaats als schaduwbeeld. Maar dit geheim wordt ‘in onze Heer Christus Jezus’ in werkelijkheid uitgevoerd Efeze 3 vers 10 (Ef. 03:10).

De Heer Jezus was na Zijn vervul­ling met de Geest van de Vader in de ‘gestalte Gods’ (de mens, zoals de Schepper die zich van oorsprong in gedachten heeft) en kon zich daar­om aan God gelijk stellen. Terwille van de realisatie van het ‘eeuwig voornemen’ van de Vader heeft onze Heer echter vrijwillig deze heerlijk­heid afgelegd. Hij heeft zichzelf ‘ontledigd’ en is vrijwillig ‘neerge­daald’ naar het ‘aardse’ niveau van de (gelovige) mens. Deze lag vanwe­ge de zondeval van de éérste Adam immers nog onder de verderfelijke claim van de Dood. Hij nam ter wille van ons de ‘gestalte van een dienstknecht’ aan Filippenzen 2 vers 5 tot en met 11 (Filip. 02:05-11).

In de hemelse gewesten

Onze Heer ging ter wille van het eeuwige doel van de Vader alle ‘hemelen’ door. Hij begon Zijn strijd tegen de duivel en de Dood in de ‘eerste hemel’, de door Paulus genoemde hemelse gewesten. Hij bood weerstand tegen de ‘smaad en verschrikking’ van de boze geesten, die Hem daar voortdu­rend omringden. Denk maar aan de climax daarvan toen Hij aan het kruis hing tot een spot en smaad voor de mensen. Toen benauwden Hem de ‘stieren’ en ‘buffels van Basan’ en omringden Hem de ‘hon­den’ en een ‘verscheurende, brul­lende leeuw’ (Ps. 22). Daarna daal­de Hij neer in de ‘hemel van de Dood’, dat is het dodenrijk.

Terwijl Zijn lichaam nog aan het kruis hing en in een graf werd gelegd, werd Hij echter weer verbon­den met de Geest van de Vader en proclameerde Hij de overwinning van het Koninkrijk van God aan de ‘geesten in de gevangenis’ . De ongehoorzame geesten moesten Hem als Heer erkennen en werden beschaamd; velen lichamen echter van de géhoorzame geesten werden opgewekt door deze proclamatie en vertoonden zich in de ‘heilige stad’ (pas op! Dat duidt niet op het aardse Jeruzalem, dat net de Heer gekrui­sigd had). Vergelijk 1 Petrus 3 vers 18 en 19 en Matteüs 27 vers 52 en 53 (1 Petr. 03:18-19 eens met Matt. 27:52-53). De Heer Jezus verbrak de ‘weeën van de Dood’ Handelingen 2 vers 24 (Hand. 02:24), dus de claim, welke de Dood sinds de ‘zon­deval’ van de éérste Adam had over de hele schepping, inclusief de mens als de door God bedoelde wet­tige heerser daarover. Hij kwam in majesteit door Zijn glo­rieuze opstanding weer tevoorschijn en zette zich tenslotte aan de Rechterhand van de ‘Majesteit-in-de- hoge’. Dat is de ’troon van God’, waar Hij ‘gezeten is’ om het recht­vaardig oordeel over alle mensen te voltrekken. Onze Heer kreeg uit de hand van de Vader ‘alle macht in hemel en op aarde’.

Hij is ‘opgeva­ren, ver boven alle hemelen’, om alles tot volheid te brengen Efeze 4 vers 9 en 10 (Ef. 04:09-10).

Als ook wij ‘in Christus’ willen zijn, zullen ook wij allereerst bewust worden geplaatst in de hemelse gewesten. Daar begint ook onze glorietocht, het Lam achterna, de heme­len door. Daartoe moeten wij aller­eerst de ‘wapenrusting Gods’ aan­doen om evenals onze Heer te kun­nen standhouden tegen de (listige – SV) ‘verleidingen des duivels’. Ook wij worden geconfronteerd met en hebben te worstelen tegen de ‘over­heden, machten, wereldbeheersers der duisternis’, kortom tegen de ‘boze geesten in de hemelse gewes­ten’.

Gods wapenrusting

We moeten bewust deze ‘wapenrus­ting Gods’ hanteren om weerstand te kunnen bieden ‘in de boze dag’. Ieder van ons ervaart op één of ander manier deze ‘boze dag’, dat is het moment of de periode, waarin je persoonlijk wordt aangevallen, hetzij fysiek (lichamelijk) of psychisch (in je geestelijk en/of je zielsleven.

We moeten onze ‘lendenen omgor­den met de waarheid’;

ons bekleden met ‘het pantser der gerechtigheid’;

onze voeten schoeien met ‘bereid­vaardigheid van het evangelie van de vrede’;

het ‘schild van geloof’ hanteren om de ‘brandende pijlen’ van de boze te kunnen doven;

de ‘helm des heils’ opzetten, zodat ons denken helder blijft en niet wordt verdoofd door de vele infor­matie, waarmee we worden bena­derd;

het ‘zwaard des Geestes’ (het Woord van God) ter hand nemen en vooral bij dit alles

‘aanhoudend bidden’ in onze geest en daarbij voortdurend

waakzaam zijn en blijven volhar­den Efeze 6 vers 10 tot en met 20 (Ef. 06:10-20).

Adam was de mens, die namens God optimaal kon heersen over het ‘vruchtbare land’ in de ‘hof van Eden’. Daartoe had hij alle vermo­gens van de Schepper ontvangen. Hij was de mens, die de Here God kende ‘aan de wind des daags, de ‘avondkoelte’ Genesis 3 vers 8 (Gen. 03:08).

Job was de ‘rijkste man van het oosten’ en woonde net als Adam in het ‘vruchtbare land’ in het land Uz.

Jezus leefde innerlijk in de ‘heer­lijkheid van het Koninkrijk van God’ door de vervulling met de Geest van de Vader.

De ‘mens in Christus’ leeft inner­lijk eveneens in dit zeer ‘vruchtbare land’, namelijk in de vrede, de waar­heid en de gerechtigheid van het Koninkrijk van God.

Beeld van de hemelse mens

Dat ‘vruchtbare land’ ligt dus in het oosten! Daar waar de zon opgaat! Waar de mens God ontmoet! En dat is ‘in Christus’, dus in het ‘lichaam, waarvan de Heer Jezus’ het Hoofd is. Vanuit het ‘oosten’ komt voor de rechtvaardigen de ‘zon’ op en straalt, eerst als het ‘glanzende morgen­licht’, maar dan doorgaand totdat de ‘volle dag’ aanbreekt Spreuken 4 vers 18 (Spr. 04:18). En in deze volle dag zal de ‘blinkende Morgenster’ onze harten vervullen 2 Petrus 1 vers 19b; Openbaring 2 vers 28; Openbaring 22 vers 16b (2 Petr. 01:19b; Openb. 02:28; Openb. 22:16b). Een onvoorstelbare rijk­dom!

Job is dus een beeld van de hemelse mens, die nog verkeert in het aardse lichaam ‘aan dat der zonde gelijk’ Romeinen 6 vers 6 en Romeinen 8 vers 3 (Rom. 06:06 en Rom. 08:03). Ook Jezus verkeerde in zo’n lichaam en ondervond daarin de vernedering en verdrukking als gevolg van de zonde der wereld. En ook de hemelse mens nu ervaart nog steeds de verdrukking van het verblijf in het ‘lichaam der zonde’, ook de ‘oude mens’ genoemd. Job typeert het belang van het nemen van de juiste keuzes in het leven. Hij koos voor het goede: de waarheid van God, ondanks alle blij­ken van tegenstrijdigheid daaraan. Hoewel Job niet alles begreep, wat hem overkwam, maakte hij wel steeds de juiste keus. Hij schreef zelfs in zijn grootste ellende God niets ongerijmds toe en zondigde met zijn lippen niet. Hij bleef vol­harden in zijn geloof in God en kwam na een toetsingsproces ‘als goud’ (goddelijk) te voorschijn Job 23 vers 10 (Job 23:10).

Wie net als Job wil leven, zal evenals hij gehaat worden omwille van de naam van Jezus (Job = gehate). Maar door ‘volharding tot het einde’ zal hij net als Job het (eeuwige) leven verkrijgen.

(slot volgt)

 

De spiegel door Tine ’t hart

Er gaat in ons leven geen dag voorbij dat je niet in een spiegel kijkt. En wanneer je dat doet, reageer je (meestal) meteen op dat wat je ziet. Bijvoorbeeld: je veegt een vlekje weg, doet je haar goed en voor de dames: werkt wat bij (of weg) met make-up. Het kan weleens gebeuren dat er iets aan de achterkant niet goed zit, er iemand langs komt die dan zegt: ‘je haar zit niet goed hier!’ Wat doe je dan? Ik denk dat je dat dan in orde maakt, en de persoon die jou waarschuwde bedankt. Want eigen­lijk wil je er goed en verzorgd uit­zien.

Als je nu bedenkt dat de Heer jouw spiegel is. In zijn woord houdt Hij als het ware een spiegel voor. Als je dat dan leest, en je komt daarin iets tegen waardoor je ziet: ‘Dat zit niet helemaal goed bij mij’. ¿hoe reageer je dan? Net zoals wanneer je in een gewone spiegel kijkt? Soms gebeurt het dat er iets niet helemaal klopt in je levenswijze, een fpbrt ‘blinde vlek’. Je kunt er zó aan gewend zijn, dat je het zelf niet ziet. Dan kan het gebeuren dat iemand uit je directe omgeving daar een aanmerking over maakt. Hoe reageer je dan? Kwaad? Verontwaardigd? Een gedachte van: ‘Kijk eens naar jezelf, daar mankeert ook wel wat aan?

Natuurlijk moet zo’n correctie in liefde gebeuren met het doel om je ‘mooier’ te maken, want dat is het doel van de Heer: Je mooier maken! En daar heb je ook je broe­ders en zusters bij nodig. Het beste is dan om na zo’n con­frontatie eens eerlijk in Gods ‘spie­gel’ te kijken en serieus datgene aan te pakken, zodat je daarin herstelt. En de Heer heeft alles voor je klaar­liggen om dat voor elkaar te krijgen. En wees dan ook dankbaar dat iemand de moed had om dat tegen je te zeggen!

Nu is er ook een ‘iemand’ die als het ware op je schouder zit wanneer je in de spiegel kijkt. Die vervormt de spiegel zodat het een soort lachspie­gel wordt. En dan wijst hij je op allerlei fouten en maakt je belache­lijk. Dat gebeurt in de zienlijke wereld (hoeveel mensen laten tegen­woordig iets aan hun lichaam corri­geren of denk eens aan de annorectia patiënten). Hoeveel mensen heb­ben geen minderwaardigheidscom­plex!

Geestelijk is het precies zo: hoeveel keer word je niet aangeklaagd en voel je je schuldig om iets dat hele­maal niet terecht is. Of vind je jezelf heel erg dom wanneer je terugdenkt wat je gezegd hebt in een groep, ter­wijl het eigenlijk heel gewoon was wat je zei. Of juist je schuldig voelen omdat je niets zei.

Hoe krijg je daar onderscheid in? Ten eerste door de Heilige Geest en Gods Woord, de bijbel. Wat ook kan helpen: als God je corrigeert dan voel je je niet vernederd of schuldig, maar je ziet dat als ‘mooier gemaakt worden’. (God doet dat dus ook door broeders en zusters heen)

Dus: wees blij met een goede spiegel en met mensen die je helpen om ook die dingen te zien die jij niet ziet, zodat je het kunt verhelpen en daardoor mooier wordt.

Zoals er in onze gemeente in een preek werd gezegd: ‘Kijk eens wat vaker in de spiegel van je Maker’.

 

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

 

In een bekend koortje komen de woorden voor: “Hij houdt de hele wereld in Zijn machtige hand”. Dat is waar, maar Hij is niet verantwoor­delijk voor alles wat er in deze wereld gebeurt. Petrus merkt terecht op dat Satan rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zal kunnen verslinden… Dagelijks worden we geconfronteerd met de talrijke voor­beelden daarvan.

Petrus zegt echter méér! Direct erach­ter lezen we dat wij hem (satan) moeten weerstaan, vast in ’t geloof! Dat is de taak van de gemeente van Christus. Een taak die wij niet alleen behoeven te doen, want dan zou er niets van terechtkomen. Maar Gods Geest is ‘uitgestort’ en ter beschikking van iedere gelovige. Gods Geest, in samenwerking met onze geest, stelt ons in staat onze taak in dienst van Gods Koninkrijk te vervullen en zo mee te werken aan het tot stand brengen van een leefbare wereld.

De invloed van de nieuwe media op kinderen

Binnen het tijdsbestek van enkele dagen werden wij geconfronteerd met twee berichten over de invloed van de nieuwe media op de jeugd en speciaal op jonge kinderen. Opvallend daarbij was hoe verschil­lend de inhoud van de artikelen was, al naar gelang de invalshoek die men hanteerde.

Zo schrijft De Telegraaf in een arti­kel: ‘Internet bedreigt de kinderziel’: “Ouders van kinderen die op inter­net surfen maken zich bezorgd over de mogelijkheid van ongewenste seksuele toenaderingen van vreem­den en of hun kinderen niet worden blootgesteld aan pornografische afbeeldingen, seksuele scheldpartij­en en racistische uitingen”. De krant haalt een onderzoek aan dat Blockbox heeft gehouden onder 440 kinderen uit groep 7 en 8 van het basisonderwijs en schrijft: “De angst van de ouders is terecht, want 83% van de ondervraagde jongens gaf aan wel eens een site met extreem geweld te bezoeken. Bij meisjes is die interesse beduidend kleiner: slechts 14% bekijkt wel eens een dergelijke website. Zes van de tien jongens en een op de drie meis­jes gaf tevens aan niet meer te schrikken van beelden van racisti­sche aanslagen, onthoofdingen en porno.

Verder gaf 69% van de responden­ten aan wel eens iets vervelends met internet te hebben meegemaakt. Tweederde met virtuele scheldparti’ en, bijna de helft is ooit gepest op V een chatsite en bijna allemaal ont­vangen ze hinderlijke spam of adver­tenties met pornografische afbeel­dingen.

Kinderen blijken veel meer tijd ach­ter de computer door te brengen dan ouders weten. 62% van de onder­vraagden gaf aan wel eens stiekem achter de computer te kruipen en ook op school, bij vriendjes of in de bibliotheek te internetten. Kinderen tussen de 9 en 12 jaar spenderen gemiddeld veertig minuten per dag achter de computer, maar liefst 25% zit dagelijks minstens twee uur op het net. 80% denkt niet meer zon­der computer te kunnen. De meeste ouders controleren welis­waar hun kinderen, maar het inter­netwijze kroost blijkt in staat pro­bleemloos de beveiligingsmaatrege­len te omzeilen”.

Homo zappiens

Een heel ander geluid kunnen we in Trouw lezen. Onder de kop ‘Wie nu vijf is, wordt homo zappiens’ schrijft Gonny ten Haaft: “Kinderen verbie­den achter de computer te zitten? Wim Veen, hoogleraar educatie en technologie aan de Technische Universiteit Delft, schrikt van het woord ‘zitten’: ‘Dat suggereert passiviteit, terwijl kinderen achter de computer juist actief zijn. Ouders die zich tegen het computergebruik van hun kinderen verzetten, verlie­zen die strijd. Beter kunnen ze samen met het kind de mogelijkhe­den ontdekken. Anders ontstaat er een grote kloof tussen ouder en kind’.

‘Natuurlijk’, haast Veen zich te zeg­gen, ‘moeten kinderen ook buiten­spelen. ‘Ho’ zeggen mag. Maar doe alsjeblieft niet te moeilijk over die computer, want alle kinderen die nu vijf zijn, worden vanzelf een ‘homo zappiens’. Dat is een mens die ‘spe­lend leert’, omdat hij opgroeit met afstandsbedieningen, beeldscher­men (televisie en computer), i-pods, mp3-spelers en game-boys. Kinderen die nu op de middelbare school zit­ten, lezen bijvoorbeeld al nooit meer een gebruiksaanwijzing of handlei­ding. Deze tieners communiceren 24 uur per dag en switchen moeite­loos van het ene apparaat of beeld­scherm naar het andere. Daarbij ver­liezen ze hun concentratie niet. Wij kunnen ons dat niet voorstellen, maar het lukt deze kinderen hun huiswerk te maken terwijl de televi­sie en i-pod aanstaat. Op de compu­ter hebben ze minstens tien scherm­pjes openstaan. Tijdens het huis­werk gaan ze dan ook nog even smsn’en of een spel spelen’

Tekstgericht of beeldgericht?

Er is nog een belangrijk verschil tus­sen ouderen en jongeren, zegt Veen. Ouderen zijn tekstgericht, jongeren – kleine kinderen zelfs al- beeldge­richt. Als ik een pagina voor ogen krijgen, op papier of op het scherm, begin ik linksboven. Kinderen gaan scannen: ze zoeken naar ‘doorlink­mogelijkheden’, bijvoorbeeld een plaatje dat de betekenis illustreert, of een woord dat vaker terugkomt”. Veen merkt verder onder andere op dat we nog steeds gewend zijn om leerlingen stapje-voor-stapje, aan het handje, op te leiden. Het onderwijs is vaak passief, terwijl zelfs kleine kinderen al gewend zijn om actief te leren. Neem computerspellen; die zijn vaak net iets moeilijker dan wat het kind al kan. Zo wordt het kind uitgedaagd.

Veen is dan ook voorstander van het zogeheten nieuwe leren, dat al op twintig procent van de basis- en middelbare scholen is ingevoerd. Op deze scholen dragen de docenten geen kennis meer over, maar ze begeleiden de leerlingen die ‘echte’ vragen en problemen oplossen”. Wat moeten wij als christenen den­ken van deze nieuwe ontwikkelin­gen die in razensnel tempo zich vol­trekken? Daarover een paar opmer­kingen:

In de eerste plaats zijn deze ontwik­kelingen niet tegen te houden maar hebben we er dagelijks mee te maken. Dus we kunnen niet onre­alistisch onze kop in het zand steken en net doen of er niks aan de hand is. Jongeren en ouderen hebben nu eenmaal te maken met deze veran­deringen, waarbij wij zowel met positieve als negatieve aspecten te maken krijgen.

Positieve inbreng

In de tweede plaats kunnen wij als christenen wel degelijk een positieve inbreng hebben bij het opvoeden en begeleiden van onze kinderen. We zijn immers nieuwe scheppingen in Christus en dat betekent de ’totale doorwerking’ van het nieuwe leven in ons.

Een belangrijk facet daarbij is de door ons geopenbaarde liefde, die zich ook uit in het begrip hebben en openstaan voor alles wat onze kinde­ren bezighoudt. Het oude versje: “Waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen. Daar woont Hijzelf en wordt Zijn heil verkregen”, heeft ook in deze moderne tijd nog niets aan waarde ingeboet. Als wij onze kinde­ren bij het opgroeien met liefde omringen zullen wij bemerken hoe groot onze invloed is en hoeven we niet elk moment met een waarschu­wend vingertje klaar te staan. Ook kinderen en jonge mensen, die nog veelal opgeslokt worden door alles wat de moderne technologie te bieden heeft, zullen gaan ontdekken dat het uiteindelijk gaat om de bele­ving van de hogere waarden van het leven. En die zijn verankerd in de levende God geopenbaard in Jezus Christus. Daarom kunnen we ook bij het opgroeien van onze kinderen met vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien.

Nog geen echte godsdienstvrij­heid in China

In een artikel in Trouw onder de kop “China geeft uit eigen belang ruimte aan christenen” komt de huidige situatie van de christenen in China aan de orde. In dit grootste commu­nistische en atheïstische land van de wereld is er de laatste jaren een flin­ke groei van het aantal christenen. De krant schrijft onder andere: “Vooral de evangelische stroming gaat het goed. Ook zakelijk. Gelovigen kunnen nog wel eens bij een bureaucraat ontboden worden op verdenking van contrarevolutio­naire activiteiten, maar doorgaans hebben ze weinig te vrezen van de Chinese overheid, dank zij voldoen­de eigen inkomen. Dat meldt The Wall Street Journal. Protestant wor­den geeft status en de bekeerlingen investeren in de groei van hun geloofsrichting.

Vooral het aantal protestanten is in een halve eeuw spectaculair toegeno­men. Dat geldt niet alleen volgens opgaven van onafhankelijke bron­nen, maar zelfs als de officiële Chinese statistieken kloppen. De protestantse populatie is de katho­lieke voorbijgestreefd”. Ondanks deze positieve berichten kunnen we echter nog niet spreken van echte godsdienstvrijheid. Dat het huidige regime de groeiende godsdienst nauwelijks onderdrukt komt voornamelijk omdat de wester­se investeringen dan gevaar zouden lopen. Zo probeert de staat bijvoor­beeld te voorkomen dat mensen ille­gale gebedsbijeenkomsten gaan bij­wonen. “Ook heeft hij de faculteiten godsdienstwetenschappen opgelegd meer aan het propageren van atheïs­me te doen – zonder veel succes, want juist de universiteiten zijn broeinesten van bekering. De tegenaanval zit in het overheids­beleid om meer kerken te bouwen. Zo wil China de aanwas onder (niet- erkende) evangelicale en charismati­sche groeperingen remmen en de groei in beheersbare banen leiden. Actief tegenwerken kan contra-productief zijn, want juist de evangeli- schen zijn economisch succesvol”. Behalve China zijn er nog talrijke andere landen waar geen echte vrij­heid van godsdienst is. En in landen waar wel vrijheid is, zien we soms toenemende spanningen ontstaan tussen christenen en niet-christe- nen. Denk aan het grootste moslim­land in deze wereld, Indonesië, waar in sommige delen onlusten ont­staan, dorpen worden afgebrand waarbij doden vallen. Laten we in Nederland en België dankbaar zijn dat we nog in alle vrij­heid ons geloof mogen belijden en beleven, maar ook niet vergeten dat er op verschillende plaatsen in de bijbel gesproken wordt over verdruk­king en vervolging die de werkelijke gelovigen ten deel zullen vallen.

 

Amerika en de born-again christenen

Het valt niet te ontkennen dat Amerika (USA) nog steeds het machtigste land van deze wereld is. Bij de 60-jarige herdenking van het einde van de tweede wereldoorlog, begin mei, dacht vrijwel iedereen terug aan de ondergang van Nazi- Duitsland en besefte dat een belang­rijk aandeel bij de bevrijding van West-Europa door Amerika werd geleverd.

Sinds de oorlog in Irak heeft Amerika echter veel aan sympathie ingeboet. De beslissing van de rege­ring Bush om de dictator Sadam Hussein en zijn kliek aan te pakken heeft veel meer slachtoffers geëist dan was verwacht. In Amerika zelf staat men daar veel minder bij stil en blijft zelfverzekerdheid en patri­ottisme bij velen de boventoon voe­ren.

Een opvallend feit daarbij is dat de republikein Bush mede aan de macht is gekomen door de steun van de ongeveer 40 miljoen ‘born-again (wedergeboren) christenen’, die zich meer aangetrokken voelen tot de Republikeinen dan tot de Democraten.

In een goed gedocumenteerd artikel in De Volkskrant schrijft James Kennedy, hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, daarover een paginagroot artikel. Enkele opmerkelijke feiten komen daarbij aan het licht, zoals dat Europeanen ten onrechte bevreesd zijn voor de^ religiositeit van de Amerikanen, omdat ook born-again christenen met hun tijd meegaan en niet ieder­een over één kam mag worden geschoren.

Kennedy schrijft: “Het is niet zo een­voudig een Amerikaanse born-again christen te omschrijven. Tot deze wedergeborenen behoren zowel leden van de charismatische kerken en pinkstergemeenten die in trance raken en demonen uitdrijven, alsook traditionele fundamentalisten die de bijbel opvatten als letterlijke waar­heid en die de eerste groep beschou­wen als krankzinnig of ketters. Maar liefst een vijfde van de Amerikaans katholieken noemt zich born-again. De meest typerende born-again christen in Amerika is niettemin de evangelische christen, die minder wantrouwen koestert jegens de wereld dan de fundamentalist en die minder is vervuld van de gaven van de Heilige Geest dan de leden van de pinkstergemeenten. In 1970 wist je hoe born-again chris­tenen eruit zagen: mannen en vrou­wen met verzorgd uiterlijk en keurig nette kleding die vonden dat drin­ken, roken, grove taal en dansen tekenen waren van een verdorven aard en dachten dat rock ’n roll een vervloekte import was uit het hei­dense Afrika. Zij kenden hun bijbë^ van kaft tot kaft en ijverden voor het vervullen van hun missionaire opdracht, waarbij zij hun medemen­sen lieten weten dat een keus voor een leven zonder Jezus zou eindigen in de eeuwige martelingen in de hel.

Grote verscheidenheid

Christenen die zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw in Amerika omschrijven als born-again zijn heel andere mensen. Amerikaanse religie is gevoelig voor culturele veranderingen en past zich snel aan. Born-again christenen vor­men daarop geen uitzondering.

Hoewel zij minder snel seks voor het huwelijk hebben dan andere Amerikanen, wijken zij in andere opzichten nauwelijks af – conserva­tieve protestanten scheiden bijvoor­beeld minstens even vaak dan de rest van de bevolking. Dat geldt ook voor hun stijl. Hun omgangsvormen in kleding zijn minder formeel geworden”.

Het artikel gaat verder in op de geloofsbeleving van de huidige christenen in Amerika waarbij Kennedy tot de conclusie komt dat “van de Amerikaanse christenen slechts een klein deel behoort tot de actieve evangelische christenen die iets meer vasthouden aan de juiste geologie en een onberispelijke levensstijl. Amerikaanse christenen zijn wel trouwe kerkgangers, maar dat betekent niet dat zij in hun theo­logie of levenswijze gekarakteriseert kunnen worden als wereldvreemde fundamentalisten”. De verscheidenheid tussen born- again christenen in Amerika roept natuurlijk de vraag op hoe het hier­mee in West-Europa, en speciaal in Nederland en België, is gesteld. Het mag duidelijk zijn dat ook hier grote verschillen bestaan in wat er geleerd en beleefd wordt. De wedergeboren christenen zijn verspreid over aller­lei kerken, kringen en gemeenten. De eenheid is nog ver te zoeken. We schrijven er regelmatig over in ons blad. Persoonlijk zijn wij van mening dat velen in het beginstadi­um van hun geloofsleven zijn blij­ven steken. Soms is men wel zeer actief, maar dat vormt niet altijd een garantie dat men geestelijk groeit van baby tot volwassene in het geloof. Zolang men bovendien het evangelie van het Koninkrijk Gods niet gaat ontdekken en beleven mist men heel veel van de essentie van het geloofsleven. Het loskomen van allerlei leerstellige dogma’s die geen geestelijke en dus ook geen prakti­sche waarde in zich hebben, is daar­bij erg belangrijk, want dan pas kan men de werkelijke vrijheid in Christus ten volle gaan beleven en kan God Zijn doel met ons leven bereiken.

 

 

Het gebod van de liefde door Duurt Sikkens

“Dit is mijn gebod dat jullie elkaar lief­hebben”.

Ik zat altijd een beetje met dat woord ‘gebod’ in mijn maag, want je kan niet iemand bevelen lief te hebben. Het is zo tegenstrijdig. Vandaar dat een zoektocht naar de originele betekenis van dit woord alleszins gerechtvaardigd is. Vanouds hangt dit woord ‘gebod’ samen met ‘gebieden’ en dit weer met het werkwoord ‘bieden’. De betekenis van dit laatste woord is: geven, aanbieden, beloven. En héél ver teruggaande in de woordgeschie­denis is de alleroudste betekenis: ontwaken, weer bijkomen, gewaar­worden. Stuk voor stuk betekenissen om met genoegen intens over door te denken.

De (huidige) betekenis ‘bevel’ is van veel latere tijd. Trouwens dit woord komt van ‘bevelen’ dat eigenlijk ’toe­vertrouwen’)!) betekent. (Denk aan het woord ‘aanbevelen’). Gebod betekent van oorsprong: Bekend maken. (Denk in dit verband eens aan Micha 6 vers 8 (Micha 06:08): “Hij heeft je bekend gemaakt, o mens” en dan volgen die mooie woorden als “goed… integer hande­len en getrouwheid/barmhartig­heid… liefhebben… ootmoedig… wandelen met God”). Dit beseffende is het mooi een paar uitspraken van Jezus, opgeschreven door Johannes, in dit licht te herle­zen:

“Een nieuw ‘gebod’ geef Ik jullie: dat je elkaar liefhebt” en ook “Wie Mijn ‘geboden’ heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft”. Met andere woorden: Je ontwaakt, je komt weer bij, je wordt weer mens, een kind van God, opgewekt uit de doden en opnieuw geboren. En je merkt hoe genezend dit aanbod, deze gift van God voor je is. En verder: “Ik heb jullie vrienden genoemd, omdat Ik alles wat Ik van mijn Vader gehoord heb, jullie hebt bekend gemaakt”. En van lieverlee maken ook wij de liefde van God bekend zodat de mensen weer kunnen bijkomen en zich bewust worden wie zij eigenlijk zijn in Gods ogen. Trouwens, ook wel aardig om te weten, weet je wat ‘lieverlee’ letter­lijk betekent? “Met een lieve, aange­name, zachte gang”. En laat dat nou het ‘ootmoedig wandelen met God’ inhouden.

Zo kun je ook wandelen met elkaar. Dus, laten we maar rustig onze gang gaan in het tempo van een goede herder. Wandelen in Zijn liefde voor de schepping.

 

Het geestelijk slagveld door Wim te Dorsthorst

Dat de ontwikkeling van ‘vernieu­wing van denken’ vaak zo moeizaam verloopt, komt omdat er een geestelij­ke strijd gevoerd wordt, juist in het denken. Daar wil ik deze keer iets over schrijven, aansluitend op het artikel: ‘Denken dat van boven is’ in ons vorige nummer,

Geestelijke bewustwording

Enkele jaren geleden stond er een artikeltje in het ‘Nederlands Dagblad’ naar aanleiding van de lei­ders-conferentie in ‘de Bron’ te Dalfsen. Daar werd gesproken over de geestelijke strijd die zich afspeelt tussen de oren, in het denken dus, en dat werd genoemd: “Tussen je oren is het een geestelijk slagveld”. Dit jaar (2005) werd in Helvoirt (Brabant) een paasconferentie gehouden waar zo’n 225 vrijgemaakt-gereformeerde studenten zich bogen over het onderwerp: “Geestelijke strijd: hard tegen hard”! Dr. M.J. Paul gaf dit onderricht en zijn conclusie was: “De nieuw-testamentische confrontatie tussen Jezus en de demonische machten, zal de komende tijd in alle hevigheid los­barsten in onze maatschappij”. Hij merkte verder op dat vooral op het gebied van het occultisme veel gaande is. Een groot deel van boe­ken en films gaat over een esoteri­sche werkelijkheid. Toverkrachten en magie staan niet alleen tijdens de komende kinderboekenweek (najaar 2005) centraal, maar bepalen steeds meer het leven van mensen in onze cultuur.

Zo zien we dat er allerwegen steeds meer bewustwording komt van een gigantische strijd die zich afspeelt in de geestelijke wereld. Er is een gro­tere activiteit in het rijk der duister­nis dan ooit tevoren. De duivel weet dat hij maar weinig tijd meer heeft! De mens in de wereld wordt steeds

meer bestookt in z’n denken om alles wat nog over is aan respect en eerbied voor goddelijke wetten en ordeningen uit te wissen, en zo de weg te banen voor de antichrist. Ik geloof dat dat helaas ook geldt voor een groot deel van het traditionele christendom. De tegenwoordige christenheid, de kerken, laten zich de mond snoeren door de wereld en nemen veel van de zondigheid van de wereld over. Daarom haat de wereld die christenheid niet. Zij zijn teveel vermengd met de wereld.

De verkeerde bron

Gods Woord laat zien dat al vanaf de zondeval de mens niet meer verbon­den is met de goddelijke bron die het denken en begeren zou moeten bepalen.

Efeze 2 vers 1 tot en met 3 (Ef. 02:01-03) leert dat “de mensheid geestelijk dood is door overtredingen en zonden en wandèlt overeenkomstig de overste van de macht der lucht (de duivel), van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid. En dat geldt voor alle niet wedergeboren mensen, Joden zowel als heidenen. Allen leven nog in die toestand waarvan de apostel zegt: ze leven nog in de begeerten van het vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten”. Hieruit zien we dat de duivel, vanaf de zondeval, zich genesteld heeft in het denken van de mens. Hij mis­bruikt het prachtige vermogen van de mens om te kunnen denken, te overleggen en te redeneren en hij beïnvloedt dat.

In 2 Korinthe 10 vers 3 tot en met 5 (2 Kor. 10:03-05) laat de apostel zien wat de gevolgen hiervan zijn. Hij schrijft: “Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wape­nen van onze veldtocht zijn niet vle­selijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus”. Dat is wat het rijk der duisternis heeft aangericht, en nog steeds aanbrengt, in het denken van mensen. Bolwerken, schansen, redeneringen en bedenksels!!

In 2 Korinthe 4 vers 4 (2 Kor. 04:04) stelt de apos­tel nog, “dat de overleggingen van de mensen door de god van deze eeuw (de duivel) met blindheid zijn geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is”.

Zo zijn er nog wel meer bijbelplaat­sen te noemen, maar als we deze uitspraken van de apostel in gedach­ten houden, dan zien we hoe groot de invloed van de duivel en z’n rijk is op het denken van de mensheid. In het denken is de ontmoeting van hemel en aarde. Vanuit de hemel van God en Jezus wordt de gelovige door de heilige Geest gestuurd in de waarheid en het bedenken van de dingen die boven zijn. Vanuit de aarde en het rijk der duisternis, de duivel met zijn boze geesten, wordt steeds geprobeerd de gelovige daar van af te trekken met leugen en mis­leiding en op aarde bezig te laten zijn.

De put van de afgrond

Nu we echter leven in ‘het laatst der dagen’, of’de eindtijd’, zien we dat de wereld steeds meer meegevoerd wordt en overheerst wordt door boze

geesten. Dat geldt alle levensterrei­nen, maar bijzonder op het gebied van het occulte. In Openbaring 9 vers 1 en 2 (Openb. 09:01-02) wordt gesproken van de put van de afgrond die geopend wordt in het laatst der dagen en de demonische machten stijgen als rook op uit de put, als rook van een grote oven, en al het zicht op God (‘de zon’) wordt daardoor verduis­terd.

De profeet Joël schildert deze aanval als een sprinkhanen-plaag en zegt: “Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft de verslinder afgevreten; en wat de verslinder had overgelaten, heeft de kaalvreter afgevreten” Joël 1 vers 4 (Joël 01:04). De profeet Joël beschreef hiermee de toestand van het Joodse volk, maar dat kunnen we nu in de eindtijd zien als de toestand in het wereld­wijde christendom, in al z’n deno­minaties, en ook in de wereld.

Zonder vlek of rimpel

In deze wereld, waar voortdurend normen en waarden vervagen onder invloed van de ontwikkelingen in het rijk der duisternis, moet de gemeente van Jezus Christus tot volle wasdom komen! Duidelijk spreekt Gods Woord daar over. Zo zegt 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 (1 Thess. 05:23): “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn”

In Efeze 5 vers 26 en 27 (Ef. 05:26-27) lezen we dat de Heer Jezus bezig is met de gemeente; “om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stra­lend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet”.

Geweldige woorden die de belofte inhouden dat de volmaakte gemeen­te van Jezus Christus er gaat komen!

Twee processen zijn dus werkzaam in deze tijd. Enerzijds de gemeente van Jezus Christus die tot volle was­dom zal komen en anderzijds het rijk der duisternis waarvan de volle vrucht zal zijn de mens der wette­loosheid, de antichrist.

De haat van de duivel

De hele ontwikkeling die we in deze tijd meemaken heeft vanuit het rijk van de duisternis maar één doel en dat is: voorkomen dat de gemeente tot volheid komt, dat de zonen Gods geopenbaard gaan worden. De profeet Daniël mag de hele ont­wikkeling in het rijk der duisternis zien in dromen en visioenen en de strijd die daarmee gepaard gaat. Het laatste koninkrijk, dat van de anti­christ, is heel specifiek gericht tegen de gemeente van Jezus Christus. In Daniel 7 vers 25 (Dan. 07:25) lezen we dan: “Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tij­den en een halve tijd”. Die woorden liegen er niet om; daar spreekt een diepe haat uit tegen de gemeente van Jezus Christus! Hij zal een klimaat scheppen op aarde door alles wat nog richting gaf aan het leven te veranderen, waarin de waarachtig wedergeboren gelovigen, die daar niet in mee kunnen gaan, worden gehaat.

Wee de aarde en de zee

Het wordt dus voor alle mensen op aarde, maar in het bijzonder voor de gemeente, een hele zware tijd. Aan de ontwikkeling van de gemeente ziet de duivel dat hij maar weinig tijd meer heeft! Openbaring 12 vers 12 (Openb. 12:12) zegt dan ook: “Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daar­in wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft”.

De waarachtig wedergeboren kinde­ren Gods hebben hun domicilie in de hemel Efeze 2 vers 5 en 6 (Ef. 02:05-06). ‘De aarde’ is het natuurlijke leven van de mensen en ‘de zee’ is het religieuze/geestelijke leven van de mensen. In grote grimmigheid voert hij een niets ontziende, keiharde strijd om het leefklimaat voor de gelovigen onmogelijk te maken, om de gemeente zó te beïnvloeden in het denken, dat het doel wat God voor ogen staat verijdeld zou worden.

De grote verleider

De Bijbel leert dat hij de grote verlei­der is die alle mensen verleidt en op dwaalwegen tracht te sturen Openbaring 12 vers 9 (Openb. 12:09).

De Heer Jezus zegt: “hij is de vader der leugen en er is in hem geen waarheid. Hij is de mensen-moorde- naar vanaf het begin en staat niet in de waarheid” Johannes 8 vers 44 (Joh. 08:44). In het paradijs zien we deze tactiek van de vader van de leugen al wer­ken. Hij dringt bij Eva binnen met leugenachtige voorspiegelingen, waarbij hij het laat klinken alsof God dat heeft gezegd Genesis 3 vers 1 tot en met 6 (Gen. 03:01-06). En wat is het resultaat? Eva ‘zag’ dat de boom een lust was voor de ogen en ‘begeerlijk’ was!! Dit is het grote gevaar waar ieder kind van God mee te maken krijgt. Hij zal altijd proberen het op God gerichte denken, wat functioneert door het geloof, om te buigen naar de aarde, naar wat voor ogen is. Daarvoor gebruikt hij mensen en doet hij zich door die mensen, voor als een engel des lichts 2 Korinthe 11 vers 13 tot en met 15 (2 Kor. 11:13-15), of als een roofgierige wolf in schapenvacht Matteüs 7 vers 15 (Matt. 07:15). De Heer Jezus waarschuwt dat juist in deze tijd velen zullen komen die zich uitgeven voor profeten en voor leraren en voor Christussen (gezalf­den).

De Heer zegt verder dat zij grote tekenen en wonderen zullen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verlei­den Matteüs 24 vers 5 en Matteüs 24 vers 23 en 24 (Matt. 24:05 en Matt. 24:23-24).

De apostel Johannes schrijft dan ook, niet iedere geest te vertrouwen, maar zegt hij: “beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitge­gaan” 1 Johannes 4 vers 1 (1 Joh. 04:01).

Wie oplettend is, ziet dat al veel van waar het woord van spreekt, in deze tijd in werking is.

Als je op de advertenties let in chris­telijke bladen dan dienen zich heel wat profeten, leraren en gezalfden aan. (Hierbij de goede natuurlijk niet te na gesproken!) Regelmatig is er een nieuwe hype waar het volk van God weer mee bezig gehouden wordt.

Zware tijden en afval

In ‘profetische woorden’ worden regelmatig grote opwekkingen aan­gekondigd, ook voor Nederland, ter­wijl Gods Woord duidelijk spreekt van zware tijden en afval, vóór de Heer Jezus terug komt bijv. 2 Thessalonicenzen 2 vers 1 tot en met 4 (2 Thess. 02:01-04).

Wie de eindtijd-redenen van de Heer Jezus leest, zal toch zelf overtuigd worden dat het geen tijd van grote opwekkingen zal zijn. De Heer spreekt van “een grote verdrukking, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal” Matteüs 24 vers 21 (Matt. 24:21).

Dat alle werken van de satan juist tegen de gemeente gericht zijn, blijkt ook uit de uitspraak van de Heer: “Indien die dagen niet inge­kort werden, zou geen vlees behou­den worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen wor­den ingekort” Matteüs 24 vers 22 (Matt. 24:22).

Het Woord der waarheid

Zo zal de druk op de gemeente alleen maar toenemen naarmate de eindtijd vordert. Wat we al vele jaren zien is, dat het geloof in de Bijbel als het Woord van God ter discussie wordt gesteld. Grote theologen in Nederland leveren daar een groot aandeel in! Zodra men de Bijbel niet meer accepteert als het Woord van God, de boom des levens, is het gevaar groot je te voeden vanuit de kennis, het verstand dus, waarmee je de Bijbel denkt te kunnen indelen naar wat jij goed vindt en wat jij afwijst.

Dat is een truc van de duivel en z’n rijk om zo de gelovigen los te weken van de waarheid van Gods Woord en van het werk van de heilige Geest. Daar is hij al mee bezig sinds de tijd van de verlichting! Maar God heeft in Zijn wijsheid en genade het Woord der waarheid, de Bijbel gegeven en de Geest der waar­heid waardoor gelovigen krachtig en sterk kunnen staan tegen de verlei­dingen van de duivel. Gelukkig getuigt het Woord van zichzelf: van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust” 2 Timoteüs 3 vers 16 en 17 (2 Tim. 03:16-17).

Liefde tot de waarheid

Het zou te ver voeren om alles op te noemen wat we nu allemaal al in werking zien in gemeenten. Is het dan toch mogelijk staande te blijven in deze en de komende tijd? Het antwoord is ja!! Als Paulus de schrikwekkende situatie schildert bij de openbaring de mens der wetteloosheid, de anti­christ, dan geeft hij aan het eind ook de gouden regel. Hij zegt: “Er zijn er die verloren gaan, maar als je de lief­de tot de waarheid aanvaard, dan zul je daardoor behouden worden” 2 Thessalonicenzen 2 vers 10 (2 Thess. 02:10). Dat is het geheim, zegt Paulus, om door die tijd van verlei­ding en misleiding heen te komen, aanvaard de liefde tot de waarheid.

Vóór dat de apostel in Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) spreekt van vernieuwen van denken heeft hij in vers 1 daarvoor de voorwaarde gegeven als hij schrijft: “Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst”.

Alleen in die volledige overgave kan de werkelijke vernieuwing van het denken plaatsvinden; het denken en bedenken van dat wat boven is. Daar zal het voor de christen steeds meer op aan gaan komen. Niet bedenken wat op de aarde is maar bedenken wat boven is. “Indien gij dan met Christus opge­wekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijk­heid” Kolossenzen 3 vers 1 tot en met 4 (Kol. 03:01-04).

 

 

 

Een huis voor God bouwen door Roel Schipper

 

“Door wijsheid wordt een huis gebouwd” Spreuken 24 vers 3a (Spr. 24:03a).

Toen Salomo het koningschap van zijn vader had overgenomen, besefte hij hoe moeilijk het was, leiding te geven aan een volk dat vaak onge­hoorzaam was aan God. Daarom besloot hij, samen met zijn medebe­stuurders, de Heer te raadplegen 2 Timoteüs 1 vers 5b (2 Tim. 01:05b). Hij vroeg de Heer om wijsheid, om zijn taak te kunnen volbrengen. Wat was die taak?

Hij moest het leger aanvoeren in oorlogstijd.

De koning moest er voor zorgen, dat de wetten en verordeningen die door God waren ingesteld, werden uitgevoerd.

Hij was opperste rechter. Overtreders van de wetten stond berechting en veroordeling te wachten.

Koning bij Gods gratie De rechtspraak was Godes Deuteronomium 1 vers 17 en 2 Kronieken 19 vers 6 (Deut. 01:17 en 2 Kron. 19:06). Salomo wist heel goed dat hij het koning­schap namens God uitoefende. Nu was de tijd van Salomo een tijd van vrede. De bede om wijsheid was dus niet in eerste instantie bedoeld om het leger goed te kunnen aanvoeren. Zijn hart was er op gericht, recht en gerechtigheid te bewerken. Hij verlangde deel te hebben aan de beloften die de Heer aan zijn vader David had gegeven. Hij realiseerde zich dat de vervulling van die belof­ten alleen mogelijk was, indien hij en zijn onderdanen aandachtig zou­den luisteren naar de stem van de Heer. Daarin wilde hij het volk ten voorbeeld zijn. Deze instelling van Salomo was de Heer zeer welgeval­lig. Zijn gebed wordt verhoord. Salomo gaat aan zijn belangrijkste opdracht beginnen: de bouw van een huis voor de Heer. Hij wordt hierin bijgestaan door bekwame mensen. Duizenden mensen werken jaren­lang aan dit bouwwerk. De koning geeft nauwgezet zijn aanwijzingen. Hij is als het ware de mond en de hand van God! 2 Kronieken 6 vers 15 (2 Kron. 06:15). Tenslotte kan de heerlijkheid van de Heer het hele huis vervullen. De bede om wijsheid heeft dus uitein­delijk een geweldige uitwerking. Bouwen als een wijze koning Wat heeft deze geschiedenis ons te zeggen? Welke geestelijke betekenis kunnen wij er aan ontlenen? Wij zijn door de Heer gerechtvaardigd. Wij worden door God geroepen tot het koningschap Openbaring 5 vers 10 (Openb. 05:10). Dit houdt in dat ook onze levenstaak zal moeten zijn een huis Gods te bou­wen. In de eerste plaats zal dat huis in ons gereed moeten komen. Samen mogen we bouwen aan het huis dat we gemeente noemen. In Jezus Christus zijn alle schatten van wijsheid en kennis verborgen. Als we intens verlangen gestalte te geven aan een huis voor de Heer, zal Hij ons vervullen met wijsheid en kennis – kwaliteiten die voor de bouw onontbeerlijk zijn. De boze probeert de tempelbouw te stagne­ren. Op sluwe wijze tracht hij ons een vertekend beeld te geven van het goddelijke (bouw)plan. Zullen we niet nalaten de Heer voortdurend te raadplegen? 

 

Loskomen van het verleden door Peter Koumans

“Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlossing hebben de vergeving der zonden” Kolossenzen 1 vers 13 en 14 (Kol. 01:13-14).

We zijn onlangs verhuisd. Bij de drie vorige verhuizingen gingen we steeds groter wonen. Daardoor was voor ons geen probleem wat wij wel of niet zouden meenemen. Het nieuwe huis was steeds zoveel groter dat alles met gemak mee kon. Maar nu zijn we in een appartement gaan wonen, dat weinig bergruimte heeft en geen garage. Daardoor moesten we gaan opruimen. En toen kwamen we voor de keuze: wat wel en wat niet mee zou gaan. Dat is soms wel moeilijk. Maar we voelen ons bevoorrecht dat we dit appartement hebben kunnen huren en ervaren het als een geschenk van God.

Verhuizingen vergelijken

Onze verhuizing doet mij aan twee andere verhuizingen denken waar­aan ruime aandacht wordt gegeven in de bijbel: de uittocht van de Israëlieten uit Egypte en de geestelij­ke verhuizing, die plaats vindt na onze bekering bij onze weder­geboorte.

Loskomen van het verleden

De tocht van de Israëlieten naar het beloofde land was duidelijk een ver­huizing. Maar kun je hetgeen na onze bekering gebeurde ook als een soort verhuizing beschouwen? Waar waren wij vóór onze bekering? De bijbel stelt dat wij allen hadden gezondigd. We werden in ons doen en laten min of meer beïnvloed door de boze. We waren in de macht van de duisternis. We leefden niet zoals God dat bedoelde. We gingen onze eigen weg. De één een keurige weg, de ander een min­der fraaie weg, maar allen zonder God. De kern van het evangelie van het Koninkrijk van God staat in Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16): “Want alzo lief had God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeu­wig leven hebbe”.

Dat is de geweldige genade, die God geeft aan zondaren: Vergeving van zonden, zomaar voor niets. Geen enkele tegenprestatie wordt gevraagd, alleen in geloof aanvaar­den dat Jezus de prijs was, die betaald werd voor onze zonden. De bijbeltekst aan het begin spreekt over de verlossing uit de macht die ons steeds tot zondigen dwong. De letterlijke vertaling Grieks-Engels zegt het zó: “Die ons heeft verlost . van de macht van de duisternis er overgezet in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, in Wie wij heb­ben de loskoping door Zijn bloed; de vergeving van zonden”. We zijn van eigenaar veranderd en we zijn overgeplaatst naar Zijn Koninkrijk.

Deze verhuizing houdt veel in. We zijn niet alleen verplaatst, we zijn ook inwendig veranderd. We waren eerst mensen verbonden met deze aarde, nu zijn we vreemdelingen en bijwoners geworden, zoals Hebreeën 11 vers 13 (Heb. 11:13) zegt. We waren eerst vreemdelingen van God, nu zijn we medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God Efeze 2 vers 19 (Ef. 02:19).

Wij zijn vreemdelingen op aarde geworden omdat deze nog steeds bezet is door de boze. Maar al zijn we vreemdelingen, we hebben een taak op deze aarde: de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus. We zijn de pioniers van de nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal zijn onder leiding van Jezus Christus. Het is duidelijk dat die geestelijke verhuizing geweldige gevolgen voor ons had. De vraag die we zouden kunnen stellen is: wat hebben we meegenomen bij onze verhuizing? Of anders gezegd: wat hadden we vóór onze bekering dat we nog steeds hebben?

Verhuizing van Israël

Laten we nu eens gaan kijken naar die grote verhuizing van een heel volk. De trektocht van de Israëlieten uit Egypte wordt dikwijls gebruikt als beeld van wat gebeurde bij onze bekering en wedergeboorte. Ook zij gingen vanuit de macht van hun vij­anden naar het door God beloofde land.

Wat zij daarbij meemaakten is opge­schreven opdat wij er van zouden leren en niet in dezelfde fouten zou­den vallen 1 Korinthe 10 vers 11 (1 Kor. 10:11). Ze trokken door de drooggevallen Rode Zee. Toen hun achtervolgers dat ook probeerden, stroomde de zee terug en zij verdronken allen. Toen konden zij juichen. Hun vijanden waren er niet meer, zij waren vrij. Ze zongen het lied van Mozes en dansten van vreugde. Wat hadden zij meegenomen uit Egypte?

het kleinvee en de runderen Exodus 12 vers 32 (Ex. 12:32).

ongezuurd deeg en baktroggen Exodus 12 vers 34 (Ex. 12:34).

zilveren en gouden voorwerpen Exodus 11 vers 2 en Exodus 12 vers 35 (Ex. 11:02 en Ex. 12:35).

klederen Exodus 12 vers 35 en 36 (Ex. 12:35-36). Deze voorwerpen en de kleren kregen ze van de Egyptenaren, die maar wat blij waren dat ze nu eindelijk weg zouden gaan.

Wat namen ze nog meer mee? – iets onzichtbaars: hun herinnerin­gen, hun verleden. Wat deden ze met die meegenomen spullen?

Met het deeg was het gauw afgelo­pen. Na 2,5 maand was alles op. Maar niet alleen hun deeg was op, ook hun geloof viel weg, hun ver­trouwen in God was er niet meer. Toen haalden ze hun herinneringen op en die waren erg verkleurd.

Het gevaar is altijd dat je de dingen uit het verleden mooier voorstelt dan dat ze waren. Men spreekt niet voor niets over “die goede oude tijd”. Ze dachten niet meer met afschuw aan de ellende, die ze hadden gehad. Ze vergaten de slavernij, het zwoe­gen, de stokslagen, het verdrinken van hun pasgeboren jongetjes in de Nijl.

Nee, ze zeiden: “Och dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten” Exodus 16 vers 3a (Ex. 16:03a). Het bleef helaas niet bij die ene keer. Een aantal malen wenste het volk zich terug in Egypte Numeri 11 vers 4 en 5 en Numeri 21 vers 5 en 6 (Num. 11:04-05 en Num. 21:05-06).

Van de zilveren en gouden voorwerpen werd een inzame­ling gehouden voor de bouw van de tabernakel Exodus 35 vers 4 tot en met 9 (Ex. 35:04-09). Ieder was vrij om te geven. Het volk gaf toen zelfs meer dan nodig was. Dat gold ook voor de kleding, die werd ook voor de tabernakel bestemd. Voor eigen kleding had men niets nodig. Waarom niet? Het antwoord staat in Deuteronomium 29 vers 5 (Deut. 29:05): “Veertig jaar liet Ik u door de woestijn trekken; de klederen die gij droegt, zijn niet versleten even­min als het schoeisel aan uw voe­ten”.

Van het kleinvee en runderen werd een deel (het beste deel!) gebruikt als offer voor de Heer. Soms als dankoffer, soms als zond­offer. Maar materiële zaken kunnen ook verkeerd worden gebruikt. Zo werd goud gegeven om er een afgodsbeeld van te maken: het gou­den kalf Exodus 32 vers 1 tot en met 35 (Ex. 32:01-35), waaraan zij brand-offers en vrede-offers brach­ten. Mozes moest zichzelf ten offer aanbieden bij God om de toorn te laten voorbijgaan. Hierin is Mozes een beeld van Jezus. Het gouden kalf werd vernield, ver­malen en op water gestrooid. En dat moesten ze opdrinken! Exodus 32 vers 20 (Ex. 32:20). Dit goud zou nooit meer als iets voor de Heer kunnen dienen.

Onze geestelijke verhuizing

Nu gaan we terug naar onze geeste­lijke verhuizing. Wat hebben wij meegenomen en wat doen we ermee? Misschien zegt u: “Ik heb niets meegenomen. Alles wat ik had was waardeloos voor God. Uit gena­de nam Hij mij aan. Alleen het nieu­we leven in mij is kostbaar voor Hem”.

Dat is een prachtig geestelijk stand­punt. Maar we zijn niet alleen geest, maar ook ziel en lichaam. Jezus heeft ons helemaal betaald. We zijn helemaal Zijn eigendom geworden, daartoe behoren onze goede eigen­schappen, maar ook de minder goede eigenschappen. Ja, alles wat bij ons hoort, geestelijk en lichame­lijk. Het zou zo geweldig zijn, als alles wat is geweest, werd vergeten en niet meer meetelde. Helemaal opnieuw beginnen lijkt wel aantrek­kelijk. Als U die kans kreeg, hoe zou U dat dan willen doen? Zou U een andere man of vrouw trouwen? Een ander beroep kiezen? Een andere studie beginnen? Dat is geen nieuwe gedachte. In Paulus tijd waren er die zo dachten en zo handelden. Er waren mensen, die na hun bekering niet meer werk­ten. Paulus had met zulke mensen geen medelijden. Hij stelt in 2 Thessalonicenzen 3 vers 10 tot en met 12 (2 Thess. 03:10-12): “Want ook toen wij bij u waren, bevalen wij u dit: Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten.

We horen namelijk dat sommigen onder u zich ongeregeld gedragen, door geen werk te verrichten, maar bezig te zijn met wat geen werk is”. Paulus heeft het hier niet over men­sen, die onvrijwillig werkeloos zijn, maar over mensen, die profiteren van de goedheid van mede-broeders en zusters.

Hetzelfde geldt als je ontevreden bent over de baan die je hebt. Paulus stelt zelfs dat als je een slaaf bent, je daarover geen zorgen hoeft te maken. Hij is van mening dat een slaaf een vrijgelatene van de Heer is en dat evenzo een vrije een slaaf van de Heer is 1 Korinthe 7 vers 21 (1 Kor. 07:21). “Broeders, iedereen blijve voor God in de toestand, waarin hij werd geroepen. Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van”. Dat betekent dus dat je best mag proberen een andere baan te zoeken, vooral als je het gevoel hebt dat de huidige baan niet naar de wil van God is. Maar we hoeven niet te ver­wachten dat alle omstandigheden, die wij minder leuk vinden, wel even door de Heer worden verbeterd. Soms beschouwen we het evangelie teveel als een boodschap waarin de Heer voor ons zorgt als een soort sinterklaas of kerstman. Als je maar gelooft, krijg je wat je hartje begeert. Maar zó is het niet. Door Jezus als Heiland en Verlosser aan te nemen accepteer je Hem als Heer in je leven. Hij heeft het voortaan voor het zeggen!

Ons verleden ging mee

Onze situatie, onze materiële dingen nemen we mee na onze bekering. Maar net als de Israëlieten nemen we ook onze herinneringen en ons verleden mee. Dat zijn de leuke, de fijne, de goede herinneringen, maar ook die minder leuk zijn. De Heer neemt die niet weg. Hij zegt niet: Vergeet ze, maar Hij spreekt over vergeving van degenen, die ons hebben gekwetst. Misschien zegt u: “Dat is te moeilijk, dat kan ik niet. Ik wil er niet meer aan denken, ik verberg het”. En mis­schien denkt u dat je er ook niet aan mag denken. In Lucas 9 vers 62 (Luc. 09:62) staat immers: “Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God”. Het gaat hier echter niet om dingen, die je verlangend doen terugkijken, maar om dingen, die het voortgaan met God juist willen belemmeren. En dat deed Jezus bij de mensen, die gelovig bij Hem kwamen: hen in de vrijheid stellen. Losmaken van het­geen hen belemmerde. Dat kon een ziekte zijn, maar ook een gebonden­heid aan boze geesten. Onze herinneringen aan wat vroeger is gebeurd mogen ons niet hinderen in het gaan op de weg met God. Als we ze proberen te verdringen zal die kwalijke herinnering ons vroeg of laat beïnvloeden in wat we doen of spreken. Het kan ons argwanend maken ten opzichte van anderen. Het kan angst geven om opnieuw te worden teleurgesteld. Het kan je remmen om je open te stellen naar anderen.

Je moet niet geloven dat de tijd die geestelijke wonden gaat herstellen. Het lijkt wel het tegendeel. De nare oorlogservaringen spelen nog steeds een rol, en zelfs een grotere rol dan zeventig jaar terug. Men is nog steeds bezig om geldelijke genoeg­doening te verkrijgen voor het leed dat men heeft ondervonden. Uit ervaring weet ik dat als je ouder wordt je vaker terugdenkt aan je jeugd. Het is belangrijk dat nare hi inneringen zijn verwerkt, zodat je er zonder boosheid over kan spreken en denken.

De hulp van de Heer

En dat kan niet zonder de hulp van de Heer. Hij is nabij ons en wil ons de kracht geven om klaar te komen met dat verleden. Wij zullen onze wil en ons geloof hierbij in werking moeten stellen. Het is immers het verlangen van de Heer om de gees­telijke wonden te herstellen. Daartoe verandert Hij niet in de eer­ste plaats de omstandigheden, maar gaat ons er boven brengen. Hij stelt ons in de ruimte Psalm 118 vers 5 (Ps. 118:005)

“Uit de benauwdheid heb ik tot de Heer geroepen, de Here heeft mij geantwoord en mij in de ruimte gesteld”).

Hij plaatst ons op een rots Psalm 27 vers 5 en 6 (Ps. 027:005-006), zodat wij kunnen neerzien op onze vijanden (de boze machten, die verantwoordelijk zijn voor onze toe­stand!). Hij maakt ons nieuw in ons denken, zodat we de dingen van boven kunnen bedenken.

Het verleden van Paulus

Paulus had een verleden met goede en slechte dingen. Tot de slechte behoorde dat hij Gods gemeente fel had vervolgd. Hij had meegedaan bij de steniging van Stephanus. Hij had dat deel van zijn verleden vergeten. Het maakte juist dat hij zich sterk bewust was van de geweldige genade van de Heer, die hem alles had vergeven en hem gebruikte in de verkondiging van de boodschap. Hij werd daardoor gedreven om met nog meer toewij­ding en inspanning de Heer te dienen. Voor hem gold wat Jezus zei over de zondares, die Hem zalfde met kostbare olie: “Haar zonden zijn vergeven, al waren zij vele, want zij betoont veel liefde; maar wien wei­nig vergeven wordt, die betoont wei­nig liefde” Lucas 7 vers 47 (Luc. 07:47). Maar Paulus had ook een goed stuk verleden. Hij was onberispelijk vol­gens de wet geweest. Hij was een ijveraar voor God.

Toch zegt hij in Filippenzen 3 vers 7 (Filip. 03:07): “Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, Mijn Heer, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijs gegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen”. Paulus wil alleen gerechtigheid door geloof en niet door het eigen meege­brachte verleden.

Ik heb al even aangeduid dat herin­neringen aan nare situaties kunnen remmen in het dienen van de Heer. De Heer wil die gaan ombuigen zodat wij er door gestimuleerd wor­den. Vaak kunnen we dan pas ande­ren goed helpen in het oplossen van hun problemen.

Maar ook bij ons kunnen dingen die vroeger goed waren ons remmen bij het dienen van de Heer. Zo ken ik wel mensen, die vroeger actief

waren in de kerk waarin zij toen waren. Later werden ze lid van een volle-evangelie gemeente. Toen daar problemen kwamen, moeilijkheden ontstonden en strijd kwam, was het o zo voor de hand liggend om weer terug te gaan naar die oude kerk, waar ze vroeger waren. Daar was het rustig, geen strijd, geen moeilijkhe­den. Daar waren de mensen alle­maal aardig. Herkent u de Israëlieten met hun vleespotten in Egypte? En zo gingen ze. We zullen helemaal los moeten komen van dat verleden. De Heer wil er wat goeds meedoen, zodat we meer tot een zegen voor anderen kunnen zijn. We leven nu in Gods Koninkrijk en willen zo worden als Hij wil. Kolossenzen 3 vers 1 tot en met 4 (Kol. 03:01-04) zegt: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestor­ven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult gij ook met Hem verschijnen in heerlijkheid”.

 

 

 

Vertellen door Yvonne Sulman

 

Vertellen: ik vertel, jij vertelt, wij vertellen…

Getuigen: ik getuig, jij getuigt, wij getuigen…

Verkondigen: ik verkondig, jij verkondigt, wij verkondigen… Luisteren: ik luister, jij luistert, wij luisteren….

Vertellen, verkondigen, getuigen, luisteren. Woorden waar wij niet omheen kunnen gaan. Deze werk­woorden zeggen iets over onze instelling wanneer wij boodschap­pen doorgeven aan onze medechris­tenen. Niet alleen de mensen uit onze gemeente, maar denk ook eens aan je collega’s, buren, vrienden, kennissen, familie, onbekenden. In onze gesprekken vertellen wij, en wij luisteren wanneer de ander ons iets vertelt. Op de huiskring, jeugdavond of in de gemeente kunnen wij getuigen van de dingen die wij met de Heer hebben beleefd. Wanneer wij een boodschap, een woord, een studie of onderwerp voorbereiden en dat delen in de gemeente dan verkondigen wij het evangelie, een boodschap van God. Vertellen, getuigen, verkondigen. Allemaal dingen die wij spreken. Maar het doel van onze boodschap­pen kan alleen bereikt worden wan­neer er iemand is die luistert, die wil luisteren. Iemand die zijn oren geo­pend heeft en zijn hart geopend heeft voor wat ik vertel, wat jij vertelt of wat wij vertellen.

 

Notities die om aandacht vragen door Gert Jan Doornink

Velen kennen de opmerking van Paulus dat Gods kracht in onze zwakheid wordt volbracht. Paulus geeft hiermee aan dat Gods kracht altijd en onder alle omstandigheden noodzakelijk is, willen wij kunnen functioneren naar Gods bedoeling. Zonder Gods positieve kracht, zijn we overgeleverd aan de negatieve kracht van het rijk der duisternis. Dan zijn we zwak en niet in staat om God welgevallig te zijn. Door Zijn kracht in ons (Zijn Geest) gaat echter alles ver­anderen. Dan worden wij van zwakke mensen sterke mensen! Mensen die evenals Paulus kunnen zeggen én beleven: “Ik vermag alle dingen in Christus die mij kracht geeft”.NZE ZWAKHEI

Zonnig weer, maar ook schaapjeswolken… door Tea keuper Dijk

Net één grote kudde, die aan de zon voorbijtrekt, maar waar het warme zonlicht doorheen schijnt. Een kudde, die doorzichtig is, licht doorlaat… Het doet me denken aan jezus’ woor­den: “Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlij­ken”.

Jezus kwam op de aarde om de werken te doen, die Hij zijn Vader zag doen. Hij zegt in Johannes 9 vers 4 (Joh. 09:04), dat wij dat ook moe­ten doen. “Er komt een nacht, waarin niemand werken kan”, zegt Jezus ook en dan: “Zolang ik in de wereld ben, ben IK het Licht der wereld” en toen Hij terugging naar zijn Vader, liet Hij zijn kudde niet als wezen achter. Zij verwachtten de Trooster, de heilige Geest en namen de tijd om vurig te bidden om Zijn komst. En de heilige Geest kwam! De kleine kudde discipelen, (leerlingen), ontvingen het beloofde en werden doorzichtige schijnende lampen, die het evangelie brachten aan vele, vele mensen! Door hun prediking en hun vervolgingen(i) brachten zij de blijde geweldige boodschap in Christus, ook in Europa. En – het Licht verspreidde zich en kwam en komt in geopende mensenharten, verlangende mensenlevens, door alle tijden heen, ook in Nederland en België.

Het goede leven

– ‘Niet wij moeten maar van alles organiseren, maar God is met de gemeente aan het werk via de heilige Geest. Het gaat erom dat we de Geest meer ruimte durven geven’. Aldus de uitspraak van een predikant uit een protestantse wijkgemeente, geciteerd in ‘Het goede leven’.

Cees Maliepaard kort

Het verdient ongetwijfeld aanbeveling, deze woorden ook in onze kringen op de juiste waarde te schatten. Het is niet verkeerd wanneer er in gemeenten bepaalde zaken georganiseerd worden, maar het zal niet goed gaan als alles als een geoliede machi­ne in werking gezet wordt. Want dan wordt er weinig of geen ruimte voor Gods Geest overgelaten. Jezus heeft gezegd dat wie uit de Geest geboren is, als het waaien van de wind is. Net zomin als je moet proberen de wind terug te dringen, net zo min moet je pogingen in het werk stellen de werking van Gods Geest binnen bepaalde banen te leiden. Het is als op een zeilboot: je zult de zeilen op de wind kunnen richten. Zo ook mogen wij anticiperen op de Geest. Wie daar alert op is, zal deel hebben aan het volle heil in Christus

Hoop door Yvonne Sulman

– Een mens met hoop is een mens die verwacht, die vooruitkijkt, een verlangen heeft. Hij kijkt naar de toekomst, heeft een wens in zijn hart.

In het dagelijkse taalgebruik van de mensen om ons heen, heeft hopen de betekenis van een onzekere verwachting. Echter, wanneer wij onze hoop op God grondvesten, zullen we niet beschaamd uitkomen. ‘Laten wij de belijdenis van het geen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij die beloofd heeft, is getrouw.’ (Heb. 10:23) God doet wat Hij belooft, Hij komt zijn beloften na. Onze hoop op Gods heerlijkheid, op gerechtigheid, op verlossing en herstel etcetera, zal werkelijkheid worden. Hopen maakt je hart open. Wie vertrouwen heeft in Gods beloften, maakt ruimte in zijn hart voor de uitwerking ervan. Ons hart zal naarmate wij meer verwachten en hopen, steeds verder gevuld worden door Gods Geest.  

HOPEN

 

Levend Geloof – 437

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

In het dorp waar wij wonen is een wijk waar de straatnamen vernoemd zijn naar attributen die vroeger tijdens of na het oogsten werden gebruikt, zoals de wan, de sikkel en de zeis. De wan is een grote, platte schaalvormige mand die werd gebruikt om het geoogste graan te zuiveren van kaf en andere ongerech­tigheden door het te schudden en op te werpen. Daarbij werden de kleine omhulsels van de graankorrels (het kaf) weggeblazen door de wind. Johannes de Doper, gebruikte het voorbeeld van de wan om aan te geven wat Jezus zou gaan doen als hij op aarde was. Matteüs citeert de profeet met de woorden: “Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik… Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur, hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal zal hij verbranden met onuitwisbaar vuur” Matteus 3 vers 11 en 12 NBV (Matt. 03:11-12).

Johannes de Doper wordt wel de laatste profeet van het Oude Verbond genoemd. Door de komst van Jezus was een nieuwe tijd aangebroken. Een tijd waarin wij nu nog steeds leven, want weliswaar is Jezus niet meer in deze wereld aanwezig, maar de gemeente is er voor in de plaats gekomen. De leden ervan behoren nu Hem te openbaren, Johannes de Doper gaf al aan dat dit niet op een halfslachtige wijze kan gebeuren. Het graan behoort zuiver te zijn, alles wat er aankleeft hoort er niet bij. Daarom zal de werkelijke gemeente van Christus niet bestaan uit naam-christenen, maar christenen die vol zijn van de Geest van God, die samen met onze geest, in staat gesteld zijn Christus te vertegenwoordigen.

Het is deze materie waarover wij in Levend Geloof, vanuit verschillende invals­hoeken, telkens weer schrijven. Wij geloven dat wij daar ook met de artikelen die in dit nummer gepubliceerd worden, weer in geslaagd zijn. Veel zegen en geloofsopbouw toegewenst bij het lezen ervan.

 

Bij de voorplaat: door de redactie

Jezus ging tegenover de offerkist zit­ten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide… Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker juliie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle ande­ren die er geld in hebben gegooid want die hebben gegeven van over­vloed, maar zij heeft in haar armoe­de alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud’ Markus 12 vers 40 tot en met 44 NBV (Mark. 12:40-44).

 

Informatie over onze zomeraktie door Gert Jan Doornink

Bij het functioneren van de Levend- Geloof arbeid horen vanzelfspre­kend ook de financiën. Wij zijn dankbaar dat er behalve de inkom­sten uit abonnementsgelden, ook extra giften van lezers en gemeen­ten zijn die ons werk ondersteu­nen.

Dit is ook nodig want Levend Geloof is een blad met een relatief kleine oplage, waardoor verhou­dingsgewijze de kosten van druk­ken, verzenden, etc., hoger zijn dan bij bladen met een grote opla­ge.

Bovendien nemen wij geen adver­tenties op en zijn ook geen nieuws­blad, want dan zouden we het spe­ciale karakter van ons blad verloo­chenen: de verkondiging en uitleg van het oorspronkelijke evangelie in de taal van vandaag. Daarbij wil­len we afgestemd blijven op wat Gods Geest ons aanreikt om te publiceren.

We mogen bij dit alles ervaren hoe de Heer, ook financieel Zijn hand op dit werk houdt. Dat bemerken we ook deze zomer weer, als we een extra bijdrage vra­gen. We zijn blij voor de positieve reacties tot dusver en vertrouwen er op dat iedereen die nog in zijn hart krijgt om iets extra’s over te maken in het kader onze ‘zomerak­tie 2005, dat ook te doen. U kunt daarbij gebruik maken van de bankrekeningnummers zoals deze vermeld staan in de colofon op bladzijde 2 en bedanken ieder­een die meedoet al bij voorbaat voor de medewerking!

 

Het nut van een geloofsanalyse door Gert Jan Doornink

Heeft u er wel eens over nagedacht uw geloof en geloofsleven te analyse­ren, te onderzoeken? Misschien een wat vreemde gedachte, maar in wer­kelijkheid niet zo vreemd als het lijkt. We willen toch graag dat onze geloof zo goed mogelijk functioneert en dat onze geloofsbeleving zo goed mogelijk overkomt bij anderen, zodat wij als veranderde mensen ook veranderd leven en een levend getui­ge zijn van God en zijn Koninkrijk? Velen zijn zo bezig met het geloof van anderen, dat we dan graag wil­len veranderen, terwijl de sleutel tot positieve verandering van de ander in de eerste plaats bij onszelf ligt. Paulus was in zijn tijd daar al van doordrongen. Zo kregen de gelovi­gen van de gemeente te Korinte het advies: “Onderzoekt bij uzelf of u vast op God vertrouwt, stel uzelf op de proef. U weet toch van uzelf dat Jezus Christus in u is?

Als dat niet zo is, dan hebt u de proef niet door­staan” 2 Korinthe 13 vers 5 NBV (2 Kor. 13:05). Het onszelf onderzoeken hoe het met ons geloof gesteld is, kunnen we niet met een Jantje van Leiden afdoen met de opmerking: ‘Dat zit bij mij wel goed, er kan misschien nog wel wat veranderen, maar daar maak ik me niet zo druk over. Dat is nu eenmaal een onderdeel van m’n leven, hoort bij m’n karakter dat moeilijk te veranderen is. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar…’

Het verlangen om te veranderen.

Wat in het leven van Paulus zo ken­merkend was, behoort te allen tijde aanwezig te zijn. Daarom in dit ver­band enkele punten die daarbij van belang zijn op een rijtje.

– De wil om verder op positieve wijze te veranderen, zodat we mee: en meer beelddrager van Christus zijn, moet aanwezig zijn.

– Het onderzoek is geen moment­opname, maar mag rustig een paar weken in beslag nemen. Dan geven we daarmee al te kennen dat we er serieus mee bezig zijn.

– Ons geloof analyseren betekent dat we ons afvragen of we gelukkig zijn in de gemeente waartoe we behoren.

Daarbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of de kerk of gemeente een goed fundament heeft en van daaruit functioneert. De doop door onderdompeling en de doop met di heilige Geest zijn ettentiële onder len die beslist noodzakelijk zijn voor een gezonde gemeente. Maar ook inzicht in de geestelijke wereld is belangrijk. Zijn wij ons bewust dat onze geestelijke plaats met Christus is in de hemelse gewesten, omdat we alleen van daar­uit op de juiste wijze als nieuwe schepping kunnen functioneren? Dat leert ons onderscheiden wat uit de verkeerde bron en wat uit de goede bron afkomstig is. Heeft de gemeente oog voor het feit dat het niet alleen gaat om onze eigen gemeente, maar dat we ‘samen met alle andere heiligen’ mogen toegroeien naar de volmaaktheid in Christus, zodat er uiteinde­lijk een gemeente ontstaat die -zoals Paulus dat formuleert- ‘stralend, en zonder vlek of rimpel is, zodat zij heilig is en onbesmet’? Dat is de belangrijkste doelstelling die ons bezig mag houden. Zo hou­den we ook de juiste visie op wat er in de komende tijd gebeuren gaat en worden niet misleid door natuurlij­ke, aardsgerichte leringen die geen geestelijke zoden aan de dijk zetten, en dus ook in onze geloofsbeleving geen nut hebben

Misleidingen

Wat de samenkomst betreft: laten we ons niet laten verleiden door- of imponeerd raken door allerlei zogenaamde ‘uitingen van de geest’. Het blijkt dat die vaak uit de verkeer­de bron afkomstig zijn. Sommige geestelijke leiders menen dat tegen­woordig alles mogelijk moet zijn in de samenkomst. Daar zijn we het beslist niet mee eens. In een bro­chure die we onlangs kregen toegezonden over het functioneren van de gemeente werd opgemerkt dat er in de samenkomsten behalve lofprij­zing en aanbidding ook plaats moet zijn voor ‘emoties uiten, dansen, manifesteren, juichen, ministry, lig­gen, symbolen gebruiken, en dergelijke’. Onze mening is dat we niets toe moeten laten waarvan we denken dat Gods Geest dat bewerkt, maar dat is vaak niet zo. Wij denken in dit verband ook aan het zoge­naamde ‘vallen door de geest’, waar­van heel wat gemeenten later op teruggekomen zijn. Natuurlijk is iedere gemeente autonoom. Maar zoals iedere gelovi­ge een voorbeeldfunctie heeft te ver­vullen, geldt dit ook voor iedere gemeente. Die behoort primair een ‘geloofsgemeente’ te zijn. God die voor 100 procent vertrouwen in ons heeft, verwacht van ons dat wij dat geloof beantwoorden. We leven in een tijd dat emoties een hoge plaats innemen. Bij de tv scoort ‘emotie-tv’ het hoogst. We willen graag zien dat mensen ‘aangeraakt’ worden. Dat is sensationeel en trekt hoge kijkcij­fers. Gevoelens en emoties kunnen echter nooit de plaats innemen van geloof. Ze horen er wel bij als onder­deel, maar mogen nooit de boven­toon gaan voeren.

Geloof op de eerste plaats

In de gemeente gaat het primair om de factor ‘geloof’. Dat brent ons in kontakt met God en ook met onze medemens. Natuurlijk komen we in de bijbel ook woorden tegen als ‘medelijden, mededogen, bewogen­heid’, maar dat is alleen mogelijk vanuit een goed functionerend geloofsleven. Van daaruit komt heel onze toewijding en inzet voor Gods Koninkrijk voort en kan Gods Geest op positieve wijze werkzaam zijn. Laten we daarom in onze samen­komsten op gezonde nuchtere wijze samenkomen en ons laten opbou­wen door het woord dat verkondigd wordt. Dat betekent niet dat altijd alles volgens een strak schema behoeft te verlopen. Flexibiliteit is niet verkeerd als het maar gebeurt binnen de kaders van orde en gezond verstand en onder leiding van Gods Geest.

Als het goed is zijn we niet alleen gelukkig in de gemeente waartoe we behoren, draaien we niet automa­tisch mee, maar zetten ons op seri­euze in om de gemeente tot een echte gemeente te doen zijn, waarbij iedereen zich thuis voelt, ook dege­nen die voor ’t eerst in de samen­komst komen. Zij zullen al spoedig bemerken hoe de gemeente functio­neert, dat wil zeggen: kunnen ze in alle vrijheid alles in zich opnemen of worden ze direct al zodanig ‘bewerkt’ dat het meer afstotend dan aantrekkend is?

Het kan ook zijn dat er er in de gemeente een soort ‘elite’ aanwezig is die zich meer voelt dan de ande­ren. De leiding van de gemeente behoort zich echter bewust te zijn dat ze niet meer zijn dan de anderen maar juist een voorbeeldfunctie heb­ben voor de andere gemeenteleden. Dat hoeven dus niet alleen de voor­ganger en de oudsten te zijn, want die behoren sowieso als voorbeelden te functioneren.

Het gebed

Bij dit zelfonderzoek mag ook het onder de loupe nemen van de situ­atie van ons gebedsleven niet ont­breken. Jacobus schrijft in zijn brief dat het gebed van een rechtvaardige krachtig is en zijn uitwerking niet mist Jakobus 5 vers 16b NBV (Jak. 05:16b). En Paulus schrijft aan de gemeente te Filippi dat we over niets bezorgd moeten zijn, maar dat we God mogen vragen wat we nodig hebben en Hem in in al onze gebeden behoren te danken Filippenzen 4 vers 6 NBV (Filip. 04:06). Er behoort een open communicatie tussen Hem en ons te bestaan.

Weet God dan niet wat er leeft in ons hart? Natuurlijk wel, maar door ons bidden geven wij expliciet aan dat wij het vertrouwen dat Hij in ons heeft beantwoorden met ons ver­trouwen in Hem uit te spreken. Daardoor wordt ons geloofsleven als het ware gestimuleerd en Hij geeft daarmee te kennen: ‘Dat is een rechtvaardige, iemand die het oprecht meent, die niets achter­houdt’. Er zijn gezamenlijke gebe­den, zoals wij die kennen als de gemeente samenkomt, in de bid­stonden en in ons gezin. Daarnaast zijn er de persoonlijke gebeden. Daarbij behoren we te bedenken dat het bidden niet alleen bestaat uit de woorden die wij spreken, maar ook onze gedachten spelen een belang­rijke rol. Als ons denken op positie­ve wijze op God gericht is, spreken wij daarmee onze liefde jegens Hem uit. Ook is ons gebed geen prestatie onzerzijds zodat wij bijvoorbeeld denken: “Ik heb gisteren een kwar­tier gebeden, maar vandaag zelfs een half uur…, dat zal God wel beha­gen!’. Nee, ons bidden is altijd een zaak van het hart, het komt tot stand in ons diepste innerlijk, het is als het ware de navelstreng die ons met God verbindt.

Ontwikkeling

Een belangrijk punt bij onze geloofsanalyse is verder de vraag of we geestelijk groeien. Denken we nog net zo over bepaalde dingen en bij­belteksten als vijf of tien jaar gele­den of is er groei in visie en geeste­lijk inzicht en zien we in waarom het werkelijk gaat. Zelf maken we een doorgaand proces van groei in geestelijk inzicht mee. Het positieve gevolg is dat we veel meer loskomen uit een strak, dogmatisch denken en de dingen geestelijk verstaan. De bijbel en positieve lectuur bestu­deren is een goede zaak en te allen tijde aan te bevelen, als we ons er maar van bewust zijn dat veel ken­nis van de bijbel niet altijd een garantie is dat men geestelijk gegroeid is. Integendeel, het kan zelfs deze groei in de weg staan, als we vast blijven houden aan ‘de let­ter’. We behoren ons bewust te zijn dat Gods Geest het woord tot leven moet wekken! Bovendien hebben velen een verkeerde opvatting over de inhoud van de bijbel als het woord van God. Als we bijvoorbeeld lezen in Hebreeën 4 vers 12  (Heb. 04:12) dat ‘Gods woord levend en krachtig en scherper is dan enig tweesnijdend zwaard’ gaat het om de woorden die God of Zijn Zoon zelf gesproken hebben. Natuurlijk kunnen wij van alles wat in de bijbel staat veel leren. Daarom is het goed om ons veel met de inhoud bezig te houden. Als we er maar van leren en het op positie­ve wijze in ons leven gaan toepas­sen. Zo komen wij los van de letter en wordt ons leven een sprankelend leven dat echte invulling geeft aan ons nieuwe schepping zijn. Dan gaan we ook ontdekken dat wij ons bewust behoren te zijn dat we de talenten, de gaven, de bekwaam­heden die God in ons heeft gelegd mogen benutten en tenvolle tot ont­wikkeling mogen brengen. Dat geldt zowel in geestelijk als in natuurlijk opzicht. In veel evangeliepreking blijft dit punt vaak achterwege ter­wijl het Gods grote verlangen is dat ons ‘nieuwe schepping zijn’ er hele­maal uit gaat komen. Wij mogen fier en met opgeheven hoofd door het leven gaan en de bij iedereen verschillende talenten, die God in ons heeft gelegd, op creatieve wijze tot ontwikkeling brengen zodat we tenvolle het doel zullen bereiken van datgene wat God met ons voor heeft.

Mogelijkheden

Ieder mens heeft ongekende moge­lijkheden tot ontwikkeling in zich. Als christen heeft dat een dubbele betekenis! We mogen ons, zoals we al opmerkten, zowel geestelijk als natuurlijk ontplooien. Er wordt nog al eens gedacht dat het voor een christen alleen geestelijk van belang is, maar als de geestelijke ontwikke­ling in ons gewone dagelijke leven geen positieve uitwerking heeft is het alleen een theoretische aangele­genheid gebleven. Dat is natuurlijk nooit Gods bedoeling! Jezus sprak niet alleen: “Ik ben het licht der wereld”, maar ook: “Jullie zijn het licht der wereld”. Jezus roept ons op ons licht te laten schijnen voor de mensen, zodat zij onze goede wer­ken zien en onze Vader, die in de hemel is, daardoor verheerlijken. God wil graag zijn volle heerlijkheid in en door ons openbaren. Een opmerking als ‘Je bent en blijft een zondaar’, wat een voorganger ons eens schreef, is weinig bevorderlijk om het nieuwe schepping zijn con­sequent te gaan beleven. Alsof er geen grote verandering in ons leven heeft plaats gevonden toen we van een zondaar een kind van God wer­den! En laten we ook de gedachte ‘Ik was niks, ben niks en wordt niks’ ver van ons afgooien. Deze valse bescheidenheid hoort niet thuis bij een kind van God, een koningskind, Gods hoogste vorm van Zijn schep­pingswerk. Wie zich bewust is dat Gods Geest in hem is en onze geest wil activeren, zal hier oog voor krij­gen en er naar gaan handelen. Tenslotte: een geloofsanalyse makec. alleen is niet voldoende. Het gaat om te komen tot een daadwerkelijke uitvoering ervan zodat het een posi­tief effect heeft ten aanzien van onze geloofsbeleving. Begin vandaag nog (eventueel op dit moment) met het in de praktijk brengen. Ook al zijn er in eerste instantie maar een of enkele punten die u verwezenlijken kunt, begin ermee. En bedenk: u hoeft het niet alleen te doen. Hij bewerkt zowel het willen als het wer­ken in u en Zijn Geest zorgt ervoor dat u het ook kunt realiseren zodat het verlangen om daadwerkelijke getuige te zijn van onze Heer ten volle bewaarheid gaat worden!

 

Onder de boom door Duurt Sikkens

Je kunt soms zo bang en verdrietig zijn. Soms betreft het het aardse heden, waarin de chaos alleen maar toeneemt; soms is de toekomst, waarin de zekerheden onder je wegvallen; soms het ver­leden, waarin je veel is aangedaan of onthouden en wat nog zo’n pijn kan doen. En dan de ravage in je ziel waar­tegen geen kruid gewassen schijnt te zijn.

Om dat te verhelpen heeft het weinig zin de boel bij herhaling af te plakken met wat tekstmateriaal. Vroeg of laat merkje dat dit niet helpt, de angst niet wegneemt, de wonden niet geneest. Je wordt, door de telurstellingen, nog verdrietiger dan je al was. Immers, wat zijn er veel gebeden uitgesproken die niet het gewenste gevolg hebben gehad.

En dan kan de twijfel ook nog toeslaan, met als gevolg datje aan nog meer dingen gaat twijfelen.

Nu is twijfel lang niet altijd negatief. Als ik niet had getwijfeld aan een hele­boel dingen zou ik nooit andere wegen hebben gezocht. Had ik bijvoorbeeld niet getwijfeld aan de uitspraak: ‘Een mens is tot niets goeds in staat’, dan was ik verlamd blijven zitten. Als ik niet mijn twijfels had gehad bij de bewering ‘dat God achter het kwaad zou zitten om jou op de proef te stellen om te zien of je het redt…’, dan was ik gek geworden. Als ik de stelling: ‘Op ons gebed genezen alle zieken’ niet in twijfel had getrokken, was mijn hoop allang vervlogen. Ik bedoel dit: Het is zó wezenlijk om nieuwe wegen te zoeken in de doolhof van religieuze meningen en te perti­nente uitspraken datje in onze kringen maar al te vaak tegen komt. ‘Nieuw land ontginnen’, noemt de bijbel dat. Zélf denken, overleggen, toetsen, het gesprek zoeken en vertrouwelijk omgaan met onze Vader en Zijn kinde­ren. Wanneer je tijdens zo’n tocht een keer de verkeerde richting inslaat kom je vanzelf tot de ontdekking datje op een verkeerd spoor zit dat doodloopt. Nou. dan ga je toch gewoon terug naar het begin? Hét Begin? Dat samen overleggen in de schaduw van een boom, een veilige schuilplaats om je gedachten te behoeden. En zelfs wanneer het donker wordt om ons heen dan zullen we overnachten in Zijn nabijheid. Dat samenzijn met hem is zo heilzaam voor jezelf, voor elkaar. God heeft, via Jezus, Zich met ons ver­bonden, voor altijd.

En dat zit diep: je bemind te weten. Ik denk dat dat het geneesmiddel is om uit de angst te komen en uit je onzekerhe­den. Niet het wapengekletter en het krijgsrumoer noch een eindeloze opsomming van waarheden, maar het in pure onschuld en afhankelijkheid genieten van elkaars aanwezigheid. Om het heel eenvoudig te zeggen: “Blijf je in Mij, zoals Ik in jullie?” Genezing begint, naar mijn mening, eerst in de geest, doordat je denken gerenoveerd wordt, het denken over God en zijn gedachten over de mens, over jou. En dat is ook verhelderend voor je ziel, het is zo goed voor je en je wordt wie je eigenlijk in Hem bent. En zo worden, van lieverlee, de Vader en de Zoon wie zij eigenlijk zijn: goed voor vriend en vijand. Het is een ont­wikkelingsproces dat jou gaandeweg gezond doet worden. Eerst in je geest en daaruit volgen ziel en lichaam. Ik schrijf het hier allemaal wel heel beknopt op, maar willen we over het een en ander eens doordenken? Het is de moeite meer dan waard. En als voorloper (‘voorganger’ zo u wilt) wilde ik David maar nemen. Hij vroeg eigenlijk maar om één ding, één zaak waar het volgens hem om ging: Laten we, terwijl we de lieflijkheid van onze Vader aanschouwen, samen in Zijn tempel onderzoeken. En wanneer je je realiseert dat wij Zijn tempel vor­men dan liggen die schatten in ons alle­maal.

We kunnen zijn heilsgeheimen, die ver­borgen kostbaarheden, tevoorschijn doen komen in vertrouwelijke omgang. En alleen de ootmoedigen zullen dit verstaan en bewaren.

 

Je leven mag in balans zijn! Door Cees Maliepaard

“Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen. Wie mag de berg van de Heer bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats? Wie reine handen heeft en een zuiver hart” (Uit Psalm 24).

Van wie is de aarde?

Veel christenen slaan de hemel en de geestelijke dingen hoger aan dan de aarde en de natuurlijke zaken. Daar is eigenlijk niets mis mee, want dat is ook de teneur die in de boeken van het Nieuwe Testament waar te nemen valt. Voor ons zal een opmerking als: van de Heer is de hemel nogal voor de hand liggend wezen. David schrijft echter: ‘Van de Heer is de aarde’. Ja, zal iemand zeggen, maar dat is dan ook oudtes­tamentisch. En dat klopt, dit behoort inderdaad tot de lectuur van het Oude Verbond. Maar, kan een mens zich afvragen, is onder het Nieuwe Verbond de aarde dan niet meer van de Heer?

Niemand denkt toch zeker dat de aarde van de duivel is? Want dat zou volkomen misplaatst zijn. Hij heeft zich van delen van het aardse leven meester gemaakt. Misschien wel van grote delen, maar even zo goed slechts van delen. En hij heeft dat ook nog wederrechtelijk gedaan, want het is gewoon waar wat David te kennen geeft: de aarde is van de Heer. Het is zijn aarde. Hij heeft haar geschapen en daar heeft Satan met zijn bokkenpoten maar vanaf te blijven. De wereld is voor een deel in het bezit van de boze, maar ze is onmiskenbaar in z’n geheel Gods eigendom gebleven. We lezen in deze psalm dat niet alleen de aarde van de Heer is, maar ook alles wat erop leeft. En dat niet slechts de kale wereld Gods eigen­dom is, maar even zo goed wie daar­in wonen. Al legt Satan een claim op mensen (en dat dóet hij, wetteloos als hij is) dan nog heb je zowel in de hemel als op de aarde te maken met duivelse bezettingen en niet met satanisch eigendomsrecht. Het is belangrijk dit te beseffen, want het helpt een ieder van ons overeind te blijven op de ons gegeven plaats. Als je het huis waar je woont verlaat om naar je werk te gaan, naar school of ergens anders heen, bevind je je niet automatisch op vijandelijk gebied. Want je bent immers nog steeds op Gods aarde! En als je op je werkplek, op school of waar dan ook binnenstapt, mag je dat samen met de Heer doen. Je bent in de klas, in de werkplaats, in de winkel of op kantoor in gezelschap van de Meester. Dat versterkt je zelfvertrou­wen, want waar je ook bent en met wie – overal is God’. Dat staat in één van de gezangen (Gezang 143 Ned. Herv. Bundel 1938 toev. Ruurd): ‘Op ber­gen en in dalen, ja overal is God. En dat is waar hoor. Of je nu in jubel­stemming bent of midden in een depressie, Hij is altijd en overal aan­spreekbaar.

Wie gaat er met je mee?

Over welke God hebben we het, als we zeggen dat Hij altijd met ons meegaat? Dat kan namelijk een hemelsbreed verschil uitmaken. Het zou kunnen zijn: de god die een mens zichzelf uitgedacht heeft, of één die iemand jarenlang is voorge­schoteld. Bijvoorbeeld de God der wrake, die van de vergelding en het Interende vuur. Want zoals iemands godsbeeld is, zo’n god ver­gezelt hem overal.

Wie een onzuiver godsbeeld heeft en zich in gezelschap van verkeerde mensen bevindt, zal door zijn gods­beeld onmiddellijk aangeklaagd wor­den, die laat daar echt geen gras over groeien. Als jij dat hebt, zal je wijsgemaakt worden dat de anderen ook verkeerd bezig zijn, maar dat jij beter kunt weten en dus voor de bijl gaat!

En als je contacten met goede men­sen hebt, zal het de mens verwer­pende godsbeeld nooit zeggen: hier zit je goed. Nee, hij zal je in het oor fluisteren dat je net een kameleon bent, altijd de kleur vertonend van met wie je op dat moment in verbin­ding staat. Héb je geen eigen mening? Aan jou heb ik ook niet veel! Als je zo’n godsbeeld hebt, heb je eigenlijk nooit vrede met God en ook niet met jezelf. Om een beeld uit Openbaring te gebruiken: dan mag het geestelijke paard dat je berijdt wel smetteloos wit zijn, en paard en ruiter die je voorgaan zijn dat sowieso, maar op jouw witte kleed zitten lelijke smetten. Bah, wat val jij uit de toon, je past eigenlijk helemaal niet bij mij! Nou, van zo’n god word je ook niet blij; echt hoor, zo’n godsbeeld moet je onmiddellijk wegdoen.

Maar je kunt natuurlijk ook een daaraan tegengesteld godsbeeld heb­ben. De god van de vergoelijking, van het alles moet kunnen. Als je die god als maatgevend in je leven hebt, dan kan er natuurlijk niet alles mee door… maar wel van alles; van alles en nog wat. De god van de grenzenloze tolerantie zal dan rich­ting aan je leven geven, en welke koers hou je dan aan? Ik denk: de kant waar in de tijd van de kolenkachels de gek op de schoorsteen heen wees. Wel, die waaide met alle winden mee. De metalen gek op het dak was daar ook voor gemaakt; die zorgde dat het gat dat met het rook­kanaal in verbinding stond steeds van de wind afgekeerd was, waar­door de schoorsteen optimaal kon trekken.

Al met al betrof dat een nuttig appa­raat, maar het is niet best als je leven ermee vergeleken kan worden. Want dan heb je het stuur van je leven niet meer in handen. Of heb je jouw levensstuur in Jezus’ handen gegeven? Hij stuurt niet voor je hoor! Dat mag je zelf doen. Hij geeft alleen aanwijzingen en leiding. Hij coacht je, opdat jij jezelf ontplooien kan. Maar het vergoelijkende gods­beeld vermaant de mensen niet overal een punt van te maken. En natuurlijk moet je niet op alle slak­jes zout leggen, want dan vraag je om problemen. Je jaagt op die manier onnodig anderen tegen je in het harnas, en zoiets kun je niet afdoen met een verwijzing naar het lijden ter wille van Christus. In de Schrift wordt dat genoemd: het lij­den als een bemoeial. Tot zo’n vorm van lijden worden we echt niet door de Heer opgeroepen.

Evenwichtig leven

Wie denkt met foute natuurlijke zaken wel mee te kunnen doen om niet buiten de boot te vallen, als het geestelijk maar goed zit, die vergist zich zeer. Want het geestelijke en het natuurlijke zijn niet van elkaar te scheiden. Het is al vaker opgemerkt: je kunt ze hooguit van elkaar onder­scheiden. Wie zuiver leeft, in relatie met de Heer, heeft een leven waarin de geestelijke en de natuurlijke aspecten met elkaar in balans zullen komen. Want een balans heeft altijd twee kanten die aan elkaar gelijk zijn. Het is onmogelijk dat één kant in balans is en de andere niet. De creditzijde en de debetkant zijn in een balans altijd aan elkaar gelijk. Wie van boekhouden geen kaas gegeten heeft, moet maar eens aan een ouderwetse weegschaal denken. Ik heb er in de jaren veertig van de vorige eeuw nog wel mee gewerkt. Wanneer het platvorm dat voor de gewichten bestemd is en de schaal die de af te wegen koopwaar zal gaan bevatten beiden leeg zijn, is een geijkte weegschaal in balans. Al naar gelang welk gewicht er geplaatst wordt, zal bij het wederom bereiken van een balans het afgewo­gen product exact hetzelfde gewicht hebben. De twee kanten kunnen alleen samen in balans zijn; een enkelvoudige balans is volstrekt uit­gesloten.

Ieder weldenkend mens is er van overtuigd dat het geestelijke en het natuurlijke leven met elkaar in balans moeten zijn. Als het ene gedeelte nog in onbalans is, is het andere dat ook… naar de tegenge­stelde kant vanzelfsprekend. Een voorbeeld: iemand die overgeestelijk is, heeft een natuurlijk leven dat in dezelfde mate ondergewaardeerd wordt. En wie teveel gefixeerd is op de natuurlijke aspecten van het leven, zal geestelijk evenveel tekort­komen. In beide gevallen is er spra­ke van onbalans en vaak zelfs van wildgroei.

De aarde aan de mens gegeven

Een bekende bijbeltekst luidt: “De hemel is van de Heer, de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gege­ven”. Is dat niet in strijd met onze tekst uit Psalm 24 vers 1 (Ps. 024:001), waar toch staat dat de aarde van de Heer is? Want als het waar is dat Hij de aarde aan de mensen heeft geschonken, zou daarvan gezegd kunnen worden: wat je weggeeft, ben je kwijt. Maar de Here God heeft de aarde niet aan de mensen cadeau gedaan; Hij deed er geen afstand van! Er is door Hem geen akte van abdicatie ondertekend, zo een die nodig is voor een troons­afstand. En dat zal ook nooit gebeu­ren – daarvoor is Hij teveel bij zijn schepping betrokken. Als iemand in een bedrijf de leiding over een bepaalde afdeling krijgt, wordt hij of zij de verantwoordelijke persoon daarvoor. Maar niemand zal toch denken dat de grote baas daar­mee buiten spel gezet wordt? Elke chef is verantwoording schuldig aan een meerdere, en de grote baas blijft echt wel de supervisie over het geheel houden. God heeft inderdaad de mens als rentmeester over de aarde gesteld, als filiaalhouder als het ware. Maar het is heus wel Góds aarde gebleven, zijn rechtmatig eigendom. Absoluut! De Here God heeft ook de natuurlij­ke schepping ontworpen, al is dat dan niet precies zo gebeurd als de bijbelschrijvers dachten. Wat in Psalm 24 vers 2 (Ps. 024:002) staat, is iets waarvan men eeuwen­lang meende dat het letterlijk zó heeft plaatsgevonden: De aarde werd tijdens de schepping als een platte, ronde schijf door God op de wereld­zeeën gedeponeerd. Ook David was van mening (als kind van zijn tijd) dat het rond der aarde een op het water drijvende ronde schijf was. Tot vele eeuwen na Christus heeft men dat nog gedacht, op een fundamentalistische manier zelfs! Want de eerste mensen die beweerden dat de aarde geen ronde schijf, maar een bol is, waren hun leven niet zeker. Ze werden bedreigd met de dood, omdat ze (naar men meende) de Schrift op godslasterlij­ke wijze geweld aandeden.

Reine handen

Fundamentalisme komt niet alleen bij de islam voor hoor, onder christe­nen kun je het ook tegenkomen. Dat kan meestal op het conto van letter­knechten geschreven worden, die daarmee de kans lopen zich onnodig bij wetenschappers belachelijk te maken. Vers 2 is niet meer dan een uiting van het klassieke denken; iets voor het museum van oudheden dus. Vers 3 daarentegen is voor ons van groot gééstelijk belang en ook voor vandaag de dag nog zo actueel als wat. We lezen daar: “Wie mag de berg van de Heer bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats?” Dat slaat kennelijk op de geestelijke berg Sion, op iemands plaats in de hemel. Wie zal daar nu mogen ver­keren? Is dat wie gééstelijk alles in het reine gebracht heeft of zou het eerder kunnen zijn wie dat met de natuurlijke dingen heeft gedaan? Het is beide nodig. David maakt ook gebruik van een balans: die van een uitgebalanceerd levenspatroon. We zullen reine handen hebben, een goed natuurlijk leven. En ga daar­voor nu geen fatsoensnormen aan­leggen alsjeblieft! Want daar gaat het hier niet om. Laten we liever temid­den van de mensen uit Gods liefde leven, gééf hun die. Onze handen zijn rein als we geen deel hebben aan verkeerde of onrechtvaardige handelingen. De Schrift geeft trouwens aan dat we rechtvaardigen zijn. En als dat eventueel niet zo zou wezen, heeft Jezus voor ons de weg gebaand om dat alsnog te bereiken. Daarvoor is Hij immers aan het kruis gegaan: voor alle zonden, ziek­ten, ongerechtigheden en gebonden­heden. Wie alle foute zaken bij Jezus brengt, kan zijn leven gaan bete­ren… en is er dan ook vanaf. Maar we zullen ook een rein hart hebben, een goede geestelijke instel­ling door deel te hebben aan Gods goede gedachten. En onze harten zijn zuiver, want we koesteren toch geen verkeerde gedachten meer? Die kunnen nog wel eens in ons opko­men, maar we koesteren ze niet, we doen ze onmiddellijk weg. En Jezus’ bloed reinigt ons waar nodig opnieuw, want dit bloed raakt in het aardse leven nimmer uitgewerkt. Onverschilligheid en egoïsme wor­den tot liefde, een rancuneuze instelling verandert in vergevingsge­zindheid, zelfverheffing maakt plaats voor dienstbetoon en hoog­moed wordt omgezet in nederig­heid. En als dit nog niet bijster van de grond wil komen, mogen we weten dat Jezus ook hiervoor de weg ter ontkoming gebaand heeft. Of maak je je nooit meer kwaad bij­voorbeeld? Oké, niet meer in dezelf­de mate als vroeger natuurlijk, maar nóóit… ik zou het niet te vlug zeggen!

Je levenspoort verhogen

Het leiden van een goed geestelijk en natuurlijk leven valt in geen geval af te lezen aan fatsoensnormen, want er zijn heel wat fatsoenlijke zondaars. Denk maar eens aan de witteboordencriminaliteit. We mogen de berg van de Heer bestij­gen, niet omdat we zulke nette men­sen zijn die goed in een schone hemel passen, maar doordat we een liefhebbende Vader hebben, die in het verzoeningswerk van zijn eerste Zoon heeft voorzien. Het bestijgen van de berg van de Heer wil zeggen dat we gaandeweg op zijn niveau komen – geestelijk wel te verstaan. Het betekent ook dat we synchroon met zijn manier van doen zullen lopen, zoals: dezelfde toorn hebben over de duivel en diens de mens verwerpende ideeën; en een gelijkgerichte liefde hebben, ook voor de mens die in onbalans is geraakt.

Laten we onze levenspoort maar wagenwijd openstellen, overeenkom­stig de woorden van Psalm 24. Opdat de Koning van de hemelse machten kan binnengaan om voor altijd bij ons te wonen. Betekent dit dat we angstvallig moeten gaan leven, altijd beducht voor wat er alle­maal mis zou kunnen gaan? Nee, want er staat bij dat onze God een machtig strijder is. En Hij strijdt niet tegen mensen, zijn strijd is tegen onze vijanden, de verkeerde hemelse machten. Hij kampt tegen de Satan en alle de mens belagende demonen uit het rijk van de duister­nis. En in het profetisch gegeven slaat dat in dezelfde mate op de door Hem aangestelde Koning, Christus Jezus. Voor ons is Hij geen grimmig krijgsheer, maar zoals in Psalm 23 staat: de goede herder, waar je altijd op rekenen kunt. Voor ieder die Hem als Heer en bevrijder aanvaardt, heeft Hij een plaats in het Vaderhuis gereserveerd.

De aarde en de hemel zijn van de Heer, het zichtbare zowel als het onzichtbare. Dus waar we ook zijn: we kunnen altijd bij Hem wonen. Het is dus waar dat ons leven te allen tijde in balans kan wezen.

 

Zijn we goede beheerders? Door Tea Keuper

In Lucas 16 vers 1 tot en met 9 (Luc. 16:01-09) lezen we een gelijkenis die Jezus aan zijn discipe­len vertelt. Het gaat over een rijke man die een beheerder in dienst, had die op zekere dag van verduistering werd beschuldigd. De rijke man riep hem bij zich en zei: “Wat hoor ik allemaal over u. Lever de boeken maar in voor controle. U bent ontslagen”. De beheerder dacht bij zichzelf: “Wat moet ik nu doen? Nou zit ik zonder werk!” Spitten en graven kan ik niet. Ik zou me schamen om te gaan bedelen. Ik weet al wat! Natuurlijk! Daardoor krijg ik veel vrienden. Die zullen voor me zorgen als ik op straat wordt gezet”. Hij liet de mensen, die bij zijn heer in de schuld stonden een voor een bij zich komen. “Wat bent u mijn heer nog schuldig?”, vroeg hij aan de eerste. “Honderd vaten olie”antwoordde de man. “Hier is uw schuldbekentenis”, zei de beheerder, “Verscheur die en schrijf een nieuwe voor vijftig vaten”. En wat bent u mijn heer schuldig?”, vroeg hij aan de volgende. “Honderd zakken tarwe”, was het antwoord. “Hier is uw schuldbekentenis”, zei de beheerder, “verscheur die en schrijf een nieuwe voor tachtig zak­ken”. De heer moest vol bewonde­ring toegeven dat die sluwe beheer­der zijn eigen zaken heel goed had behartigd. Ja, de mensen van deze wereld zijn in hun omgang met de medemensen veel handiger dan de mensen die bij God horen. U moet verstandig met geld omgaan. Maak er vrienden mee, door het te gebrui­ken zoals ik wil. Als u het eens moet achterlaten en in Gods eeuwi­ge woning komt, zal Hij u liefdevol opnemen. Wie betrouwbaar is in kleine dingen, is het ook in grote. Wie onbetrouwbaar is in kleine din­gen, is het ook in grote. Als u niet eens eerlijk met geld omgaat, wie zal u dan de ware rijkdom toevertrou­wen? En als u de spullen van een vreemde niet goed behandelt, hoe zullen we dan onze spullen aan u toevertrouwen ?”. Een beetje vreemde ‘gelijkenis’. Jezus keurt écht niet het gedrag van de onbetrouwbare beheerder goed! Maar de sluwheid of slimheid geeft Hij als een soort aanmoediging voor Gods kinderen, om goed om te gaan met geld en het te gebruiken zoals God het wil! Want na dit verhaal zegt Jezus veel over betrouwbaarheid en onbetrouw­baarheid. Eerlijkheid ook en juist met geld! In de volgende verzen zegt Jezus dat je geen twee heren kunt dienen: God en het geld! Jezus kijkt ook dwars door de ‘vrome’ fari- zeeën heen, die met de wet sjoeme­len. We moeten de hoofdgedachte van dit verhaal vasthouden en niet het oneerlijke gedrag van de beheer­der! De hoofdgedachte is: Toch vrienden te maken met het geld, door het te gebruiken op de manier, zoals God het wil! We kunnen het toch niet meenemen, zegt de Heer Jezus. En God kijkt dwars door mensen heen. Hij doorgrondt ons. Waar mensen hoog tegenop zien, daar gruwt God van. Als Gods kinderen goed omgaan met Gods geld en andere bezittin­gen, zullen vaak mensen in de wereld óf zich bespottend opstellen óf hierdoor óók kinderen van God en zijn Koninkrijk worden! Bedenk zelf eens goede voorbeelden in Gods Koninkrijk. Het werk van “Open Doors” bijvoorbeeld, voor evangelisatie in Christus-vijandige landen. Vervolgden om Christus’ wil ondersteunen. En zoveel meer werk voor het Koninkrijk Gods ondersteu­nen. In de oorlog joden en anderen verbergen voor onderdrukking. Dat is tijd en geld goed beheren. Onze Heer Jezus is dit alles zó waard!

O Lam van God, U bent mijn lamp,

een Licht op heel mijn pad.

U leidt door stormen, mist en damp,

U houdt mijn hand gevat.

 

O Zoon van God, U bent de Weg,

de waarheid en het leven.

Bewaakt wat ‘k denk en wat ik zeg,

wil raad en wijsheid geven.

 

O Bruidegom, die ik begeer

en liefheb met mijn hart:

U bent zo liefdevol en teer,

zo heilig en apart…

 

O heil’ge Geest, die in mij woont

en werkt op deze aard’

Dank dat U satan daar onttroont

en mij voor ’t kwaad bewaart.

 

Gedachten rond het avondmaal door Jildert de Boer

Sleutels tot ware eenheid in de gemeente Deel 4

Gemeenschap en verbondenheid Wie gemeenschap zegt, denkt bijbels bezien tevens aan maaltijd houden Openbaring 3 vers 20 (Openb. 03:20) en wel bij uitstek aan de maaltijd van de Heer aan de tafel van de Heer, zoals dit uitvoerig belicht wordt in 1 Korinthe 10 en 11. Bij het avondmaal is er een verticale, persoonlijke dimensie met de Here en een horizontale, gemeenschappe­lijke dimensie met elkaar als lichaam van Christus. Voor ons onderwerp springt het laatste eruit, maar we willen het eerste niet verge­ten aan te roeren.

De Nieuwe Bijbelvertaling heeft het woord “gemeenschap” doorgaans vervangen door “verbonden” of “een zijn”. Het woordje “gemeen­schap” wordt door niet-christenen al snel alleen in verband gebracht met lichamelijke, seksuele gemeenschap, vandaar waarschijnlijk dat men het wat zwakker aandoende “verbonden” heeft gekozen, om de betekenis dui­delijk te maken. Het mooie van “ver­bondenheid” is dat je daarin verbin­ding, maar ook het bijbelse woord “verbond” beluistert. Jezus sprak bij de beker van de maaltijd over “het nieuwe verbond in mijn bloed” Lucas 22 vers 20 en 1 Korinthe 11 vers 25 (Luc. 22:20 en 1 Kor. 11:25).

Jezus ons voorbeeld

De Meester wees op het uitgieten van Zijn leven in de dood Jesaja 53 vers 12 (Jes. 53:12) ten behoeve van ons en wees zijn volgelingen erop hun eigen leven in te zetten (= prijs te geven) voor elkaar Johannes 15 vers 13 en 1 Johannes 3 vers 16 (Joh. 15:13 en 1 Joh. 03:16). Hij gaf Zijn bloed, dat is Zijn leven voor onze zonden!

Zijn wij ook als gevolg en van het werk van Jezus Christus ten behoeve van ons bereid “ons bloed”, dat wil zeggen ons natuurlijke zelf-leven, te geven en te offeren voor elkaar? In een gemeente waar men zich aan elkaar geeft en zich voor elkaar inzet, zou daar gemakkelijk een scheuring kunnen plaatsvinden? Welnee, daar wordt gemeenschap en eenheid veeleer gestimuleerd! Christen worden kost je niets! Het is verdiend voor jou door Jezus Christus’ offer aan het kruis voor onze zonden, dat wij symbolisch, maar zichtbaar herdenken in het avondmaal. Primair is: “doet dit, zo dikwijls (geregeld dus!) gij die (beker) drinkt tot Mijn gedachte­nis” 1 Korinthe 11 vers 24 en 25 (1 Kor. 11:24-25). Wij gedenken Zijn lijden en sterven voor ons, wat een hoge en dure losprijs het Hem heeft gekost om ons vrij te kopen 1 Korinthe 6 vers 20 (1 Kor. 06:20). Christus zijn, als discipel, kost je alles! Namelijk: dat jij je leven inzet (geeft) voor je broeders! De Meester sprak: “Dit is Mijn lichaam voor u” en hij gaf zich volkomen ten offer als verzoening voor onze zon­den.

Zijn verzoening was en blijft uniek en daarin kunnen wij Hem niet vol­gen. Maar stellen wij ook als een logische eredienst onze lichamen als een levend, heilig en voor God wel­gevallig offer? Romeinen 12 vers 1 (Rom. 12:01). Zijn wij bereid om ons leven voor elkaar in te zetten, om op gepaste wijze het voorbeeld van Jezus te volgen door tegen elkaar bij wijze van spreken te handelen in de geest van: “dit is mijn lichaam voor u”? Zoals de Meester het deed voor ons, zo mogen ook wij wandelen in Zijn voetsporen en daarnaar handelen naar elkaar toe! Of hebben we dan reserves, terughoudendheid en den­ken we alleen aan ons eigen belang? Gemeenschap en verbondenheid met elkaar vraagt om te willen inves­teren in elkaar, van harte uit vrije wil. Dan neemt gemeenschap en broederschap toe door -ook al kost het lijden en strijd- juist daarin te groeien. Groeipijn -de bijbel noemt het snoeien- is niet verkeerd, maar leidt tot meer vrucht en tot volwas­senheid.

Twee kanten

De inhoud van het avondmaal wordt door velen versimpeld tot “Jezus stierf voor mijn zonden” en als teken van het deelhebben aan de verzoening van hun zonden, worden als symbolen brood en wijn gebruikt. Dat is natuurlijk de basis, die fundamenteel is. De betekenis van het avondmaal is veel dieper. Als er sprake is van “een nieuw verbond in Mijn bloed”, dan heeft een verbond altijd twee kanten: Gods zijde en mijn zijde. “God heeft

Zijn Zoon gezonden in een vlees aan dat van de zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees” Romeinen 8 vers 3 (Rom. 08:03). Daarin heeft Hij met de zonde afgerekend! Door Jezus’ bloed ontvangen wij verge­ving van zonden bijv. Efeze 1 vers 7 (Ef. 01:07) en in Jezus’ bloed kunnen wij gereinigd worden van alle zonde. Onze kant van het verbond is echter: heb ik mijn eigen leven ook op het spel gezet, om ten bloede toe weerstand te bieden in de worsteling tegen de zonde? Hebreeën 12 vers 4 (Heb. 12:04). Of neem ik het slap, traag, oppervlakkig en gemak­kelijk? Wil ik de zonde -als die zich meldt- veroordelen in mijn vlees?

Dat houdt in: gehoorzaam de strijd ingaan met de volle, geestelijke wapenrusting van God aan en het werk van Jezus Christus tot verzoe­ning als fundament onder onze voe­ten.

Gods kant is wat Hij in Christus op Golgotha voor ons heeft gedaan. Onze zaak is: dat wij te allen tijde het sterven (de doding, Statenvertaling) van Jezus in ons lichaam omdragen, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare 2 Korinthe 4 vers 10 (2 Kor. 04:10). Hier gaat het niet om het kruis op Golgotha, maar dat wij dagelijks ons kruis opnemen, om Hem te volgen. Dan komt het leven van Jezus in ons tevoorschijn. Bij het “verkondigen van de dood van de Heer” 1 Korinthe 11 vers 26 (1 Kor. 11:26), uitge­drukt in brood en wijn, doen wij er daarom goed aan allereerst te den­ken aan Zijn dood voor ons en in de tweede plaats aan onze dood met Hem o.a. Romeinen 6 vers 6 en Galaten 2 vers 20 (Rom. 06:06; Gal. 02:20), waarna Hij in ons Zijn leven begint uit te leven: Christus, die in ons gestalte krijgt Galaten 4 vers 19 (Gal. 04:19). Dat is het proces van herschepping en karak­tervorming in ons leven. Naarmate wij ons laten vormen -mede in de omgang met elkaar- kan de gemeen­schap en de eenheid toenemen. “Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken”(delen in Zijn lijden) kost ons onze oude bestaanswijze en het vle­selijke ik-gerichte denken, zelfs als we dit verdedigd hebben met “ons eigen, lieve leventje”, maar wij ver­krijgen langs die weg (meer en meer) goddelijk leven in onszelf Johannes 6 vers 53 (Joh. 06:53). Dat is een proces, om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden Filippenzen3 vers 10 (Filip. 03:10), om het doel van het volkomene na te jagen Filippenzen 3 vers 12 (Filip. 03:12).

Meer dan herinnering

Velen vieren avondmaal als herinne­ringsmaaltijd aan het ene grote offer dat Christus ruim 2000 jaar geleden bracht en dat is heerlijk en goed.

Voor nu is het daarbij van belang jezelf te beproeven 1 Korinthe 11 vers 28

(1 Kor. 11:28), te beoordelen 1 Korinthe 11 vers 31 (1 Kor. 11:31) en te onderzoeken 2 Korinthe 13 vers 5 (2 Kor. 13:05), bijvoorbeeld: pak ik serieus de strijd tegen de zonde (machten) aan in mijn eigen leven? Paulus’ sprak in zijn situaties: “ik sterf elke dag” 1 Korinthe 15 vers 31 (1 Kor. 15:31), figuurlijk gesproken vierde hij daar­om elke dag avondmaal in de gemeenschap aan Zijn lijden tijdens verzoekingen vergelijk Hebreeën 2 vers 18 en Hebreeën 5 vers 8 (Heb. 02:18 en Heb. 05:08). Hij vocht met “wilde dieren” (=beeld van demonen) 1 Korinthe 15 vers 32 (1 Kor. 15:32) en tot die goede strijd van het geloof zijn wij eveneens geroe­pen.

Wij blijven avondmaal vieren, ook toekomstgericht, namelijk “totdat Hij komt” 1 Korinthe 11 vers 26 (1 Kor. 11:26) en smaken zo alvast de feestvreugde in een voorproefje van het bruiloftsmaal van het Lam Openbaring 19 vers 9 (Openb. 19:09). Nu al feest vieren- want ons Paaslam is geslacht: Christus- is de opdracht, maar niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid 1 Korinthe 5 vers 7 en 8 (1 Kor. 05:07-08). Niet voor niets wordt er gesproken over de beker van dank­zegging! 1 Korinthe 10 vers 16 (1 Kor. 10:16). Naast de persoonlijke, individuele kant van het avondmaal heeft het avondmaal een organische, gemeen­schappelijke dimensie. Waarachtig christendom is geen individualisme! Het ene brood symboliseert immers het ene lichaam 1 Korinthe 10 vers 17 (1 Kor. 10:17). Het gaat om de tafel en de maaltijd van de Heer en niet om een denomina­tietafel, waar andere christenen geen deel aan mogen hebben. De voor­waarde is dat iemand Jezus Christus kent als Heer en Heiland en in vrede leeft met zijn naasten, in en buiten de gemeente, voor zover het van hem of haar afhangt.

Grote verschillen

Destijds was ik eens in een “geslo­ten” Vergadering en brood en beker werden vakkundig achter mij om doorgegeven. Men legde alle nadruk op ernst en eerbied en er was een vrees voor vreemde besmettingen. De blijdschap ontbrak, evenals een poging om een broeder in Christus te (h)erkennen.

Was of is de tafel en de maaltijd des Heren het monopolie van de Vergadering-broeders ? In de uiterst rechterflank van de Reformatorische kerken, de zgn. “zware” kerken, nemen in een groot kerkgebouw met pak weg duizend mensen misschien zo’n 30 mensen deel aan het avondmaal.

Men is bang dat men zich een oordeel eet en drinkt, naar de klank van 1 Korinthe 11 vers 27 (1 Kor. 11:27), waar evenwel bedoeld wordt “op onwaardige wijze”, dat wil zeggen in de Korinthe-gemeente waren sommigen dronken en ande­ren waren hongerig bij de liefde­maaltijden en men kon niet op elkaar wachten). Bijna niemand weet in zulke kerken zeker dat hij of zij een kind van God is en de leer- geest van de uitverkiezing houdt de zielen gebonden en blokkeert hun wil. De boze misleidt de grote meer­derheid, maar toch veroordelen zij bijna alle andere christenen en in hun kerken mag je het niet van vreugde laten druisen. Het omgekeerde komt ook voor aan de andere zijde van het spectrum.

Naar bekering en wedergeboorte wordt nauwelijks gevraagd, laat staan erover gesproken bij zoge­naamde “licht” hervormden en gere­formeerden. Op grond van een alge­meen geloof nemen bijna “Jan en alleman” daar een stukje brood en een slokje wijn, maar hun verstaan van het gemeenschap hebben met Christus is over het algemeen opper­vlakkig. Velen leven in zonden en zijn gebonden, maar wie heeft hen de volle raad van God gepredikt? Kinderen worden er, alsof het van­zelfsprekend was, gedoopt en deze gaan ook automatisch naar het avondmaal, terwijl Paulus spreekt tot “verstandige mensen” 1 Korinthe 10 vers 15 (1 Kor. 10:15) en zelfbeproeving voor een kind erg moeilijk is 1 Korinthe 11 vers 28 (1 Kor. 11:28). Bij Rooms-Katholieken is het avond­maal een magische zaak geworden, waarbij de priester bij de communie aan jou de ouwel geeft (brood in wijn gedoopt). Zij menen dat Christus op mystieke wijze Zelf tot brood en wijn wordt. Deze tekenen zijn echter als symbolen bedoeld, terwijl Christus geestelijk aanwezig en tegenwoordig is.

In volle evangeliekringen is het deel­nemen aan het avondmaal een blijde zaak. Daarbij hoort gejubel over de verlossing in Christus en feestvreug­de. Daar zijn dankgebeden en loflie­deren te horen. Prachtig!

Zelfonderzoek nodig

Toch zal ook het aspect van een gezond zelfonderzoek -een zichzelf beoordelen in Gods licht- zijn plaats mogen hebben. Ernst en blijdschap horen immers bij elkaar! Als je je iets herinnert wat een andere broe­der tegen je heeft, dan wil je dat graag eerst in orde maken Matteüs 5 vers 23 en 24 (Matt. 05:23-24).

Hoe zou het kunnen met bitterheid en wrok in het hart tegen een ander avondmaal te vieren? En hoe is het mogelijk als je nog een dubbelleven leidt aan het avondmaal deel te nemen? Gij kunt niet aan de tafel des Heren en aan de tafel der boze geesten deelnemen en hetzelfde geldt voor de beker 1 Korinthe 10 vers 21 (1 Kor. 10:21). Het gedeelte wordt scherp ingezet met: “ontvlucht de afgoderij” 1 Korinthe 10 vers 14 (1 Kor. 10:14). Overwegen om deel te nemen is zonder meer nodig en deelname mag niet klakkeloos voor de vorm gebeuren. Wie zijn zonde wil vasthouden, kan beter niet deel­nemen.

Verantwoordelijkheid

Je drukt met dat ene brood als beeld van het lichaam en met die stukjes als beeld van de leden, die allen een deel van het geheel zijn, eenheid in Christus uit. Naar mijn begrip wordt er veel bij het avondmaal gewezen op onze persoonlijke verantwoordelijkheid, maar er is ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waar de oudsten in de eerste plaats over waken. Zijn er openbare zonden in de gemeente dan belemmeren die echte eenheid. Dan zou de apostel zeggen: “Uw roem deugt niet. Weet gij niet dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd” 1 Korinthe 5 vers 6 en 7 (1 Kor. 05:06-07). Slechts een reine en heilige gemeente drukt de eenheid in Christus en de gemeenschap van de heilige(!) Geest goed uit!

De gemeentesamenkomsten zijn open en er is ruimte voor zond­aren, die mogen komen zoals ze zijn, om vervolgens gaandeweg te (willen) breken met hun zonden en gebondenheden. Want de gemeente zal de boze en zijn invloeden willen weren en buiten houden, maar door liefde en warmte van God mensen verlokken tot het heerlijke heil. Zij zal een gesloten front vor­men naar het rijk der duisternis en geestesmachten elke plaats of claim in haar midden ontzeggen. Die mogen geenszins onder ons mee “tafelen”!

 

Verhouding tussen mens en engelen door Hessel Hoefnagel

Het boek Job in het licht van het evangelie deel 2

Uit de context van de bijbel leren we, dat er drie afzonderlijke wezens zijn: God, mens en engel. Dat komt ook in Job 1 vers 6 tot en met 12 (Job 01:06-12) naar voren. Zowel het wezen mens als engel hebben elk een duidelijk door de Schepper afgebakende taak en bestemming.

Het wezen mens is bestemd om in verbinding met God te heersen over de werken van Gods scheppende hand Genesis 1 vers 26 tot en met 28 en Johannes 6 vers 27 tot en met 29 en Johannes 9 vers 4 (Gen. 1:26-28 en Joh. 6:27-29 en Joh. 9:4 en 1 Korinthe 12). Het wezen engel echter is bestemd om de mens te dienen in die opdracht.

De werken Gods worden gerealiseerd door het lichaam van Christus’. Engelen worden in het Oude Testament van de bijbel wel aange­duid als ‘morgensterren’ en als ‘zonen Gods’ Job 38 vers 7 (Job 38:07).

De val van Lucifer

In Jesaja 14 vers 12 Septuaginta (Jes. 14:12) wordt volgens veel bijbeluitleggers de val van de engelenvorst Lucifer weergegeven. Deze vooraanstaande engel wordt algemeen als de latere duivel en satan gezien. Zo worden er in de bijbel drie aarts­engelen genoemd: Lucifer, Gabriël en Michaël. Lucifer (lichtdrager) is dan door zijn opstand tegen God tot duivel en satan (tegenstander) geworden. Zijn val vanaf zijn hoge engelenpositie in de eeuwigheid vóór de schepping van de mens werd mogelijk veroorzaakt, doordat hij zich als wezen engel niet ondergeschikt wilde maken aan de door de Schepper beoogde positie van het wezen mens.

Ik stel me de val van Lucifer daarom als volgt voor: Toen de Schepper in de eeuwigheid de positie van de aarde bepaalde als woonplaats voor het toekomstige wezen mens, waren de engelen vol verwondering en jubel aanwezig; ook Lucifer als voor­aanstaande en wellicht de hoogstgeplaatste engelenvorst. In Job 38 vers 4 tot en met 7 (Job 38:04-07) antwoordt de Schepper Job vanuit een storm. De tekst luidt letterlijk vanuit de Septuaginta (Griekse vertaling van het Oude Testament in circa de derde eeuw vóór Chr.): ‘Waar waart gij, toen Ik de aarde fundeerde? Vertel het Mij, als gij de kennis daar­toe hebt. Wie bepaalde de afmetin­gen daarvan, als gij het weet. Wie strekte over haar een meetsnoer uit? Waarop zijn haar grondvesten neergelaten en wie was het, die de hoek­steen heeft gelegd? Toen de sterren werden gemaakt, prezen al Mijn engelen Mij met een luide stem’… Dus ook Lucifer als ‘beschuttende cherub’ temidden van de ‘vlammen­de stenen’ op de ‘berg der goden’, zoals hij in Ezechiël 28 vers 16 (Ez. 28:160 wordt voorgesteld. De engelen zouden weliswaar tot ‘winden’ en tot een ‘vuurvlam’ zijn, maar de ‘Zoon des ménsen’ zou de ‘koninklijke scepter’ ontvangen en de plaats aan Gods ‘rechterhand’ innemen. De plaats nota bene, die Lucifer zich eigen wilde maken door zich ‘boven de sterren Gods’ te willen verhogen en zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen Jesaja 14 vers 13 en 14 (Jes. 14:13-14).

De hoge status van de mens

Naarmate de schepping van de ‘aarde’ vorderde als ‘woonplaats’ voor het wezen mens en deze namens de Schepper daarover als wettige beheerder zou gaan functio­neren, werd steeds meer duidelijk, dat het wezen mens uiteindelijk zou uitgroeien van een status ‘kind van God’ tot een veel hogere status ‘zoon van God’, dus aan de Allerhoogste gelijkvormig. Het wezen mens zou ook ‘erfgenaam van God’ zijn, een ‘afdruk en afstraling van Diens wezen en heerlijkheid vergelijk Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03). Dus naar Gods beeld en gelijke­nis, zoals de Schepper het van oor­sprong bedoelde Genesis 1 vers 26 (Gen. 01:26). Alle engelen (ook dus Lucifer als engelenvorst) zouden daarom de mens moeten huldigen vanwege diens hogere positie. Het wezen engel zou in de verhouding tot de Schepper en als éérdere schepping toch ondergeschikt zijn aan het later geschapen wezen mens. De engelen zouden de mens in diens ontwikke­ling tot zoonschap moeten beschut­ten en dienen. De mens zou tot ‘zoon van God’ worden en zich in die positie mogen stellen aan de rechterhand van de majesteit in de hoge, hetgeen voor de engelen niet is weggelegd Hebreeën 1 vers 1 tot en met 14 (Heb. 01:01-14). Lucifer dacht zichzelf als engel het hoogst denkbare wezen in Gods schepping, maar hij bleek niet alleen ondergeschikt te moeten zijn aan het na de engelen geschapen wezen mens, maar dit ook nog tot een ‘slechts’ ‘beschuttende cherub’ te moeten zijn temidden van de andere ‘vlammende stenen’. Door deze ontwikkeling in de schep­ping stokte de jubelzang van deze ‘morgenster’ en ‘zoon van de dage­raad’. Er kwam jaloezie in het hart van Lucifer. Hij werd als het ware

‘op de proef gesteld’ en hij kwam daar niet goed doorheen. Zijn ver­meende eer en trots werden gekrenkt.

Er kwam onrecht in zijn hart en hij raakte vervuld van gewel­denarij jegens de mens. Hij kwam tot zonde en afval van God Ezechiël 28 vers 15 e.v. (Ez. 28:15)

Hij verloor daardoor zijn positie en werd verbannen vanaf de ‘berg der goden’. Zijn bestemming is sinds­dien om te worden ‘neergeworpen’ tot in het ‘diepste der groeve’ (de ‘poel des vuurs’) Jesaja 14 vers 15 en Openbaring 20 vers 10 tot en met 14 (Jes. 14:15; Openb. 20:10-14). (Lees met betrekking tot de val van Lucifer voor uzelf de pro­fetieën van Jesaja 14 en Ezechiël 28 over de ‘koning van Babel’ en de ‘vorst van Tyrus’).

De mens in de hof van Eden

Niet alleen het wezen engel werd ‘op de proef gesteld’, toen bleek dat de Schepper een hoger staand wezen ging scheppen, dat door de engelen ‘gediend’ moest worden. Later gebeurde dit ook met het wezen mens in diens ontwikkeling tot zijn goddelijke bestemming. Toen de tijd daarvoor door de Schepper rijp werd geacht, werd het wezen mens namelijk in de zo genoemde ‘hof van Eden’ geplaatst. Daar zou hij geconfronteerd worden met de bestaande geestenwereld, zowel in het positieve als in het negatieve.

De ‘hof van Eden’ is een stoffelijke voorstelling van geestelijke zaken en wordt ten onrechte ook wel ‘paradijs’ genoemd, maar was dat bij lange na niet. De aanduiding ‘paradijs’ komt slechts drie keer in de bijbel voor:

De eerste keer, toen de Heer Jezus aan het kruis hing en aan de gelovi­ge moordenaar naast hem beloofde, dat deze ‘heden met Hem in het paradijs zou zijn’ Lucas 23 vers 43 (Luc. 23:43).

Vervolgens sprak de apostel Paulus over het ‘paradijs’, waarin hij in de geest was weggevoerd en ‘onuitspre­kelijke dingen’ hoorde 2 Korinthe 12 vers 4 (2 Kor. 12:04).

Tenslotte wordt in Openbaring 2 vers 7 (Openb. 02:07) de aanduiding paradijs genoemd: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens die in het paradijs Gods is’. In de ‘hof van Eden’ komt welis­waar de ‘Boom des levens’ voor, maar ook nog de ‘boom van kennis van goed en kwaad’, waarvan de mens volstrekt niet mag ‘eten’. En ook kan in de ‘hof’ de duivel nog actief zijn om de mens te misleiden en van God af te trekken. Dit is in het ‘paradijs Gods’ onmogelijk. De ‘hof van Eden’ is daarom een scha­duwbeeld van de ‘hemelse gewesten’ te noemen.

We kennen het trieste gevolg van de zo genoemde ‘zondeval’ van Adam en Mannin, die later de naam Eva kreeg. De zonde kwam de wereld van de mens binnen en door de zonde de dood en deze kon door­gaan tot alle mensen, omdat nie­mand de zondemacht (duivel) kon weerstaan en de claim van (de) Dood kon ontgaan Romeinen 5 vers 12 e.v. (Rom. 05:12 e.v.). Ook in de tijd van Job was de duivel als vijand van de mens actief om hem zover te brengen, dat hij God zou verloochenen. Zelfs misbruikte de duivel daarvoor de vrouw van Job, die als gevolg van alle ellende, die over haar gezin werd uitgestort, ver­twijfeld en verbitterd uitriep: ‘Hoe kun je nog in die God geloven, die zoveel ellende bewerkt. Zeg Hem vaarwel en sterf maar, want dat is beter dan dit’ naar Job 2 vers 9 (Job 02:09).

Job geeft God niet de schuld

Net als menig gelovige in onze dagen schreef de vrouw van Job de oorzaak van alle ellende aan God toe. Immers uit Zijn hand zou men zowel het kwade als het goede moe­ten aanvaarden. Maar hoewel ook Job zelf geen helder zicht had op de dingen, die hem overkwamen, wei­gerde hij God de schuld te geven. ‘Hij zondigde met zijn lippen niet’, staat er Job 2 vers 9 en 10 (Job 02:09-10).

Ook in de tijd van de apostel Petrus blijkt de instelling van de duivel nog precies hetzelfde als in de tijd van Job, want deze apostel waarschuwt gelovigen: ‘Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal (kunnen) verslinden. Wederstaat hem echter, vast in het geloof (net als Job), wetende, dat aan uw broederschap in de wereld het­zelfde lijden wordt toegemeten (niet door God, maar door de duivel!’) 1 Petrus 5 vers 9 (1 Petr. 05:09).

Ook wij als gelovigen in de Heer ervaren nog steeds het briesend geweld van de duivel. Wellicht is hij in onze tijd nog meer actief dan voorheen, want hij weet dat zijn dagen geteld zijn en zijn einde nadert in de ‘poel des vuurs’ als eeuwige afgrendeling van enige vorm van licht en leven. Daarom wil hij nog zoveel mogelijk mensen van God aftrekken en met zichzelf meesleuren de diepte in. Hij weet namelijk, dat hij door mid­del van de mens, die hij eigenlijk zou moeten dienen, zal worden uit­geworpen tot in deze ‘buitenste duisternis’, waar slechts ‘geween is en knersing der tanden’. In de ‘volheid van de tijd’, die God al direct na de zondeval in de ‘hof van Eden’ aangaf, werd de duivel dan ook geconfronteerd met de ‘Zoon des ménsen’, die ook tot ‘Zoon van Gód’ werd door de vervulling met de Geest van God. Dus wel aan de Allerhoogste gelijkvormig.

De haat van de duivel

Zijn verlies in deze confrontatie heeft de duivel geleerd, dat zijn uit­eindelijke verwerping in de komen­de ‘volheid van de tijden’ ook door de mens zal plaatsvinden. Daarom haat hij de mens in het algemeen, maar zeker de mens, zoals Job en het ‘nageslacht’ van onze Heer Jezus, die Godvrezend zijn en wijken van het kwaad, dat door hem in de wereld is gebracht. De duivel siddert voor de éénheid en onverdeeldheid van de levende God, Jakobus 2 vers 19 (Jak. 02:19) ingaat, zuiver willen leven naar de bedoe­ling van God,

ook voor anderen op de bres staan en hen daardoor ook heiligen en trachten te redden van de onder­gang, zodat ze niet meegesleurd worden door de machten der duis­ternis.

Het boek Job schildert als aanloop enkele taferelen, zowel in de hemel als op de aarde. In deze taferelen worden de dingen achter de dingen duidelijk. We lezen dan in dit boek over ‘zonen Gods’, in dit geval enge­len, die zich voor de troon van God moeten verantwoorden over hun bezigheden op aarde, het domein van de mens.

Volgende keer: De plaats van de duivel als veroorzaker van lijden.

Jakobus 2 vers 19 (Jak. 02:19). En waar deze door Zijn Geest zich verbindt met de mens, siddert hij ook voor dit ‘zaad van de eerste mens’ (vgl. ‘zoon des men­sen’), dat hem door de kracht van de Geest van God ‘de kop zal vermorze­len’ Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15).

En vanuit deze angst zal hij de gelo­vige mens(heid) benauwen en zolang hij daartoe in staat is, ‘de hiel vermorzelen’, dus in het voortgaan tot het doel van God belemmeren en mogelijk geheel daarvan afhouden. Hij is temeer actief naarmate zijn tijd nadert. Op alle mogelijke manie­ren, zelfs vermomd als ‘engel van het licht’, is hij bezig mensen gevan­gen te nemen in zijn netten. En hij slaat daarbij zijn oog specifiek op mensen, die net als Job:

  1. zichzelf heiligen, dus afzonderen van alles, wat tegen de bedoeling van God ingaat.
  2. Zuiver willen leven naar de bedoeling van God.
  3. Ook voor anderen op de bres staan en hen daardoor ook heiligen en trachten te redden van de ondergang, zodat ze niet meegesleurd worden door de machten der duisternis. Het boek Job schildert als aanloop enkele taferelen, zowel in de hemel als op de aarde. In deze taferelen worden de dingen achter de dingen duidelijk. We lezen dan in dit boek over zonen Gods, in dit geval engelen, die zich voor de troon van God moeten verantwoorden. Over hun bezigheden op aarde, het domein van de mens.

Volgende keer de plaats van de duivel als veroorzaker van lijden.

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

De vijand heeft talrijke pijlen op zijn boog om ons af te leiden van de geloofsweg die wij gaan en ons te brengen op zijwegen van verwarring, twijfel en ongeloof. Dat geldt zeker voor alles wat er in de wereld gebeurt en waarmee we dagelijks geconfron­teerd worden. Zij die zich bewust zijn dat ze hun plaats hebben gekre­gen met Christus in de hemelse gewesten, laten zich echter niet aflei­den door al het negatieve wat er in de zichtbare wereld gebeurt. Zij weten wie de veroorzaker is van al het onheil en onvrede dat er plaatsvindt. Hun plaats is rotsvast gefundeerd in Hem die gezegd heeft: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”, (dus zowel in de onzichbare als in de zichtbare wereld).

De invloed van het gedrukte woord op ons leven

‘Ontlezing’ is een woord dat de laat­ste jaren steeds vaker wordt gebruikt om aan te geven dat er steeds min­der gelezen wordt. Dat geldt vooral voor de jonge generatie die opgroeit met alles wat met moderne vormen van communicatie te maken heeft zoals internet, televisie, telefonie, etc. Woorden als shatten, sms-en, downloaden, beeldtelefonie en digi­tale televisie geven aan dat deze ont­wikkeling razendsnel verder gaat en het gedrukte woord gaat verdringen. Vooral kranten zien een achteruit­gang in het aantal abonnees, al pro­beert men dit nog af te remmen door te fuseren, door bijvoorbeeld over te gaan op het kleinere tabloid­formaat (Het Parool, Trouw) of door gratis kranten beschikbaar te stellen in trein en ziekenhuis en andere plaatsen waar veel mensen komen (Metro, Spits).

Alleen tijdschriften hebben wat min­der last van ontlezing vooral als ze doelgroep-gericht zijn. Het aantal titels neemt zelfs toe, waarbij de zogenaamde glamourbladen met veel foto’s de boventoon voeren. Ook nieuwe boeken verschijnen aan de lopende band. Vooral als men een

bekend gezicht is van de televisie is een ‘eigen boek’ bij voorbaat verze­kerd van succes.

Ook de nieuwe vertaling van de bijbel heeft veel ingang gevonden, mede dankzij een intensieve en professionele reclamecampagne. Sommigen hebben de nieuwe ver­taling echter alleen aangeschaft om de literaire betekenis, maar het gaat bij de bijbel natuurlijk in de eerste plaats om het ontdekken van de wer-l kelijke betekenis waarbij de kern – het geloof in Jezus Christus, Gods zoon- centraal staat en een door­gaande positieve verandering en invloed in ons leven heeft.

Lezen én handelen

Daaraan moesten wij ook denken toen een boekbespreking in Trouw begon met de volgende opmerkin­gen: “Per dag komen er honderden nieuwe titels bij. Het zijn er veel te veel. Wat leren we trouwens van lezen? Niet zoveel, zegt de Mexicaan Gabriel Zaid, als we na het lezen niet handelen…” Vele boeken worden uiteraard alleen geschreven voor ontspanning of om het eigen ego te strelen, zoals dat vaak met bekende figuren van de televisie het geval is. Onlangs kregen we een boekje onder ogen waaruit blijkt hoe een boek grote invloed kan hebben op iemands leven. Onder de titel “Het beslissende boek” vertellen verschil­lende Nederlandse en Vlaamse schrijvers over het boek dat hun leven veranderde. Het is interessant te lezen hoeveel impact een boek

Kan hebben op iemands leven, soms las ook in negatieve zin. Maar iemand die oprecht op zoek is naar de betekenis van ons bestaan en de kern van het echte leven, zal niet verdwalen in de vele gedachten en meningen van anderen, maar uitein­delijk door Gods Geest overtuigd worden dat vrede met God en de medemens alleen te vinden is bij Jezus Christus, die ons de weg wijst naar God, de bron van alle leven. Al leven wij in een tijd van ontle- zing, het is daarom goed om niet te vergeten te bidden en te geloven dat ook vele jonge mensen door het lezen van positieve lectuur (of op jfidere wijze!) het echte geluk en de innerlijke vrede leren kennen,

Honderd jaar zangbundel Johannes de Heer

Dit jaar is het precies honderd jaar geleden dat de eerste druk van de Zangbundel van Johannes de Heer uitkwam. Vrijwel iedereen kent wel liederen uit deze bundel, zoals: Welke een vriend is onze Jezus’ en Volle verzeek’ring, Jezus is mijn’ en andere. De bundel was jarenlang het meest gebruikte liedboek in evange­lische en pinksterkringen. Wie was deze Johannes de Heer? Het magazine Elsevier schenkt er in een artikel van Gerry van der List aandacht aan en schrijft onder meer: “Samensteller van de zangbundel was een kleurrijke evangelist die handelsgeest en belangstelling voor muziek wist te combineren. Al op zijn dertiende had hij een baantje als jongste bediende in muziekhan­del Lichtenauer in Rotterdam, de stad waarin hij in 1866 was geboren. Van zijn ouders kreeg hij een ‘klein serafien-orgeltje’ waarop hij zichzelf, zo goed en zo kwaad als het ging, leerde spelen. Erg tevreden over zijn prestaties als organist was hij niet. Hij noemde zichzelf een ‘matig dilettantje zonder meer’ en een ‘der­derangs technicus’. Als zakenman boekte hij meer succes. Zijn muziekwinkel Joh. de Heer werd een begrip in Rotterdam. Persoonlijk leed zou De Heer tot een navolging van Christus brengen. Nadat hij in 1893 een zoontje had verloren, stierf drie jaar later ook nog eens een dochtertje. Het ver­driet leidde tot een geestelijke herbe­zinning. ‘Zo werd dit verlies voor ons eeuwige winst. We ontwaakten uit onze slaap en wierpen ons als onverzadigbaren op geestelijke spij­ze’.

De Heer sloot zich, na een mislukt avontuur bij de Zevende-Dags Adventisten, aan bij een Rotterdamse evangelisatiekring, Jeruël. Tijdens bijeenkomsten leidde hij de samenzang, waarbij hem opviel dat een goed liedboek ont­brak. Op reis in Engeland raakte hij onder de indruk van de christelijke ‘opwekkingsliederen’ die gelovigen en zondaars wezen op het belang van een nauwe band met Jezus. Teruggekeerd in Nederland bracht hij in 1905 een aantal van die stich­telijke liederen samen in de ‘Zangbundel ten dienste van huisge­zin en samenkomsten’.

Geen giraffen maar schapen

Bij het selectiewerk lette de Heer vooral op de strekking. Literaire en muzikale kwaliteit kwamen op de tweede plaats. Op de laatdunkende reacties van muziekkkenners en godgeleerden reageerde de samen­steller, zoon van een smidsbaas, met de tegenwerping dat Gods kudde nu eenmaal niet uit giraffen bestaat, ‘maar uit de schapen die Zijn hand wil weiden. U hangt echter de korf met voedsel zo hoog dat een eenvou­dig schaap er onmogelijk bij kan’.

De eenvoudige schapen vonden het in ieder geval prachtig. De zangbun­del van De Heer, waarvan de inhoud steeds werd bijgesteld, was een groot succes, mede vanwege de lage prijs. Het verdiende geld inversteerde de evangelist onder meer in zendings­activiteiten. Tijdens massale bijeen­komsten in tenten, waar zelfs konin­gin Wilhelmina op afkwam, werd de bevolking voorbereid op de weder­komst van Christus op aarde. De leus was ondubbelzinnig: ‘De Heer komt!”‘

Tot zover Elsevier waaraan wij nog willen toevoegen dat de liederen uit de zangbundel van Johannes de Heer vele jaren van gote invloed zijn geweest bij het zingen van geestelij­ke liederen die het persoonlijk geloof in Jezus Christus benadruk­ten. Later kwam er andere liedboe­ken bij zoals ‘Glorieklokken’ en nog weer later, het vooral in volle evange­lie kringen, ‘Breek uit in gejuich’, terwijl momenteel de bundel ‘Opwekkingsliederen’ in vele samen­komsten wordt gebruikt. Van alle bundels kan gezegd worden dat ze een zekere eenzijdigheid hebben.

Eigen bundel

Persoonlijk zijn we voorstander dat de gemeenten een eigen zangbundel hanteren, waarbij een selectie uit de verschillende bundels kan worden opgenomen en nieuw tot stand gekomen liederen uit eigen kring kunnen worden opgenomen. Ook wat het zingen betreft is voortduren­de vernieuwing het kenmerk van een levende gemeenschap. Daarbij kunnen bepaalde oude, vertrouwde liederen behouden blijven, want ook hierbij geldt dat het Koninkrijk Gods nieuwe zowel als oude dingen tevoorschijn brengt Matteüs 13 vers 52 (Matt. 13:52). En wat Johannes de Heer zelf betreft willen wij nog opmerken dat hij sterk de nadruk legde op een ‘spoe­dige persoonlijke terugkeer van Jezus Christus’. Zijn bijeenkomsten werden dan ook ‘maranatha-samenkomsten’ genoemd en degenen die gegrepen werden door zijn predi­king ‘maranatha-christenen’. (Het woord ‘maranatha’ is een Aramese liturgische formule en kan zowel betekenen ‘De Heer is gekomen’ als ook ‘Heer, kom’. Openbaring 22 vers 20 (Openb. 20:20): Amen, kom Heer Jezus’. Andere facetten van het geloofsle­ven, zoals de noodzaak om gedoopt te zijn met de heige Geest, kregen veel minder aandacht. Toch willen wij niet kritisch zijn omdat we een ander moeten zien in het licht van die tijd: de eerste helft van de vorige eeuw met zijn twee wereldoorlogen. Men werd daardoor veelal in beslag genomen door alles wat zich in de natuurlijke wereld afspeelde. Zo meenden sommigen bij de opkomst van Hitler dat hij dé Anti-christ was… Laten we echter dankbaar zijn voor de positieve invloed die Johannes de Heer en zijn zangbun­del op het geloofsleven van velen heeft gehad. En verschillende liederen uit deze bundel hebben ook nu nog voldoende geestelijke waarde in zich om ze met blijdschap te kun­nen zingen.

Groei van Pinkster­beweging stagneert

Het valt niet te ontkennen: de Pinksterbeweging die jarenlang in de lift was wat groei van het aantal nieuwe gelovigen betreft, groeit de laatste jaren niet meer. Trouw schenkt er aandacht aan en schrijft: “Lange tijd groeiden de pinksterge­meenten met zo’n vijf procent per jaar, terwijl de traditionele kerken krompen. Deze groei is nu nog maar één procent (minder dan de bevolkingsaanwas) en vooral toe te schrijven aan het ‘circulation of the saints-principe’: nieuwe groepen kennen geen buitenkerkelijken maar kerkelijke nomaden die eerst tradi­tionele genootschappen als het Leger des Heils bezochten”. Volgens Huib Zegwaart, auteur van ‘Pinksterkerken: geschiedenis en verschijningsvormen van het Pentecostalisme’ zijn er ruim 100.000 leden in zo’n 600 Pinkster­en Volle Evangeliegemeenten. Een nauwkeurige ledenadministratie ont­breekt, maar vermoedelijk zijn er nog eens 100.000 mensen lid van onafhankelijke migrantenkerken of aanhanger van charismatische bewe­gingen.

Trouw schrjft verder dat “aan massa­le evangelisatie tegenwoordig nau­welijks meer wordt gedaan, door het inzicht dat mensen vooral tot geloof komen via goede bekenden die al gelovig zijn.

Regelmatig ontstaan binnen de pinkstergemeenschap nieuwe groe­peringen, die met 200 leden vaak hun maximale omvang bereiken. Waarna er weer een (af) splitsing volgt. Het nieuwe elan hiervan lijkt belangrijker dan het tegengaan van versnippering van de pinksterbewe­ging. Het succes van een nieuwe groep hangt vaak af van de aanwe­zigheid van een charismatisch leider, die zijn visie op anderen weet over te brengen. Sterk persoonsgebonden leiderschap kan echter weer leiden tot sektarisme”.

Opvallend is dat in deze en andere artikelen over stagnerende groei vrij­wel nooit gesproken wordt over de andere groei die gelovigen omvormt tot volwassen christenen. Bij de vor­ming en het zichtbaar worden van het Koninkrijk Gods gaat het juist om déze gelovigen die uiteindelijk een zodanige ‘uitstraling’ hebben dat ze vruchtbare getuigen zijn door anderen over de streep te trekken zodat zij het rijk der duisternis verla­ten en het nieuwe koninkrijk van de levende God binnengaan. We zijn er vast van overtuigd dat zij de basis vormen van de werkelijke Gemeente van Jezus Christus. Zij zijn vol van de liefde van Christus en een levend bewijs wat werkelijk geloven bete­kent.

Optimisme ondenkbaar zon­der realisme

Optimisme is ondenkbaar zonder realisme. Daaraan moesten we den­ken toen we in Elsevier een artikel v lazen van José van der Sman onder de titel ‘Optimisme doet leven’. Zij schrijft dat ouderen met een positie­ve instelling gemiddeld langer leven dan bejaarde mannen en vrouwen met een pessimistische aard. Dit is gebleken uit een Nederlands onder­zoek onder circa duizend mensen tussen de 65 en 85 jaar. Dat was niet zomaar een eenmalig oppervlakkig onderzoek, maar ongeveer duizend mensen uit Arnhem werden dertien jaar geleden medisch onderzocht en gedurende negen jaar gevolgd hoe het verder met hen ging. “Van de optimistische mannen was na negen jaar nog 65 procent in leven, van de pessimistische man­nen daarentegen slechts 40 procent. Bij de vrouwen leefde na negen jaar 70 procent van de optimisten en maar 50 procent van de pessimisten, Vooral de mannen en vrouwen die nog allerlei doelen en toekomstplan­nen hadden, bleken een langer leven beschoren”.

José van der Sman schrijft verder: “De vraag die natuurlijk onmiddel­lijk bij de onderzoekers opkwam, was waarom er zo’n sterke relatie is tussen optimisme en levensduur. Komt het misschien omdat optimis­ten gezonder leven dan pessimisten?

Roken en drinken zij minder? Bewegen ze meer? Eten ze beter? Zijn ze welvarender? Maar zelfs als de gegevens hierop gecorrigeerd werden, bleef het lijnrechte verband overeind. De langere levensduur werd echt veroorzaakt door de zon­nigere kijk op het leven en niets anders. Sterker nog optimisme blijkt net zo’n beschermend effect op de gezondheid te hebben als niet roken, veel bewegen en een goed gewicht handhaven”.

In het artikel wordt verder opge­merkt dat het al langer bekend is dat ernstige vormen van angst, ver­driet en neerslachtigheid het leven kunnen bekorten.

“Wat is optimisme eigenlijk? Volgens VanDale is het ‘de neiging om alles van de beste zijde te beschouwen’. Pessimistische men­sen, kunnen echter volgens een van de onderzoekers, wel leren met behulp van therapie hun eigen rol in levensgebeurtenissen positiever te waarderen. Maar of ze ook kunnen leren om hun toekomst zonniger in te zien is twijfelachtig”. Her artikel eindigt met de vraag of het ook wel wenselijk is dat iedereen onder alle omstandigheden optimis­tisch blijft. Professor Zitman van het Universitair Leids Medisch centrum merkt op: “We moeten de waarde van optimisme niet overdrijven, want dan wordt het een soort gesel. Er zijn nu eenmaal situaties in het leven die pessimistisch stemmen. Soms zijn mensen beter af als ze gewoon somber mogen zijn”. Deze laatste opmerkingen brengt ons ook als christenen terug bij de realiteit van ons dagelijks leven en de wereld waarin wij verkeren. Natuurlijk kunnen wij grote delen van het artikel volledig onderschrij­ven. Iemand die een nieuwe schep­ping in Christus is heeft nu eenmaal een totaal nieuwe kijk op het leven gekregen. Hij leeft in een nieuwe wereld, de wereld van Gods licht en liefde. Neerslachtigheid is vervangen door blijmoedigheid, en pessimisme door optimisme.

Dat betekent niet dat we buiten de werkelijkheid van het leven staan. We hebben oog voor de nood van anderen. Ondanks de tijd van wel­vaart waarin wij in de westerse wereld leven is er veel geestelijke nood. Want wie Christus niet kent kan nooit werkelijk gelukkig zijn. Pas als hij ons leven vernieuwd heeft, komt er het andere, het echte leven. En dan willen we graag dat iedereen dat leert kennen. Dan gaan we niet onverschillig leven met de gedachte: ‘Ik ben gelukkig en onze medemens moet zelf maar zien hoe hij door leven gaat’, maar is er bewo­genheid en liefde voor hen. Dat zijn tevens eigenschappen die ons blij maken en ervoor zorgen dat we, ook als de omstandigheden soms moei­lijk zijn, realistisch én optimistisch in het leven staan.

VOX-preek- cassettes nu ook op website

De stichting VOX Worldwide ver­zorgt al vele jaren een cassettedienst waarop preken zijn opgenomen van voorgangers van diverse gemeenten die achter de boodschap van het Koninkrijk Gods staan. Naar niet minder dan 65 verschillende landen worden de cassettes verzonden en dat ze in een grote behoefte voorzien blijkt wel uit de vele positieve reac­ties die binnenkomen en waarvan er verschillende in de periodiek ver­schijnende nieuwsbrief worden opgenomen. (De gratis nieuwsbrief is aan te vragen bij de stichting VOX Worldwide, Woudenberg).

Alle medewerker(st)ers van VOX verlenen belangeloos hun medewer­king bij het typen, vertalen, inspre­ken, etc. Terwijl het werk verder uit­sluitend in stand gehouden wordt door vrijwillige bijdragen en giften.

Ondertussen zijn de meeste preken ook op een website opgenomen. Daarvoor heeft een broeder uit Canada gezorgd. Dat lazen we in ‘Prisma’ het orgaan van de volle evangelie gemeente te Kampen. Duurt Sikkens schrijft daarover dat Blaine LaBrash deze site geheel alleen de afgelopen 4 jaar heeft opgezet

(www.triumphpublications.com).: “Via het menu VOX Int’ kan geko­zen worden voor het onstream aflui­steren of een geschreven versie. Er zitten veel preken bij van ons beken­de voorgangers. Ik vind dit zo’n mooi voorbeeld hoe we deze nieuwe technologie kunnen gebruiken voor de verspreiding van het evangelie, dat ik het niet kon laten om dit met jullie te delen. Voor een goede audio ontvangst is een bitrate nodig van 96.00 Kbits/s en de technische kwa­liteit van sommige ‘sermons’ laat te wensen over maar desalniettemin… Blaine probeert overigens het nog steeds verder te verbeteren.”

 

Denken dat van boven is door Wim te Dorsthorst

De Bijbel spreekt op verschillende plaatsen over het denken. Kennelijk is het heel belangrijk hoe een mens denkt.

Dat is ook waar, want de manier van denken bepaalt het leven. Om je leven te veranderen, moet je manier van denken veranderen. Achter alles wat de mens doet gaat een gedachte schuil. Je zou het denken het bestu- rings-systeem van de mens kunnen noemen. Alles in de mens heeft een begin in denken en/of begeren en leidt naar een einde!! Een heel triest verhaal van wat ver­keerde gedachten, begeerten en overleggingen voort kunnen bren­gen, is het verhaal van David en Bathséba in 2 Samuel 11 vers 1 tot en met 27 (2 Sam. 11:01-27). Denken en begeren zijn nauw met elkaar verweven en bepalen voor een groot deel het karakter. De Heer Jezus ‘begeerde’ enkel de wil van de Vader te doen en daar was Zijn hele ‘denken’ mee vervuld. De Hebreeën-schrijver zegt dan in Hebreeën 1 vers 3a (Heb. 01:03a): “Deze, de afstra­ling van Zijn heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen”. De Heer heeft het ‘karakter’ van Zijn Vader!

Verjongd worden van denken

Een bekende uitspraak van Paulus over het denken is wat hij schrijft in Efeze 4 vers 23 en 24 (Ef. 04:23-24: “Wordt ver­jongd in de geest van uw denken”. Hij gebruikt dat hier in verband met een totale levens-verandering. Hij roept op: “De oude mens af te leg­gen, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende ‘begeerten’, dat gij verjongd wordt door de geest van uw ‘denken’ en de nieuwe mens aan­doet, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerech­tigheid en heiligheid”. Geweldige woorden van de apostel over twee soorten leven, oud en nieuw, waarbij het scharnier-punt is het veranderen of verjongd worden van denken!

De metamorfose

Het meest bekend is het woord in Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) waar hij zegt: “En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw den­ken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welge­vallige en volkomene”. Ook hier is het scharnier-punt het denken, dat vernieuwd moet worden! Voor: ‘wordt hervormd’, staat vanuit het Grieks: “wordt gemetamorfoseerd”. Het overbekende beeld is dat van de rups en de vlinder. De rups gaat zich verpoppen en dan vindt er een metamorfose, een gedaante-verandering, plaats van rups naar vlinder. Het is een prachtig beeld van wat God voor ogen staat om uit een oude, in zon­den gevallen schepping, een nieuwe schepping te voorschijn te laten komen in gerechtigheid en heilig­heid.

Hetzelfde woord wordt ook gebruikt in Matteüs 17 vers 2 (Matt. 17:02) waar staat: “dat de Heer Jezus voor hun ogen van gedaante veranderde”, bij de verheerlijking op de berg. Veranderen, vernieuwen of verjongd worden van denken, met voor het verstand bijna onbegrijpelijke veran­deringen, is mogelijk door de gena­de van God.

Een nieuwe tijd breekt aan

Met de komst van de Heer Jezus breekt een totaal nieuwe tijds-fase aan voor de schepping. De Heer bracht in het toenmalige Israël een boodschap die haaks stond op hoe die mensen in die tijd dachten en bezig waren. Voor een deel was het een vroom, religieus en wettisch volk. Jeruzalem was het centrum van land en volk met daar weer in, het centrum van hun hele godsdienst. De tempel, die in de dagen van de Heer Jezus mooier was dan ooit te voren. Hun grondwet en verdere wetgeving hadden ze van God zelf ontvangen Exodus 20 vers 1 tot en met 17 en deuteronomium 4 vers 8 (Ex. 20:01-17; Deut. 04:08). Er was een perfecte tempeldienst. Offers werden naar de eis keurig op tijd gebracht. De regering, “het san­hedrin’, werd gevormd door de hoge priester, de priesters, en de schriftge­leerden met de oudsten. De koning had slechts een symbolische functie. Het land was in de dagen van de Heer Jezus bezet door de Romeinen.

De tijd is vervuld

En dan is daar ineens de Heer Jezus, zegt: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie” Markus 1 vers 15 (Mark. 01:15). ‘De tijd is vervuld’, wil zeggen: het door God bepaalde tijdstip, het beslissende moment in de heils-geschiedenis is aangebroken!

Het Grieks heeft voor: ‘bekeert u’ het woord ‘meta-noeite’ en dat heeft naast ‘berouw hebben’ ook de bete­kenis: ‘ga anders denken’. De boodschap die de Heer Jezus bracht had niets te maken met het religieuze systeem waar het volk tot dan in leefde. Het Koninkrijk van God, wat Hij predikte, was niet een zichtbaar koninkrijk, het was niet van deze wereld, maar van de gees­telijke wereld, van de innerlijke mens!

De tijd van het oude, het zichtbare, was vervuld, was vol, voldragen en het had de beloofde Messias, de Christus, de Zoon van God en Zoon des mensen, voortgebracht. Al de profeten hebben juist van Hém gesproken. In Lucas 16 vers 16 (Luc. 16:16) lezen we: “De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich erin”. Een totaal nieuwe tijd brak aan, op de eerste plaats voor het Joodse volk! Dit volk, waar de belof­ten aan waren gegeven, had het eer­ste het recht deze blijde tijding te horen. Voor hen was de tijd van het oude vervuld om nu deel te gaan krijgen aan het Koninkrijk van God! In Handelingen 3 vers 25 en 26 (Hand. 03:25-26) spreekt Petrus in dit verband, de geweldige woorden: “Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden. God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden”. Helaas wordt dit woord, juist door christenen, maar al te vaak vergeten. Juist voor de Joden was de tijd van het oude vervuld! De heidenen had­den immers nog nooit deel gehad aan een verbond!

Alles is vervuld in Christus

Het oude, het zichtbare bleek slechts een schaduw, een afbeelding te zijn van een hemelse werkelijkheid die vanaf nu baan zou breken in Christus. Alles vond z’n vervulling in Hem! Paulus zegt: “Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft” Romeinen 10 vers 4 (Rom. 10:04). Het zichtbare volk uit Abraham bleek een beeld te zijn van een volk van ‘gelovigen in Jezus Christus’, van Joden en heidenen. Dat was de vervulling!! Het ware zaad van Abraham zijn de gelovigen in Christus, bestaande uit Joden en heidenen Galaten 3 vers 29 (Gal. 03:29). Het zichtbare land Israël bleek slechts een afbeelding te zijn van het onmetelijke rijk der hemelen Filippenzen 3 vers 20 (Filip. 03:20). Jeruzalem was slechts de afbeelding van het ware, hemelse Jeruzalem, bestaande uit waarachtig wedergeboren gelovigen, uit Joden en heidenen. De stad die Abraham in de geest gezien heeft en verwacht­te was die hemelse stad met funda­menten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is Hebreeën 11 vers11; Jesaja 62 vers 12; Openbaring 21 vers 10 tot en met 14 (Heb. 11:11; Jes. 62:12; Openb. 21:10-14). Bij God was de hemelse werkelijk­heid, die Hij aan Abraham en Mozes heeft getoond, zodat er een betrouw­bare ‘afbeelding’ gemaakt kon wor­den op aarde Hebreeën 8 vers 5 en Exodus 25 vers 40 (Heb. 08:05; Ex. 25:40).

De tempel was beeld van de mens, met het hart als het heilige der heili­gen waar God zou wonen Johannes 2 vers 19 tot en met 21; Handelingen 7 vers 48; 1 Korinthe 6 vers 19 (Joh. 02:19-21; Hand. 07:48; 1 Kor. 06:19). De hogepriester, met het hele priest­ervolk is beeld van Jezus Christus met Zijn gemeente, bestaande uit Joden en heidenen en al de offers van het Oude Verbond zijn vervuld in Jezus Christus. Hebreeën 4 vers 14 en 1 Petrus 2 vers 4 tot en met 10 (Heb. 04:14; 1 Petr. 02:04-10).

De besnijdenis aan het vlees was slechts afbeelding van de ware besnijdenis des harten Deuteronomium 10 vers 16 en Jeremia 4 vers 4 en Kolossenzen2 vers 11 (Deut. 10:16; Jer. 04:04; Kol. 02:11). Niet langer was men een Jood of Israëliet omdat men van Abraham afstamde en besneden was. “Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de let­ter. Dan komt zijn lof niet van men­sen, maar van God” Romeinen 2 vers 28 en 29 (Rom. 02:28-29). De wet op stenen gegrift, de bediening van de dood 2 Korinthe 3 vers 7 (2 Kor. 03:07), was afbeelding van het ontvangen van de heilige Geest, waardoor Gods wet in het verstand wordt gelegd en in het hart geschreven Hebreeën 8 vers 10 (Heb. 08:10). Dit was een van de grote beloften voor Israël Handelingen 2 vers 39 (Hand. 02:39). En zo zou er nog veel meer te noemen zijn.

Het evangelie

De Heer Jezus predikte en leerde, in vele verschillende gelijkenissen en verhalen ontsloot Hij de gehei­men van het koninkrijk Gods. Wat Hij verkondigde bracht onrust in twee werelden; de geestelijke duistere wereld, waar satan heer en meester is, en in de zichtbare religi­euze wereld rondom Hem. Zijn boodschap werd niet begrepen en er ontstond wrevel en haat tegen de brenger van het beste nieuws aller tijden. Voortdurend probeerde de Heer Jezus hun denken op een ander spoor te zetten, maar ze wil­den Hem niet, ze wezen Hem af en zochten Hem te doden! Alles wat Hij leerde en sprak en werkte, nodigde uit om op te stijgt, en te gaan denken in een andere dimensie, de geestelijke wereld. Hij zocht nooit eigen eer, maar zocht de Vader te eren en de men­sen te dienen! Hij openbaarde krachten die niet van deze wereld zijn. Hij sprak een taal die zo geheel anders was als van de priesters en schriftgeleerden. Hij reageerde anders, hij handelde anders…, Hij was geheel anders!!

Van boven of van beneden

De Heer Jezus liet zien dat je de hele Schrift geestelijk moet leren verstaan en interpreteren, met een denken dat van boven is! In Zijn onderwijs zegt Hij: “Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn getuigenis neemt nie­mand aan” Johannes 3 vers 31 en 32 (Joh. 03:31-32). Ook in Johannes 8 vers 23 (Joh. 08:23) zegt Hij opnieuw: “Gij zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld”. Dat is nou de kern van het probleem; er is een schijnbaar onoverbrugbare kloof. Hij is van boven, Hij is uit de hemel, Hij is niet van deze wereld, en daarin was geheel anders dan al Zijn toe­hoorders.

Geen rupsen maar vlinders

Niemand heeft ooit de bestemming van de mens begrepen. Ook vandaag de dag is het, voor de mens in de wereld zeker, een verborgenheid. Maar ook voor het overgrote deel van de traditionele christenheid is het verborgen. Ja, men denkt en spreekt in termen van: in de hemel komen of naar de hel gaan: van behouden worden of verloren gaan. Maar de eeuwige raadsbesluiten en de eeuwige bedoelingen van God aangaande de mens liggen veel hoger dan het menselijk verstand kan bedenken. Gods eeuwige voor­nemen is om de mens óók te bren­gen op het niveau van Zijn Zoon Jezus.

Dat de mens óók iemand wordt die van boven is, die uit de hemel is en niet meer van deze wereld! Dat is Gods eeuwige bedoeling en Gods eeuwige raadsbesluit in Jezus Christus Zijn Zoon. Om in het beeld van de rups en de vlinder te blijven. God wil dat alle rupsen vlinder worden!! Dat alle mensen, door genade, zullen meta­morfoseren naar het beeld van Zijn Zoon Jezus. Dat hele plan van God ingebed in liefde en genade, onuitsprekelijke grote liefde en genade.

De opdracht van de Heer Jezus

De Heer Jezus heeft aan Zijn aposte­len, door de heilige Geest. Zijn beve­len gegeven over wat ze zouden ver­kondigen.

Te beginnen aan de Joden, die had­den als eerste recht, maar dan ook tot het uiterste der aarde, want het is bestemd voor alle mensen! Handelingen 1 vers 2 tot en met 8 (Hand. 01:02-08).

En hoe de mens dan wel deel krijgt aan dat nieuwe leven, dat leven van boven, spreekt Petrus uit op de Pinksterdag, als hij zegt: “Bekeert u

en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen”. Is dat nu zo belangrijk? Ja, want het is de weg van het vervullen van alle gerechtigheid, die God ons wijst en die de Heer Jezus ons is voorgegaan Matteüs 3 vers 15 (Matt. 03:15).

Dan pas ben je van boven geboren uit water en Geest en kun je binnen gaan en zien in het Koninkrijk van God. Dit is niet een geboorte uit het vlees, de natuurlijke mens, maar een geboorte uit de Geest, en dat brengt de geestelijke mens voort, volgens de woorden van de Heer Jezus Johannes 3 vers 3 tot en met 6 (Joh. 03:03-06).

Geen nieuwe wijn, oude zakken

In genade biedt God ons van Zijn kant alles aan om mensen van boven te worden, nieuwe scheppin­gen in Christus!

Wie zich in gehoorzaamheid laat dopen krijgt, door genade, aan alles deel wat Jezus op het kruis volbracht heeft. De apostel zegt: “Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed” Galaten 3 vers 27 (Gal. 03:27).

Het oude leven wordt dan mede gekruisigd en de zonden afgewassen Handelingen 22 vers 16 (Hand. 22:16), (of zoals Petrus zegt: ‘vergeven’!) Ik heb het in Handelingen2 vers 38 (Hand. 02:38) met hoofdletters geschreven en onderstreept omdat dit belangrijke element van de doop zo vaak vergeten wordt! Bij het opstaan uit het watergraf, wordt je evenals de Heer Jezus, door de kracht van de heilige Geest uit de dood opgewekt, om in nieuwheid van leven te gaan wandelen. Het is te lezen in  Romeinen 6 vers 1 tot en met 14 en Kolossenzen 2 vers 11 tot en met 13 (Rom. 06:01-14 en Kol. 02:11-13. Je ontvangt de heilige Geest als de levensgeest van de nieuwe schep­ping, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerech­tigheid en heiligheid  Efeze 2 vers 24 (Ef. 04:24). Dit is een onvoorstelbaar heerlijk genade-werk van God. Als ik hier­voor stelde dat het voor het overgro­te deel van de traditionele christen­heid ook een verborgenheid is, dan komt dat omdat het fundament voor het nieuwe schepping zijn, zoals de Heer Jezus en de apostelen geleerd hebben, nooit gelegd is. Men dob­bert voort op de kinder-besprenging en de kerkleringen van de vaderen. Wat voor de Joden gold in de dagen van Handelingen, geldt nu zeker ook voor de grote christenheid. Paulus verwoordt dat in 2 Korinthe 3 vers 14 tot en met 16 (2 Kor. 03:14-16).

Er ligt een bedekking over het lezen van de Bijbel waardoor de geestelijke betekenis niet verstaan kan worden. “Maar telkens als iemand zich tot de Here bekeerd heeft verdwijnt de bedekking omdat zij slechts in Christus verdwijnt”. En dan bedoelt de apostel natuurlijk met: “tot de Here bekeerd heeft”, de weg die de apostelen predikten om ‘in Christus’ te komen. Een andere weg is er niet!!

Huisgenoten Gods

‘Het denken dat van boven is’, is mogelijk voor ieder waarachtig wedergeboren mens. Deze zijn bur­gers van een rijk in de hemelen en zij zijn mede met Christus opgewekt en hebben mede een plaats gekre­gen in de hemelse gewesten, in Christus Jezus. Zij zijn medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods Filippenzen 3 vers 20 en Efeze 2 vers 6 tot en met 19 (Filip. 03:20; Ef. 02:06-19). Het is mogelijk te gaan denken als de Vader en de Zoon en als het den­ken zó vernieuwd is, zal dit een volk zijn wat ook geheel anders is in leven en handelen! Geprezen zij onze goede God en Vader voor dit heerlijke genade-plan voor de mensen!

Dat de ontwikkeling van ‘vernieu­wing van denken’ vaak zo moeizaam verloopt, komt omdat er een geeste­lijke strijd gevoerd wordt, juist in het denken. Daarover de volgende keer meer.

 

Het geestelijke wegenvraagstuk door Jack Schoenaers

Ook dit jaar wordt er weer veel aan­dacht besteed aan het zogenaamde ‘wegenvraagstuk’. Ondanks de oproep tot bezuinigen ziet iedereen de belangrijkheid in van dit euvel dat verholpen dient te worden. Onze moderne tijd, met zijn snelle en steeds toenemende verkeer, vraagt immers om een adequaat en geper­fectioneerd wegennet. Goede verbin­dingen zijn nu eenmaal voor onze huidige samenleving een eerste ver­eiste. Allen willen we toch ons doel zo vlug en veilg mogelijk bereiken? Geestelijk gesproken is er ook een wegenvraagstuk. In belangrijkheid overtreft het dan ook vér, dat van het moderne verkeer. David zit ermee opgescheept. De omstandigheden waarin hij verkeert, zijn niet roos­kleurig. Allerlei vragen des levens bestormen hem. Hij staat voor de moeilijkheid van ‘het waarom’? Het is hem niet duidelijk waarom, zo denkt hij, God nu zulke wegen met hem gaat. Het komt bij hem alle­maal over als een onopgelost raad­sel, dat wegenvraagstuk in zijn leven.

Nu is David niet de enige, die zwaar heeft zitten tillen aan zijn proble­men en om een oplossing ervan te verkrijgen. Zeg eens eerlijk, wie van ons heeft het daar nooit moeilijk mee gehad, of misschien nog steeds? Oud zowel als jong hoor je de vraag wel eens stellen: “waarom al die ellende, verdriet, honger, lijden en oorlog? Hoe kan, als er dan toch een God bestaat, Hij dit dan allemaal toelaten?” Met andere woorden, verkeersobstakels zonder tal en bovendien even zovele belem­meringen om Gods weg niet hoeven te bewandelen, die zijn immers toch “ondoorgrondelijk” zegt men en hoe dan ons doel veilig en snel bereiken. Velen hebben dan ook ten aanzien van het “wegenvraagstuk” in hun leven grote strijd, hetgeen bij som­migen resulteert in bitterheid en opstandigheid tégen God en de Bijbel. Anderen komen er zelfs toe om alles wat met “Gods-dienst” te maken heeft, maar over boord te kie­peren. Nu is David echter niet ten onder gegaan, of omgekomen in de verkeerschaos rondom hem. Hij is er grandioos doorheen gekomen! Het hoe en op welke wijze wil hij ons nu duidelijk gaan maken.

David gaat bidden!

In Psalm 25 vers 4 en 5 (Ps. 025:004-005) bidt hij: “Heer, maak mij uw wegen bekend, leer mij Uw paden, leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag.” NBV geeft: “Maak mij met Uw wegen vertrouwd, leer mij Uw paden te gaan. Wijs mij de weg van Uw waarheid en onderricht mij”.

Met zijn ‘wegenvraagstuk’ gaat David dus naar God. Hij legt de oplossing ervan in Gods handen. Zelf weet hij er immers geen raad mee. Maar overtuigt is hij, dat alleen God zelf hem kan helpen daar Die ervan op de hoogte is en uitkomst kan geven. Zó komt hij er dan ook op om zijn hoop, verwachting, geloof en vertrouwen alleen op de Here zijn God te stellen. Nu wil ik geenszins beweren, dat we door net als David te bidden, klaar komen met ‘het wegenvraagstuk’ in onze levens. Een christen leeft namelijk niet alleen uit de oplossing van zijn problemen. God is ook niet automatisch de Heer van onze oplossingen. Maar Hij is wél Heer van onze redding, bevrijding, verlos­sing en van herstel en genezing. Dit alles beleven in de praktijk zal dan ook dienen in te houden dat wij wel degelijk onze volle medewerking hiertoe verlenen. Deze verlossing uit

 banden, gebondenheden en ziekten heeft God ons luisterrijk getoond in Zijn geliefde Zoon. de mens Jezus, de Christus Gods! Als nu iemand over zijn “wegen­vraagstuk’ gaat nadenken, dan is het goed om terecht te komen bij Hem, die gezegd heeft door de mond van David in Psalm 55 vers 2 (Ps. 055:002): Werp uw bekommernis op de Here. Hij zal voor u zorgen.” (De KBV geeft “Leg uw last op de Heer en Hij zal u steu­nen”).

En in 1 Petrus 5 vers 7 (1 Petr. 05:07) staat: “Werpt al uw bekommernis op Hem want Hij zorgt voor u.” (“U mag uw zor­gen op Hem afwentelen, want u ligt Hem na aan het hart*. NBV). In Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06) zegt Jezus zelf: “Ik ben de weg. de waarheid en het leven”. En in (Johannes 8 vers 12 (Joh. 08:12): “Ik ben het licht der wereld, wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar het licht des levens hebben” (Ik ben het licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht, dat leven geeft”, NBV).

Luisteren naar antwoord

Door geloof in die woorden van God komen we uit de vraagtekens van het leven. Belangrijk daarbij is dan ook het leren luisteren naar een antwoord! In Psalm 32 vers 8 (Ps. 032:008) lezen

O wij: “Ik leer en onderwijs u de weg die gij gaan moet; Ik raad u, Mijn oog is op u.” NBV: “Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan. Ik geef raad, op jou rust Mijn oog.” Wat een machtige vertroosting en bemoediging spreken niet uit deze woorden. Ik zou er u van kunnen vertellen wat ze in de vijftig jaar geleden dat ik deze tekst bij mijn doop in water meekreeg in mijn leven hebben teweeg gebracht. Nog steeds betekenen ze alles voor mij en ik ben God dankbaar voor dit persoonlijke “rhema.” Maar al te goed besef ik het niet te kunnen kla­ren zonder Zijn aanwijzingen en wijze raad, ook ten aanzien van de gemeente in woord en weg die we te bewandelen hebben. Mag ik ze van­uit persoonlijke ervaring jullie mee­geven als een ‘baken’ voor ons leven? Dat is een teken dat in zee uitsteek om de vaarroute aan te dui­den.

Zo’n teken of goede raad vinden we in ook in Psalm 37 vers 1 (Ps. 037:001), waar we opgeroepen worden niet afgunstig te zijn, ons niet te ergeren. En dit zeker niet op ‘bedrijvers van onge­rechtigheid of aan slechte mensen, wees niet jaloers op wie kwaad doen, benijd niet wie onrecht plegen’. Werkers der ongerechtigheid en slechte mensen worden immers bewerkt en gedreven door machten uit Dood en dodenrijk, Satan en zijn demonen. Zulke mensen bereiken jammer genoeg het doel van God in en met hun leven niet. “Gluur dan ook niet over hun muur,” van wat zij méér of beter en duurder hebben aan aardse goederen. Let op hun geestelijke wandel en zie of die hen dichter bij God brengt. Is dit niet het geval, benijd hen dan niet, en wees maar niet jaloers, want zulke lieden hebben in de zichtbare wereld blijk­baar dit duidelijke houvast aan aard­se goederen nog nodig om niet totaal ten onder te gaan. Van de andere kant kan het ook een teken zijn van geestelijk gebrek aan hou­vast in de dingen welke God aan wil reiken en welke niet gezien of onderkend worden. Let op hun einde in vers 2: “Ze verdorren snel als gras en verwelken als het jonge groen.” Gij, (wij) echter geheel anders!”

Vertrouwen op God

“Vertrouw op de Here en doe het goede!” Kijk, hoor ik nu iemand hardop denken, daar heb je het nu weer, het moeilijke, dat wegenvraag­stuk. God vertrouwen; alsof dat zo gemakkelijk is, je moest maar eens weten, en dan komen de verhalen aan tegenslagen en teleurstellingen. Maar laten we nu eens eerlijk zijn. Wie maakt het nu ingewikkeld en moeilijk, is het God of de mens zelf? Zijn het inderdaad niet mensen, groot of klein, rijk en arm, geletterd of niet, die steeds maar willen begrijpen. Is daar niet steeds weer de strijd van God en Zijn wil maar niet te begrijpen. Konden we nu maar een oplossing vinden voor al onze vragen, het zou stukken gemakkelijker gaan om te geloven. Als we God nu maar eens na kon­den rekenen denken velen. Merkwaardig, maar in héél Gods Woord staat er nergens dat we moe­ten proberen om God na te rekenen. Wél spreekt de Heer echter van “geloof en vertrouwen en van daaruit te handelen.”

Vertrouwen heeft immers te maken met het feit dat we met zekerheid hopen en geloof hebben in iemands goede trouw en eerlijkheid. Dit heeft alles te maken met en of we God kennen zoals Hij is en ons in en door Jezus Christus telkens weer duidelijker voor ogen gesteld wordt. En iemand beter leren kennen heeft uiteraard te maken met het kennen van iemands hartsmotieven en denkpatronen.

Iemand die dan ook vertrouwen heeft, rekent vast op diegene die belooft, en ziet tevens uit naar datge­ne wat is beloofd. Er is een lied in de

bundel van Johannes de Heer, num­mer 410:

Beveel gerust uw wegen.

Al wat u t’harte deert

Der trouwe hoed’ en zegen

Van Hem die ’t al regeert

Die wolken , lucht en winden.

Wijst spoor en loop en baan

Zal ook wel wegen vinden

Waarlangs uw voet kan gaan.

Doe het goede!

Nu is er niet alleen sprake van te vertrouwen op de Here, maar daar volgt op: “En doe het goede!” Goed doen, is wat Jezus deed en ook de apostelen. Datgene namelijk wat in overeenstemming is met de wil van God en de geestelijke leefregels uit Gods Koninkrijk. Als volgt vervat in Markus 16 vers 15 tot en met 18 (Mark. 16:15-18): “Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet geloofd zal worden veroordeeld. Degenen die tot geloof zijn geko­men, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: In mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.”

Ook dit jaar mogen we hier mee bezig zijn, ons tevens ook uitstrek­kend naar geestesgaven en vrucht van Heilige Geest, om daarmede onze hemelse opdrachtgever te die­nen en verheerlijken, dat hij een welgevallen aan ons kan hebben. Verder is er nog sprake van: ‘In het land wonen en getrouwheid betrach­ten en er veilig leven’ (NBV). Wonen is permanent vertoeven in die hemelse gewesten, liefst binnen het koninkrijk van God. Daar dienen we te verblijven tot in lengte van dagen. Dus niet zoals de moderne mens van tegenwoordig hun “second home” opzoeken, er eens uitvliegen noemen ze dit, de drukte van de stad, het verkeer en ook de rompslomp van het vele werk en de enorme verantwoordelijkheid welke men in deze te dragen heeft, meest­al ook nog eens met de nodige ‘stress’ tot gevolg. Dat gemeentele­ven en gemeente-zijn voor zulke mensen er dan ook bekaaid uitziet mag de “getrouwen in den lande” echter niet verhinderen in het nu volgende. “Hemelse visie hebben” op de geestelijke werkelijkheid en vanuit geestelijk, goddelijk gericht denken, “getrouwheid betrachten.” Vanuit geestelijke “eye openers” ook vasthouden aan Gods beloften, daar­bij standvastig en onwankelbaar, plichtsbewust en oprecht in onze bedoelingen, de hoop op de verwe­zenlijking van Gods doelstelling, “te zijn als Jezus,” dit alles onverwrikt vasthouden en om zetten.

Wonen in ‘t beloofde land

Vervolgens geeft David in vers 4 ons een opdracht mee: “Verlustig u in de

Here; dan zal Hij u geven de wen­sen van uw hart!” Net als Abraham zal ons geestesoog onafgebroken gericht blijven op wat God, door Zijn Geest bezig is te doen en verwezenlijken in onze dagen. Dat geestelijke land immers is blijvend en biedt ook betere belof­ten dan deze in het natuurlijke en zichtbare, tastbare aardse leven. In het ons door God beloofde land is het ook mogelijk om voortdurend omgang met God te hebben. Daar ligt immers onze “erfenis,” en om deze in bezit te nemen, er volkomen van te genieten en gebruik van te maken, dienen we er dus te wonen. “Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn!” Matteüs 6 vers 21 (Matt. 06:21). Dat land zag Abraham in de geest en dit land is ons eigendom waarin we ons mogen verlustigen. Verlustigen wil zeggen; opvrolijken en ons vermaken genoegen hebben in hetgeen God ons allemaal te bie­den heeft. Het wil ook zeggen dat we ons kunnen ontspannen. Door bezig te zijn met het verder door­groeien naar volkomen, volmaakt volwassen zoonschap Gods “ont- stressen” we immers. De mens zal als “geestelijke wet onderhouder,” met zijn geest en ziel naar zijn innerlijke mens dus, zich vermaken in Gods onderwijs en leef­regels. Hij zal er tevens dolgraag naar en uit willen leven. Zo iemand zal dan gelijken op de “welzalige of de gelukkige mens” uit Psalm 1: “Die vreugde vindt in de weg van de Heer en zich verdiept in Zijn wet, dag en nacht.” Psalm 19 vers 9 (Ps. 019:09) zegt: “De bevelen van de Heer zijn waarachtig, zij verheugen het hart.” (Voor “waarachtig” geeft NBV “eenduidig”).

Reden tot verlustigen

En Psalm 119 vers 6 (Ps. 119:006) voegt er aan toe: “In Uw inzettingen zal ik mij verheugen of ook ik verheug mij in Uw wetten, Uw Woord zal ik niet vergeten.” Is er dan reden tot verlustigen? Nou en of!! Vele christenen in het Nieuwe Verbond hetwelk er is in en door Jezus bloed, leven helaas nog onder de wet en op wijze van het Oude Testament. Hoe? Door een ononderbroken cirkelgang van zon­digen, vergiffenis vragen, en weer zondigen, en vergiffenis vragen. Ze missen elk inzicht in het koninkrijk der hemelen en hebben ook geen of weinig vertrouwen in de kracht en zalving vanuit de Geest van God, heilige Geest, die in hen wonen wil. Onze verlustiging zal hierin bestaan, dat wie gedoopt is in heilige Geest, daarbij ook “sleutels” ontvangen heeft en deze ook gebruikt om de schatkamer des hemels binnen te gaan, te zoeken en onderzoek doen naar geestelijke rijkdommen daar verborgen, die zal en mag uiteinde­lijk met Paulus kunnen zeggen en getuigen: Als ik het goede wens, dan is Heilige Geest van God in mij aan­wezig, om de wil tot het goede te doen, ook om te zetten in daden ten goede! Zo, en langs deze weg en wijze “ons verlustigen/ zal als uit­komst op vele “wegenvraagstukken,” zijn dat Hij ons inderdaad “geven zal de wensen van ons hart!” Beter nog, dat wij komen bij Gods hart!

Uit de verkeerschaos

“Wentel uw weg op de Heer en vertrouw op Hem!” Opnieuw worden we door David in vers 5 als het ware, vriendelijk bevelend uitgenodigd om uit de verkeerschaos van het leven te treden en onze w eg op de Here te wentelen. Leg je leven maar in han­den van de Heer. Toch vreemd, dat taalgebruik in de Bijbel, en toch ergens weer niet. Want als we David héél dicht bij ons weten te staan, bevreemd ons deze taal geenszins. Er wordt nu namelijk weer eens actie van ons gevraagd. Wij dienen “een keer te gaan brengen” aan héél die, naar de mens gesproken uit­zichtloze toestand. Hoe? Daartoe verplaatsen we ons eventjes naar een beeld uit het dagelijks drukke ver­keer met zijn onvermijdelijke opstoppingen. Er wordt wat afgetoeterd en gefoeterd, met de midden­vinger omhoog of tikken naar het voorhoofd. Het lijkt wel een race op leven en dood met dat laatste inder­daad vaak tot gevolg. Wat een op gejaagdheid en gevloek en een getier op andere bestuurders. Inhalen en voorbij steken waar het helemaal niet mag, en wee je als jij je keurig aan de opgelegde snelheid houdt. Opschieten man “time is money.” Inderdaad blijkt het dit te zijn als er een “proces verbaal” bij hun post zit. Een alternatief?!

Verwachtend uitzien

In vers 7 zegt de NBV: “Blijf kalm en wacht op de Heer.” We worden opgeroepen om vol verwachting uit te zien dat Jezus Christus Zich in Zijn totaliteit openbaren kan in ons leven. En dat het ‘wegenvraagstuk’, waar we in ons leven mee zitten een oplossing vindt vanuit Zijn directe tegenwoordigheid. Bij herhaling worden we er immers op gewezen “om Hem te vertrouwen.”

Daar Hij alleen, en dit met zijn gehele mens en totaal, getrouw geweest is aan Zijn hemelse Vader. Op aarde heeft Hij getrouw, in over­eenstemming met wat God met Hem van plan was, de gedachten doorgegeven. De Hem opgedragen taak ook te volbrengen, deze luidde: “Want het voegde Hem, om wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken” Hebreeën 2 vers 10 (Heb. 02:10).

Ook als doper in heilige Geest, heeft Hij bewezen dat God en ook wij op Hem ons vertrouwen kunnen stel­len. Ook wat Zijn verdere taak betreft “om alles tot volheid te bren­gen,” daar ook kunnen we van op aan. Niet voor niets wordt Hij, Jezus Christus in Openbaring 1 vers 5 (Openb. 01:05) genoemd “de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden en de heerser over de koningen der aarde.” Een getuige spreekt van wat hij gezien heeft en waar hij vanafweet. Ook nu staat Hij nog steeds “Borg” voor het volvoeren van al de raad Gods en Hij is ons “loon” ons door Vader uitbetaald aan Dood om ons vrij te kopen. Borgloon, daar kom ik vandaan, mooie zinspeling toch?

Hij zal het maken!

U denkt of vraagt zich mogelijk wel af of het met mens en schepping van God wel goed zal komen? Wel, ons gedeelte laat ons hier geenszins in het ongewisse over. Luister maar in vers 5 b: “Hij zal het maken, Hij zal dit voor ons doen”! We zouden ook kunnen zeggen: ‘Hij zal met ons handelen overeenkom­stig het goede, welgevallige en volko- mene’. Dit alles is immers vervat in het plan of de weg welke God dank zei Jezus Christus met ons wil gaan. En dat goede werk, dat Hij in ons begonnen is, maakt Hij ook af. Prijst God en de naam van Jezus Christus hiervoor!

Wat een pracht climax het sum­mum, de extase, uitgedrukt als volgt in Hebreeën 10 vers 23 (Heb. 10:23): “Laten wij zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen want Hij die de belofte heeft gedaan is Trouw.”

En dan vervolgens in 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 24 (1 Thess. 05:23-24): “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blij­ken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept is Getrouw; Hij zal het ook doen!!”

Begrijpen we nu waarom ik het had in superlatieven ten aanzien van Gods wil voor ons? Hij zal alles zó maken in ons per­soonlijke leven, onze gezinnen en in de gemeente, ja en zeer zeker ook daarbuiten in de ganse schepping, dat we niet anders kunnen dan ons verwonderen en in bewondering staan voor onze groot en machtige God. Hoe heerlijk is Uw Naam over de ganse aarde!

Overleggen met God

Nu hebben we nog voor één ding uit te kijken en op te passen dat we, zoals velen helaas doen, namelijk bij vers 5 gaan toevoegen: “Hij zal het maken zoals wij het graag hebben willen”. Maar dit staat er gelukkig niet. Velen zijn geneigd dit in hun gedachten eraan toe te voegen. Zó werkt het dus niet! Hoe dan wél? Wel, het mag duidelijk zijn uit het geheel van deze bood­schap; Laten wij het maar houden bij ‘gelovig gebed’, dit houdt immers in dat we naast God blijven staan om samen te overleggen en beslui­ten te nemen wat onze toekomst betreft, deze van allen die ons lief zijn en ook niet vergeten Gods dier­bare schepping. In dit verband dan ook ‘luisteren naar een antwoord van onze hemelse Vader’. Daarbij: ‘niet afgunstig zijn op de bedrijvers van alle kwaad’. Maar wel degelijk: “Op God blijven vertrouwen en het goede doen”. Vervolgens: “In hemels land wonen,” en: “Ons verlustigen in de Here.” Daarbij: “Onze weg op de Here wentelen.” Ook: “Stil zijn en Hem verwachten.” Want: “Dan zal Hij het maken!” Halleluja! Omstandigheden waar we te midden van de verkeerschaos aan wegen­vraagstukken nog vertoeven en waarin ogenschijnlijk nog geen ver­andering is gekomen, gaan wij ver­anderen mede door dit artikel. Dit immers zal bepalend zijn om uit de problematiek van de levensvragen te komen, zodat ons geestelijk gezichtsveld verruimd wordt tot het aanschouwen van de oplossingen welke Hij voor ons in petto heeft. Daarom:      

Laat Hem besturen en waken

’t Is immers wijsheid wat Hij doet

Dan zal Hij alles maken

Dat ge u verwonderen moet

Als Hij, die alle macht heeft

Met wonderbaar beleid

Geheel het werk volbracht heeft

Waarom gij thans nog schreit.

Jammer genoeg uit de schrijver zich hier in de laatste regel over datgene wat nog niet is uitgekomen. Voor ons echter mag het worden -en dit vanuit het zekere weten-: “Hij zal het ook doen!” Dat we gaan “uit­breken in gejuich,” en we Hem voortaan nog méér gaan bejubelen- immers: Hij zal het maken!

 

Bewaard door Froukje Huis

 

‘Voorzichtig hoor, meiskes! Goed uitkijken en niet met vreemde man­nen meegaan.’ Toch wat bezorgd schudt tante haar hoofd. Tante is huishoudster bij een rustende boer die in een klein huis midden in een Fries dorp woont. En ik haar 12 jarig nichtje mag een paar dagen bij haar logeren.

Een kleindochter van de boer, Dicky, die even oud is als ik en een paar dorpen verder woont is net aange­komen en nu gaan we samen een fietstochtje maken. We wuiven de bezorgdheid van tante weg en fietsen welgemoed het dorp uit. ’t Is prachtig weer met een hel­der blauwe lucht en we verheugen ons in onze vrijheid, lekker doen waar we zin in hebben! Het is rustig op de weg. Auto’s zie je nauwelijks, een enkele fietser en soms een boerenkar met een paard ervoor.

‘Hoe vind je het bij mijn ‘pake’? vraagt Dicky Ja wat kan ik zeggen? Ik zie het meisje voor ’t eerst. ‘Ik vond het eerst wat gek dat je opa in een bedstee in de kamer slaapt!’ Gelukkig, ze lacht erom. ‘Weet jij waarom dat touw met die kwast eraan in de bedstee hangt ? vraag ik dan nieuwsgierig. ‘Haha, dat is om pake te helpen overeind te komen!’ Ja dat is te begrijpen, hij is al over de 80. Het kost toch al veel moeite eruit te komen want het bed ligt hoog omdat het onderste gedeel­te als bergruimte wordt gebruikt. Daarom staat er altijd een stoel voor de bedstee.

De weg gaat wat omhoog want we naderen de spoorwegovergang die wat hoger ligt. Uit een zijweg komt een grote boerenwagen volgetast met hooi met een tweede wagen eraan vast, even volbeladen als de eerste.

Twee forse paarden spannen zich in de wagens de hoogte op te trekken. Het gaat langzaam zodat we hen op de spoorwegovergang net hebben ingehaald. De weg is vrij smal maar Dicky fietst langs de wagens die door de helling wat meer vaart krij­gen en dus volg ik haar.

In de verte kuieren twee rentenie­rende boertjes ons tegemoet. De een met een stok, waarmee hij al pra­tend de ander nu en dan wat aan­wijst Ik probeer langs de hooiwa­gens te komen maar het stukje weg dat er naast overblijft, lijkt steeds kleiner te worden en ik haast me erlangs want ik vind het wel wat griezelig. Terwijl ik naast de voorste wagen fiets, zie ik hoe de man in de verte plotseling zijn stok omhoog steekt en hevig gebarend op de weg blijft staan. Ook de ander staat stil te kijken.

‘Wat doen die mannen gek!’ zegt Dicky als we weer naast elkaar rij­den. Dan zijn we binnen gehoorsafstand.

De boer met de stok komt ons tege­moet. ‘Famkes, famkes, wat ben jimme bewaard ‘bleven!’ zegt hij dan bewogen.

Bewaard? Verbaasd kijken wij elkaar aan . Wat bedoelt die man? We stap­pen af. Hij wijst met zijn stok en we kijken in de aangeduide richting. De voorste hooiwagen is tot staan geko­men en… de achterste ligt onderste­boven met zijn hele vracht hooi in de sloot langs de weg juist aan de kant waar wij net langs gekomen zijn! Daarom kon ik er bijna niet door. De achterste wagen was losgeraakt! Een minuut later en ik was meegesleurd. Geen wonder dat de mannen geschrokken zijn We zijn er even stil van, maar later zitten we weer vrolijk babbelend op de fiets.

Pas veel later begreep ik dat ik aan de dood was ontsnapt omdat de Heer bij ons was.

Van jongs af ben ik opgevoed met de bijbel, weet ik wat de Here Jezus voor mij heeft gedaan en ben ik gewend te bidden. Maar dat God werkelijk je met zijn hand beschermt, was toen voor mij geen realiteit.

Nu vraag ik me wel eens af: hoe vaak heeft God me al ‘bewaard’ zon­der dat ik dat beseft heb? Niet alleen voor natuurlijke maar ook voor geestelijke gevaren, zoals bij­voorbeeld occultisme? Onze trouwtekst was: “Mijn oog zal op u zijn” Psalm 23 vers 8 (Ps. 025:008) en we hebben ervaren dat Gods oog altijd op ons geweest is en we geloven dat dat ook nu en in de toekomst het geval zal zijn. In diezelfde psalm staat ook een belofte, vers 10: “Wie op de Heer vertrouwt, omringt Hij met goedertierenheid”.

Daarom roep ik u op met Spreuken 3 vers 5 en 6 (Spr. 03:05-06): “Vertrouw op de Heer met uw ganse hart, ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken en u omringen met zijn goedertierenheid”.

 

 

 

 

 

 

Levend Geloof – 436

2005.05-06 Levend Geloof nr. 436

Persoonlijk

Levend Geloof is een blad waarin het oorspronkelijke evangelie van Jezus Christus een centrale plaats inneemt. Nu komen bij de uitleg in de verschillen­de artikelen nog al eens de woorden duivel, satan, boze, vorst der duisternis’ etc. voor. Sommigen zijn van mening dat we deze door Jezus overwonnen vij­and zo min mogelijk moeten noemen. We moeten hem negeren, is hun mening, want dan geven we hem teveel eer. Daar zijn we het niet mee eens, integendeel, we zijn juist geroepen hem ook te ontmaskeren, te weerstaan en te overwinnen. Dat hoort eenvoudigweg bij ons christen-zijn. Jezus en de eerste christenen zijn daarbij onze grote voorbeelden. Ook zij lieten zich niet intimide­ren door de ‘leugenaar vanaf het begin’, zoals hij ook wel wordt genoemd. Zeer terecht, want hij hoort nu eenmaal niet thuis in het koninkrijk van licht en vrede, wat het Koninkrijk Gods is.

Natuurlijk gebruiken wij bij de verschillende artikelen niet de maatstaf of de naam van de vijand wel op een of andere wijze ter sprake komt. En het is ons ook bekend dat sommigen in het verleden wel eens ‘doorsloegen’ door overal de duivel in te zien. Maar anderzijds gaan we hem niet uit de weg door hem net als Jezus- ‘openlijk tentoon te stellen om zo over hem te kunnen zegevie­ren’. Het zou van kortzichtigheid getuigen als we dat niet deden. Ook in het gewone leven worden wij gewaarschuwd als er gevaar dreigt. Denk alleen maar aan de vele waarschuwingsborden waar we in het verkeer mee te maken heb­ben.

Zo willen wij bij de uitleg van het volledige evangelie ook dit onderdeel niet over het hoofd zien, opdat de volle beleving van het evangelie er helemaal uit gaat komen. Daarbij houden we de woorden van Jezus voor ogen als Hij in Joh. 10:10 zegt dat een dief alleen komt om te roven, te slachten en te vernietigen, maar dat hij gekomen is om het leven te geven in al zijn volheid!

Gert-Jan Doornink

 

Bij de voorplaat door redactie

Ook deze keer treft u op de voorpa­gina en hiernaast weer een afbeel­ding van een vrouw aan naar aanlei­ding van een verhaal uit het Oude Testament.

Na Mirjam (nr. 434) en Ester (nr. 435) gaat het nu om Hanna, de moe­der van Samuël.

We zien hier Hanna terwijl ze bidt in de tempel.

 

Zomeraktie weer van start

Zoals ieder jaar kondigen wij bij het begin van de zomer weer onze zomeraktie aan. Het lijkt wel een soort traditie te worden, maar dat is natuurlijk niet de opzet. Het is noodzakelijk om de financiën van Levend Geloof gezond te houden dat we eenmaal pert jaar deze oproep plaatsen. Het gaat daarbij om een verzoek een extra bijdrage over te maken voor ons werk. Natuurlijk is niemand daartoe ver­plicht. Ook sturen wij geen accept­giro’s, maar rekenen op eigen ini­tiatief van hen die ons werk een warm hart toedragen. Het is heer­lijk te bemerken dat dit bij velen het geval is.

Daaruit spreekt de waardering dat wij het evangelie zo duidelijk en volledig mogelijk proberen uit te leggen, zonder water in de wijn te doen, maar ook zonder extreem of fanatiek te worden. Door uw extra bijdrage draagt u daartoe een steentje bij en bemoe­digt en stimuleert ons vol goede moed op deze weg verder te gaan. Voor overmaking van uw extra bij­drage kunt u gebruik maken van de volgende rekeningnummers:

Gert-Jan Doornink

 

De god van deze eeuw door Peter Annotee

“Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is” 2 Korinthe 4 vers 3 en 4 (2 Kor. 04:03-04).

De god van de eeuw van Paulus

Paulus is geen opvallende verschij­ning. Uiterlijk is hij een kleine man zonder enig fysiek teken van groots­heid. Menigten zien hem over het hoofd. Velen, die wel naar hem lui­steren, zien het toch niet in hem zit­ten. Slechts handjesvol mensen lui­steren lang genoeg om het licht in de woorden van Paulus waar te nemen.

De rest van de mensheid is blind voor de boodschap van Paulus. Hun denken is vervuld met andere din­gen en ideeën. Ze hebben het te druk met hun dagelijkse zorgen. Ze zijn te vol van de waarheden van hun tijd. Ze zien hun leven als beheerst door de krachten van de natuur en de macht van Rome. Ze hebben geluisterd naar de kenners van de Griekse filosofie en de mees­ters van de welsprekendheid. In dat licht schijnt de boodschap van Paulus dwaas en lijken zijn woorden onbeholpen.

De mensen die wél inzien hoe belangrijk de boodschap van Paulus is, gaan ermee aan de slag en zien hun leven erdoor veranderen. Langzaam maar zeker begint ook de rest van de wereld te zien dat er met hen iets aan de hand is… Hun gedrag begint merkbaar af te wijken van wat in de wereld van die tijd gebruikelijk is.

Naarmate zij anders gaan leven dan de mensen om hen heen komen ze ook steeds meer in conflict met de god van hun eeuw. Na een strijd van

drie eeuwen, en ten koste van grote offers, weten ze hem te verslaan. Als overwinnaars nemen ze hun wereld in bezit en maken van hun geloof de godsdienst van eeuwen. Vele eeuwen lijken er geen goden. van de eeuw meer te zijn. Maar als christenen de gevestigde orde gewor­den zijn gaan ook zij, net als voor hen de Israëlieten, vreemde goden aanbidden. En zo komen er nieuwe goden van de eeuw aan de macht. Over één van die goden wil ik het met u hebben.

Een god van onze eeuw

Hij is geen zichtbare god. Hij dwingt mensen niet tot verplichte rituelen. Hij belooft ons wat wij heb­ben willen en hij geeft ons er, gene­ratie na generatie, steeds meer van. Hoe wij hem dienen laat hij ons zelf kiezen. Hij gunt de kruimels van ons leven graag aan andere goden. Juist omdat hij weet dat wij dan niet te zeer zullen gaan missen wat hij ons niet te bieden heeft. Want zolang wij niet heftig gaan verlangen naar wat we nodig hebben, is het leeuwendeel van ons leven voor hem.

Zijn namen zijn welvaart en vrij­heid. Wat abstracter zouden we hem de god van het individualistisch materialisme kunnen noemen. Hij heeft ons verlost van armoede en ons een zeer rijk palet aan bezittin­gen en keuzemogelijkheden bezorgd. Wij zijn, mede dankzij hem, steeds minder gebonden aan

een beperkt inkomen, aan één stad aan één streek, en aan een kleine Kring van buren en familieleden. Wij zij vrij geworden om te gaan en te staan waar wij willen. Wij kunnen ook, meer en meer, doen wat we wil­len. Minstens zo belangrijk is dat we kunnen mijden wat, of wie, ons tegen staat.

In de relatiesfeer heeft deze god van onze eeuw ons geleerd om mensen te behandelen als belangrijke con­sumptiegoederen. Dat betekent dat een verstandig mens natuurlijk zal investeren in relaties maar zich door die relaties zo min mogelijk zal wil­len laten beperken. Het gevolg is dat we dwingende en intensieve relaties die ons weinig speelruimte laten zullen ontwijken en, als ze niet te vermijden zijn, zo laat mogelijk zul­len aangaan. Tot slot zullen we, ten einde ons zo volledig mogelijk te kunnen wijden aan onze zelfverwer­kelijking, geen of weinig kinderen krijgen.

Hoe machtig en geliefd de god van onze eeuw geworden is mag blijken uit het feit dat de mensheid, althans dat deel dat zich tot de westerse cul­tuur rekent, begonnen is met lang­zaam en geheel vrijwillig uit te ster­ven. In onze blindheid zien we het zonder dat het ons deert. Onze god deert het evenmin. Hij wil de wereld best voor hemzelf alleen.

Welvaart in de gemeente

De god van welvaart is niet aan de christelijke gemeente voorbij gegaan. En christenen van alle deno­minaties hebben de welvaart in dankbaarheid aanvaard. Ze verdie­nen ongeveer even veel en consume­ren nauwelijks minder dan zij die buiten de gemeente leven. Natuurlijk consumeren ze bepaalde zaken niet omdat die strijdig zijn met hun overtuiging. Ook kopen ze andere dingen minder dan hun medeburgers. Maar het verschil is meestal klein en de geestelijke gevol­gen dringen door in het hart van de gemeente.

Dat hart van de gemeente is dat Jezus ons tot een familie gemaakt heeft waar Hij het hoofd van is. En wij worden geacht, als broers en zussen, in volkomen afhankelijkheid van Hem te leven. Maar waar heb­ben we Hem nog voor nodig als de dingen van het leven door de god van de welvaart voor ons geregeld zijn? Om onze eerste levensbehoef­ten horen we onszelf niet meer bid­den. “Geef ons heden ons dagelijks brood” is voor ons een betekenisloos gebed geworden. Zelfs van het feit dat Jezus dit heel natuurlijk bedoelt kunnen we ons heden ten dage geen voorstelling meer maken. Een wereld waarin wij zelf, in alle ernst, God iedere dag zouden moeten vra­gen om het eten dat wij nodig heb­ben, is duister voor ons. Al denken we nog dat we leven in afhankelijkheid van onze Heer, feite­lijk vertrouwen we al lang op onze welvaart. Zo zeer zelfs dat het onze visie op God daar sterk door beïn­vloed is. Langzamerhand gaan chris­tenen God als de leverancier van een geloofsproduct zien en Zijn gemeen­te als een religieus dienstencentrum. God is daarmee niet meer belangrijk om wie Hij is maar om wat Hij ons te bieden heeft. Om dat laatste in ontvangst te nemen krijgt Hij een plaats in onze agenda. Ook hoe we vanuit ons geloof over onszelf denken is veranderd onder invloed van onze toegenomen wel­vaart. Waar onze voorvaderen zich­zelf typeren als arme zondaars zijn wij vandaag overtuigd van onze geestelijke rijkdom. De gedachte dat ons zelfvertrouwen misschien eer­der een materiële dan een geestelij­ke oorsprong heeft zien wij als een beschuldiging van de duivel.

Individueel christendom

Welvaart biedt mogelijkheden om uit te kiezen. Gewend als we zijn aan vele opties zijn we ons geloof gaan zien als een zelf gekozen optie. Het idee dat geloven een onont­koombare noodzaak is, ja, een kwes­tie van leven of dood is vervaagt. Ook zonder geloof kan ons natuur­lijke leven lang duren. Geloof voeg je er aan toe om de kwaliteit ervan te verbeteren. Je kiest ook zelf hoeveel tijd en aandacht je daar aan schenkt. En vervolgens kies je een gemeente. Binnen die gemeente zoek je de meest aantrekkelijke broeders en zusters uit om mee om te gaan. Je weegt zelf af of de tijd en het geld dat je in de gemeente en haar leden steekt voldoende oplevert. In het spel van geven en nemen stel je jezelf voortdurend de vraag wat je zelf wilt. In een gemeente die met zijn tijd is meegegaan wordt die vraag ook door de leiding aan jou gesteld; Past wat jij wilt en wat wij willen nog wel bij elkaar? Tenslotte werpt dit individuele chris­tendom iedereen terug op zichzelf. Voorlopige relaties overwoekeren vaste. Gemeenschap vermindert en leden komen los van elkaar te staan. Met het verdwijnen van hechte gees­telijke banden stopt ook de geestelij­ke voortplanting en de gemeente sterft geestelijk af en, daarna, natuurlijk uit.

Zien op Jezus

Als wij deze god van onze eeuw wil­len overwinnen halen we de bedek­king van de heerlijkheid van Christus af. We zien op Jezus. We sluiten onze ogen voor alles wat wij hebben en wat wij willen. We rich­ten ons op Hem alleen. Als onze ogen dan gewend zijn aan het licht wordt Zijn heerlijkheid zichtbaar. Als we lang naar Hem kijken komt Zijn heerlijkheid; Zijn Vader, in Hem tevoorschijn. We horen Jezus vertellen aan zijn discipelen hoe ze moeten bidden: “Onze Vader, die in de hemelen zijt. U wil geschiedde…”. Jezus heeft geen keuze. Hij is er voor één doel. Hij zal doen wat Zijn Vader wil. Hij geeft zich helemaal De enige mate­riële garantie die Hij daarvoor krijgt is dat Hij naakt aan het hout zal hangen. We zien Jezus door het land trekken. Te voet, zonder te weten of er in de volgende plaats weer iemand zijn zal om Hem, en zijn volgelingen, voed­sel en onderdak aan te bieden. Vandaar dat ze bidden: “…Geef ons heden ons dagelijks brood…”. Nergens lezen we dat het Jezus en de discipelen ooit ontbreekt aan dat­gene wat ze echt nodig hebben. Al halen ze soms gewoon eten uit een boom en slapen ze soms buiten, ze komen nooit iets tekort. Als Jezus het brood breekt en de dankzegging uitspreekt geeft hij zelfs duizenden te eten.

Jezus, die zich volledig en voor eeu­wig overgeeft aan het plan van Zijn Vader is opgestaan uit de dood. Hij kan, ook vandaag nog, zo maar men­sen met zich mee trekken: “Volg mij, en ik zal je verdieners van men­sen maken.”. En, voorwaar, ze laten banen en bezittingen achter en gaan Jezus achterna. Ze kunnen er niets voor geven maar mogen er alles voor zijn. Ze willen hun leven verliezen om het te behouden. Soms hoor ik ze bidden. Dan bidden ze zoals Jezus het hun voorgebeden heeft. Met regelmaat zie ik ze naar mij toekomen. Dan geven ze mij wat Jezus hen gegeven heeft. Dagelijks hoor ik ze lopen als ze met Jezus door mijn leven gaan.

 

Saulus veranderd in Paulus door Herman Robbertz

Uit werken der wet

zal geen mens gerechtvaardigd worden.

Alllen die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek!

Want er staat geschreven:

Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles

wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

“Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?”

God zij dank:

Hij heeft ons gered

niet omwille van onze werken

maar door zijn ontferming,

door het bad der wedergeboorte:

Hij geneest ons door zijn Woord en vernieuwt ons door zijn Heilige Geest.

 

Onder de boom door Duurt Sikkens

Over de doop in de heilige Geest is al veel gesproken en geschreven. In het Oude Testament wordt het woord ‘ruach’ gebruikt, in het Nieuwe Testament ‘pneuma’. Beide woorden betekenen ‘levendmakende adem, levensadem, wind’. De eerste die blij­vend met deze Geest werd gedoopt (ondergedompeld in) was Jezus, die daardoor de eerste Christus werd. Deze Geest werd uigebeeld als een zachtaar­dige duif. Na de opstanding is het mogelijk geworden deel te krijgen aan diezelfde Geest, de geest van God. Een mens die de Zoon heeft aangenomen mag deze Geest ontvangen, niet de wereld.

Je ontvangt deze Geest als het eeuwig levensbeginsel in je geest, zeer bewust, Het is het beginsel van de Christus in je, zodat je gaandeweg, ontwikkelen kunt tot een mens die op z’n Vader gaat lijken. In overeenstemming met de gedachtewereld van Hem. Prachtige eigenschappen worden dan ontvouwen en de mooiste, waaruit alle andere tevoorschijn komen, is de liefde van Hem. Deze ‘agapè’ is mét de Geest in ons geplant. Je bent uit liefde gebo­ren en in liefde getogen, zodat Gods gezicht zichtbaar wordt in Zijn kinde­ren en zó is Hij dan aanwezig onder de mensen in de wereld. Het gaat me nu om dat allereerste, pril­le begin van de vernieuwde mens, welk proces in Psalm 139 vers 13 tot en met 18 (Ps. 139:013-018) zo ontroerend en teer wordt beschreven van (voor het) begin tot (na het) eind. Voor dag en dauw heeft Hij aan de mens, aan jou, gedacht. En dit begin, deze conceptie, is zo lieflijk en vindt in alle verborgenheid plaats. Met dat laatste wil ik eigenlijk zeggen dat de Geestesdoop niet een wereldwijde lawaaibeweging is, maar een intiem gebeuren, zonder enige vorm van uiter­lijk vertoon. Immers, bevruchting heeft te maken met wederzijdse zachtmoe­digheid in stilheid en vertrouwen. En deze ‘wording’, van binnen uit en o zo klein beginnend, heeft alles te maken met het koninkrijk van Vader. Dat is niet ‘daar en ginder’ maar binnen in degenen waarin God Zijn welbehagen heeft. Daarbij komen ook de eerste woordjes zoals ‘Abba’ dat Hem als muziek in de oren klinkt. Er ontwikkelt zich een taal des geestes die alleen verstaan wordt in een vertrouwelijk klimaat, in een sfeer van geborgenheid, waarin geheimen tussen geliefden worden uitgesproken. God wil graag zijn diepste gedachten met je delen en tegelijkertijd luistert Hij naar de jouwe. Vooral de dingen die je verborgen hebt moeten of willen houden èn de dingen die jou verborgen hebben gehouden. Er kan zoveel in je ziel gebeurd zijn. Er kan, door onoordeel­kundig handelen zoveel kapot gegaan zijn in je leven of er kan, door het moe­ten voldoen aan een religieuze gedrags­code, zoveel op maat gezaagd zijn, dat je oorspronkeijke leven er bijna bij ingeschoten is. Die ‘schade aan jouw ziel’ heb je zelfs na je bekering opgelopen… Het kan allemaal bedekt zijn door schaamte, schuldgevoelens en zelfs door een vrome sluier, want ‘je mag niet omkijken’ en ‘alles is nieuw’. Dat laatste vinden maar is een onrealistische schijnoplossing. Het gaat erom datje al jouw eigen, kapotte dingen in goede handen durft te geven zodat jouw eigenschappen weer de jouwe zijn, dat jouw ziel gaat genezen. Je noemt de dingen bij hun naam en daar kun je ook deze taal voor gebruiken bij de goede Verstaander. En met oneindige teder­heid zal Hij je uitje gebroken bestaan halen en je overwoekerde wezen tevoor­schijn beminnen. Zijn liefde maakt je weer heel, weer helemaal jou. Deze ‘dingen’ gebeuren is stilheid en vertrouwen.

En dan… Ik zou haast willen zeggen: “In den beginne was er de verwonde­ring”. Wantje teleurstellingen zullen tóch veranderen in geluk binnen de omheining van Gods geborgenheid, ondergedompeld in Zijn liefdevolle Geest die jou omhult in degenen die daaruit ook zijn geboren. Je wordt gelukkig, want Hij is zo geluk­kig met je, omdat je Hem vertrouwt.

 

Aan niets gebrek hebben door Cees Maliepaard

Wie heeft er nog wel eens aan iets gebrek, wie komt er nog wel eens iets tekort? Het idee dat dit zo is, hebben we allemaal wel eens denk ik. Maar bij sommigen is dat ook zo. Zij die al een aantal jaren beneden het bestaansminimum leven, kun­nen van alles tekort komen. Niet iedereen krijgt het minimum loon. Ook mensen die buiten hun schuld van een uitkering afhankelijk zijn, kunnen vrij gemakkelijk al geduren­de langere tijd behoorlijk ver bene­den het laagste loonpeil zitten.

Niets meer over?

Maar het is ook goed mogelijk letter­lijk alles kwijt zijn. Dat trof bijvoor­beeld de bewoners van bepaalde kustgebieden in Azië, na de vloed­golf van december 2004. Denk dat je maar eens in. Alle bezittingen zijn weggespoeld, van de werkplaats is niets meer over, de familie is ver­dronken, de huisdieren zijn dat al evenzeer en wat nog veel erger is: het eigen gezin is vaak voor de ogen van de enig overgeblevene door de woeste vloedgolf meedogenloos meegesleurd. Met daarna in eerste instantie gebrek aan voedsel, kleding en schoon drinkwater. Bovendien dakloos geworden. Wat heb je dan nog over om voor te leven? Niets toch; écht niets!

Of zou er toch iets zijn dat blijvend is onder alle omstandigheden? Ik zou het op eigen gezag niet durven stellen. Maar het staat in het Woord. En daarom durf ik het, zij het ook dan nog met de nodige aarzelingen. Lees het maar eens in een overbe­kend schriftgedeelte: Psalm 23. ‘De Heer is mijn herder’, staat daar, ‘mij ontbreekt niets.’ Dat klinkt goed. Maar de dichter van deze psalm had het ook niet altijd even gemakkelijk Hij werd meer dan eens achtervolgd door het leger van Israël onder aan­voering van Koning Saul. Hij ver­keerde daarbij meermalen in acuut doodsgevaar.

Hij verloor een kind, de liefdesbaby bij Batseba. Zijn dochter Tamar werd verkracht door zijn zoon Amnon, door haar broer dus. Om die reden werd Amnon later op bevel van een andere zoon van David uitgeschakeld, door Absalom. Die gaf zijn legeraanvoerder Abner daar opdracht toe. Al met al nogal wat kommer en kwel voor David, veel narigheid en rouwverwerking. Sowieso al de rouwprocessen bij het overlijden van drie van zijn kinde­ren. Ook David zal dit wel verwerkt, maar nooit vergeten hebben.

De Heer is bij mij

Psalm 23 is dus niet opgebouwd uit ondoordachte of vrome kreten. Het is geloofstaal: ‘De Heer is mijn her­der, het ontbreekt mij aan niets.’ Je zou zeggen dat dit niet beter kan. Wie vindt dat het hem aan niets ont­breekt, geeft daarmee dus eigenlijk te kennen dat hij alles heeft wat zijn hart begeert. Dat is even een gewel­dig item voor evangelisatie! Mensen, de Heer is je herder en Hij vervult al je wensen. Is dat werkelijk zo, hoef je maar te kikken en word ik dan op mijn wenken bediend? Misschien niet als ik de straatprijs van de Postcodeloterij zou willen winnen, want dat vragen waarschijnlijk meer mensen bij dezelfde trekking in allerlei straten. Wanneer de Here God dat allemaal zou willen verho­ren, heeft Hij een probleem. Maar nu wie met serieuze zaken kampt. Wie in de ellende zit, daar al of niet zelf schuld aan hebbend, belijdend dat de Heer onze herder is, zal het gelovige gebed van zo iemand wer­kelijk helpen?

Kun je zeggen: Al gaat mijn weg door een duister dal, het maakt niets uit

voor mij is het altijd licht! Hebben we de beschikking over geestelijk infrarood licht soms? Dat lijkt me niet zo logisch. De duister­nis lost niet op doordat we weten dat Gód enkel licht is. En gevaren ver­dwijnen niet reeds op voorhand voor wie gelooft Jezus als redder te heb­ben. Het is soms al moeilijk genoeg, en ook onverklaarbaar trouwens. Ik denk niet dat er iemand is die op alle ellende een pasklaar antwoord heeft. Maar het is wél waar dat als ik door een duister dal ga, ik me niet hoef te laten beangstigen. Want ik ben niet alleen, de Heer is bij mij. Hij is de goede herder, die me nooit aan mijn lot overlaat. De Heer is als wjn herder aan mijn zijde aanwe­zig; er is geen situatie denkbaar dat ik echt alleen zou zijn. Zijn stok en zijn staf geven mij moed. Maar wat moet ik mij voor­stellen bij de stok en de staf van een herder? Geven die mij troost of moed? De Statenvertaling en de NBG-vertaling hebben ’troost’, in de NBV wordt het weergegeven als ‘moed’. Wel, de kromme stok gebruikte de herder om wilde dieren op een afstand te houden en de lange staf had hij om op te leunen. Wanneer hij dus op z’n gemak op de staf leunde, ging er rust van hem uit en ervoeren de schapen dat als een teken van veiligheid. De herder waakte over hen. En als er verscheu­rende dieren in de buurt waren, en de herder zwaaide beheerst met z’n knotsachtige stok, dan wisten ze dat hij attent op de gevaren was. Hij zou hen wel beschermen, eventueel samen met z’n honden, tegen hun natuurlijke vijanden.

Al ga ik door een duister dal

De schapen stellen de mensen voor die Jezus volgen, in welke denomi­natie en waar ter wereld ook. De Here God is de herder. En Jezus, het beeld van de onzichtbare God, fun­geert natuurlijk ook als onze herder. Maar waar in het Oude Testament de letters van het woord Heer met hoofdletters geschreven zijn, kun je daaruit afleiden dat er in de bron­tekst Jahweh staat, de naam voor God zelf. Waar in de vertaling van diezelfde boeken Heer slechts met één hoofdletter wordt weergegeven, staat er in de grondtekst Adonai, het eigenlijke Hebreeuwse woord voor Heer. En die benaming kan zowel op God als op de Messias slaan. God zorgt voor ons, en hoe! Als het veilig is, laat Hij ons rustig onze gang gaan. Is het dan een en al har­monie in ons leven, een soort per­manente paradijsachtige toestand? Dat moet iedereen maar zo gauw mogelijk vergeten! Maar als er gevaar dreigt is het wél zo dat Hij ons kracht en wijsheid geeft en ons verder leidt langs veilige paden. Betekent dit dat Jezus ons om de vij­and heenleidt en dat de duivel ons dus niet meer benaderen kan? Hebben we nooit meer last van wat voor verleiding door Satan dan ook? En kunnen we in geen enkel geval meer het slachtoffer worden van door de boze geïnspireerde mensen of machten? Nou, onze weg kan écht door een donker dal gaan! Het is dan niet slechts wat schemerig, maar af en toe zelfs pikkedonker. Dan kun je wel eens tegen de Heer zeggen: waar is uw licht nu? Ik zie het eigenlijk niet meer zitten. Maar geloof je dan niet meer dat God en de Here Jezus voor ons in elke situatie heel goede herders zijn? Natuurlijk wel, maar ieder zal daar in de praktijk van het leven mee mogen leren omgaan. Het heeft geen enkele zin te ontkennen dat het dal waar je soms doorheen gaat, aardedonker kan wezen. Het haalt ook niets uit, net te doen alsof er op onze levensweg geen enkel gevaar meer dreigt. Alsof we nu altijd zui­vere berglucht inademen en er nooit meer een vuiltje aan de lucht zit, vanwege een constant wolkloze hemel onder puur volle-evangelie- blauw.

In de rust van de Meester

We mogen onze eventuele angsten te boven komen in de wetenschap dat de hemelse herder altijd bij ons is. Hij wijkt niet van onze zijde, nooit een keer! En doordat Hij via zijn Zoon ons van zijn Geest gege­ven heeft, woont Hij in onze harten. Hij heeft (evenals Jezus) intrek bij ons genomen door zijn Geest met die van ons te verbinden. Dat is onze garantie als we in een duister dal verkeren: we hebben ook daar de beschikking over het licht van God. En we hoeven voor de ons omringende gevaren niet echt bang te wezen, want de Heer zal ons nooit in de steek laten – niemand van wie Hem toebehoort. Het levenspad kan voor een mens soms duister wezen. En de omstan­digheden veranderen lang niet altijd in gunstige zin voor ons. Maar van binnen is het licht, stralend licht. Want al is de wereld nog zo van slag, het zacht koesterende licht van een liefhebbend Vader verlicht ons levenspad voldoende voor de volgen­de stap. En het verwarmd ons inner­lijk. Dat kan een mens enorm goed doen. Dit betekent niet dat we naar de maatstaven van de wereld een bruin leven kunnen gaan leiden… die garantie hebben we niet. Het wil wel zeggen dat we het naar Góds principes goed zullen hebben. De Here God nodigt ons als het ware aan zijn gedekte tafel. En zijn dis is prima in orde. We mogen thuis zijn in het huis van God. Logisch eigenlijk, want we zijn z’n kinderen… en kinderen horen nu eenmaal bij het huisgezin. Dat we bij Hem aan tafel zitten, wil zeggen dat we ten volle delen mogen in Gods gedachten over ons. We weten uit zijn woord dat Hij gedachten van heil over ons heeft. Daarom zal nie­mand een mens afkraken of veroor­delen. Je zult anderen, maar ook jezelf binnen Gods herstellingsplan een plaats mogen geven. Want dan zit je op Gods lijn, in de rust van de Meester. Ons voedsel is het levende brood en onze drank is het levende water. Het mag bekend zijn dat het levende brood ons in de Christus wordt gegeven, en dat het levende water wordt gevonden in de Geestesdoop en in het blijvend vervuld zijn met de Geest van boven. We mogen net als Jezus ten volle delen in het leven binnen het lichaam van Christus. Onze beker met levend water vloeit over… er is ruimschoots genoeg! Het Hebreeuws heeft hier, letterlijk ver­taald: ‘mijn beker is overvloed’. God geeft dus meer dan we op kunnen.

Goddelijk respect

Wat bedoelt David met de uitdruk­king: ‘Hij zalft mijn hoofd met olie’? Slaat dat op de vervulling met Gods Geest? David dacht daar in elk geval niet aan. Er speelde in die dagen iets heel anders. Het behoorde tot de goede omgangsvormen dat de gast­heer zijn gast wat olie over het hoofd goot. Dat was dan gelijk het betonen van respect voor de bezoeker. De Here God respecteerde David dus klaarblijkelijk. Geen wonder trou­wens, want hij was immers de man naar Gods hart!

In de loop van de geschiedenis zijn er ongetwijfeld veel mannen en

vrouwen naar Gods hart geweest, en ook vandaag de dag zijn er nog wel de nodige te vinden. Maar David was dé man naar Gods hart, omdat hij hierin een type van de beloofde Messias was. En later zou Jezus echt dé man naar Gods hart worden. Maar als God aan David respect betoonde, zou Hij dit dan niet doen aan wie Hij van zijn Geest gegeven heeft? Ik denk nog wel eerder. En ook bij ons heeft de vijand in de hemelsferen het nakijken. Satan ziet het, maar hij kan er niet tussen komen, want van God uit en bij Jezus is de liefdesband onverbreke­lijk. Twijfel daar nooit aan. David verwoordt het zo: ‘Geluk en genade volgen mij alle dagen van mijn leven.’ Dat is een uitspraak! Hij is altijd gelukkig, niet alleen op de goede dagen, maar ook als er kwade dagen zijn.

In het huis van de Heer

David leefde onder het Oude Verbond, maar wist al wel dat zijn geluk niet afhing van de materie of van mensen, maar dat hij te allen tijde gelukkig kon zijn in zijn relatie met de Here God. Daarom geeft hij tenslotte in Psalm 23 te kennen dat hij terugkeert in het huis van de Heer, om daar tot in lengte van dagen te blijven. Natuurlijk ver­wachtte David niet voor altijd in de tabernakel te vertoeven – daar zou hij ook gauw op uit gekeken zijn. Een onbeperkt in de later door Koning Salomo gebouwde tempel verkeren, zou hem evenmin goed bekomen zijn. Want in het huis van de Heer zijn, wil zeggen: contact met God hebben. Altijd in dat huis aanwezig zijn, houdt dus in dat men onafge­broken met God in verbinding staat. Is dat voor ons ook zo? Ja! Zijn we dus op zondagochtend in het huis van de Heer, als we in de samen­komst aanwezig zijn? Ja, maar niet omdat we ons hebben begeven tus­sen de vergaderde gelovigen van de denominatie waar we toe behoren. Ik ben graag in de samenkomst, maar ik moet er niet aan denken altijd binnen dezelfde vier muren te moeten verkeren. Dan zouden die muren al gauw op me afkomen! Maar ik wil wel op elk moment in contact met God staan, zodat ik kan zeggen: Hij zalft mijn hoofd met olie. Of wel: Hij acht mij ontzettend hoog. Maar het is toch allemaal genade? Jawel, maar de Heer schenkt ons die niet omdat we zo zielig zijn en eigenlijk niets voorstel­len. Hij is ons genadig omdat Hij ons zo hoogacht. Want Hij ziet zijn Geest in ons, en dat is een Geest om ‘U’ tegen te zeggen! Maar hoe zit het dan met wie de Geest van God (nog) niet ontvangen heeft? Hoeft die nergens op te reke­nen? Toch wel, want Gods hart staat wagenwijd open, in principe voor ieder mens. Hij heeft: de wéreld zelfs lief, en die liefde kan Hij kwijt aan een ieder die zich er voor opent – Geestgedoopt of niet. Wie een verlangen in het hart heeft naar de Here God en naar zijn eer­ste Zoon, Jezus, is elke dag welkom in het huis van de Heer. Je mag vrijuit voor God en voor Jezus kie­zen. En dat kan, want zij hebben een onberouwelijke keus voor jóu gemaakt.

 

Notities die om aandacht vragen

Traditie of beleving? –

Het chris­tendom kent in het voorjaar enkele feestdagen: Pasen, voorafgegaan door Goede Vrijdag en Pinksteren met tien dagen daarvoor Hemelvaartsdag. De data werden vastgelegd in 325 na Christus op het concilie van Nicea, nadat er in de eerste eeuwen veel strijd over was geleverd. Pasen werd toen vastgesteld op de eerste zondag na volle maan na de begindatum van de lente op 21 maart. De werkelijke betekenis van deze dagen komt echter pas tot leven als men opnieuw geboren wordt en daardoor een echte christen. Dan komt ook het besef dat het niet gaat om de viering van deze dagen alleen, maar om de dagelijkse beleving van de aan­wezigheid van het nieuwe leven in ons. En die komt pas tot ontplooiing als Pinksteren een dagelijkse realiteit in ons leven is geworden: de aanwezig­heid, werking en leiding van de Geest van de levende God die wij dienen. Die Geest leidt ons in alle waarheid en maakt het mogelijk dat we van dag tot dag op de goede weg blijven, de weg die God voor ons ‘aangelegd’ heeft en leidt naar het hart van God: Zijn volkomen­heid.

(Gert-Jan Doornink)

Hoog gegrepen of waar?

De volle-evangeliebeweging blinkt niet uit door overmatige bescheidenheid. De jaren door is er nog al eens hoog van de toren geblazen over eigen leringen en belevingen. Soms steken die er ook wel bovenuit, maar het is een misvatting als het alleen op een verschil in nuance­ring met andermans opvattingen geba­seerd is. Als wij zeggen dat onze gemeenten het evangelie van Jezus Christus in al haar volheid aanvaarden, geloven en belij­den, kan dat hoog gegrepen overkomen, maar dat is het beslist niet. Want wie van ons aanvaardt deze boodschap niet ten volle, en wie gelooft en belijdt dit goede nieuws maar ten dele? Niemand toch! Een zaak van een andere orde is, dat we nog volop in de ontwikkeling van dit alles in het persoonlijke en in het gemeenteleven zitten. Dit houdt dus in dat we het volmaakte wel aanvaar­den, geloven en belijden, maar dat het nog steeds bezig is gestalte in ons leven te krijgen. Zolang het einddoel niet bereikt is, kleven er nog tekortkomingen aan ons bezig zijn in ons persoonlijke leven en in de ontwikkeling van onze gemeenten. Het besef daarvan zal ons geen gevoelens van minderwaardigheid geven, maar het behoedt ons ook voor het hebben van een met de Geest van God strijdig gedachtenpatroon van zelf­verheffing.

(Cees Maliepaard)

Vrije keuze

Een bekend politicus die niet in God gelooft, zei onlangs in een interview: “Misschien is het leven met een God gemakkelijker. Je kunt alles op zijn bord leggen. Maar dan maak je niet je eigen keuzes”. Hier wordt de opvatting gelanceerd dat wie in God gelooft niet meer zelf kan kiezen. Het tegendeel is echter het geval. Inderdaad mogen we bij God alles ‘op zijn bord leggen!. Maar Hij laat ons vrij zelf te beslissen wat wij willen. Wij kunnen datgene wat Hij ons ‘aanreikt’ afwijzen of aannemen. Er iets mee doen of het voor kennisgeving aannemen, ’t Heerlijke is dat Hij ons nooit in de kou laten staan. Hij heeft positieve gedach­ten over ons, Zijn hart is vol liefde en goedheid. En als we beseffen dat we naar Zijn beeld geschapen zijn zullen we ook alles in goede harmonie met Hem overleggen. We zouden onszelf alleen maar benadelen als we niet naar Zijn stem zouden luisteren en daarmee de vijand in de kaart spelen. En daar­van zijn we nu juist verlost. Gelukkig dat we doordat Zijn Geest in ons is, altijd in staat gesteld worden de goede keuzes te maken!

(Gert-Jan Doornink)

Zoeken

Je gaat op zoek wanneer je iets wilt hebben watje nog niet hebt, of niet meer hebt. Als je op zoek gaat, weetje ongeveer watje wilt hebben, wat je nodig hebt. Soms vind je datgene in één keer, zoals een thema voor een stu­die of woord plotseling in je gedachten schiet. Voor andere dingen ben je lan­ger op zoek, bijvoorbeeld wanneer je met een bijbelse studie bezig bent omdat je iets ten volle wilt begrijpen. Zo kan je je hele leven lang bezig zijn met het zoeken naar het koninkrijk van God. En dan bedoel ik niet omdat het zo moeilijk te vinden is! Integendeel. Het Koninkrijk van God is juist heel dicht bij en op ieder moment van ons leven actueel. En niet iedereen hoeft het wiel uit te vinden, door ontdekkingen en ervaringen uit te wisselen leren we van elkaar en zijn we elkaar tot steun. Zo gaat onze zoektocht steeds dieper en verder, zowel in de kennis van het Koninkrijk van God alsmede in onder­steuning van elkaar. In dat spoor nu verder!

(Yvonne Sulman)

Een geschenk van God

Velen menen dat ‘geloven’ een soort prestatie is die wij als gelovigen op moeten bren­gen. God vraagt immers geloof en zon­der geloof is het onmogelijk God welge­vallig te zijn? Maar geloof is in de eer­ste plaats gebruik maken van een geschenk dat God ons geven heeft! Hij heeft de mogelijkheid om te kunnen geloven in ons gelegd. Ook dat hoort bij de dingen waarvan Paulus zegt dat Hij in al onze behoeften heerlijk zal; voor­zien. Wat een rijkdom dat we zo’n God hebben. En dat ook geloof een behoefte is waarin God volop zal voorzien!  (Gert-Jan Doornink).

 

Job en het lijden van de mens door Hessel Hoefnagel

Het boek Job in het licht van het evangelie Deel 1

Met dit artikel begint een serie artikelen over Job. Het is het product van de invulling van een verzoek om een aan­tal bijbelstudies te geven over de per­soon Job en het belang voor het geeste­lijk leven nu.

Ik ben op dit verzoek ingegaan en heb deze studies weergegeven in een aantal artikelen. Naast eigen interpretatie heb ik mede gebruik gemaakt van informatie uit reeds uitgegeven studies over Job, onder andere van br Klaas Goverts. Mogen deze lessen tot zegen wezen voor de lezers van ‘Levend Geloof’. (Hessel Hoefnagel).

Inleiding

Het bijbelboek Job is één van de oudste geschriften van de bijbel. Het boek is door de bijbelonderzoekers gerangschikt onder de zo genoemde Ketoebïm, de Hebreeuwse aandui­ding voor Geschriften. Het Hebreeuwse Oude Testament volgt namelijk een andere indeling van de bijbel dan die wij kennen. De Hebreeuwse indeling weerspiegelt het ontstaan van de oudtestamenti­sche canon:

De Thora:

(Wet, de boeken Genesis t/m Deuteronomium).

De Nebi’im:

[De Eerste Profeten (Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen)] en de [Latere Profeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de 12 kleine Profeten)].

De Ketoebïm:

Job en het lijden van de mens

(Geschriften: Psalmen, Spreuken,

Job, de vijf zo genoemde Feestrollen (Hooglied voor het Paasfeest, Ruth voor het feest der weken, Klaagliederen voor het Vasten van­wege de inneming van Jeruzalem, Prediker voor het Loofhuttenfeest er Esther voor het Poerimfeest), Daniël (!), Ezra, Nehemia, 1 en 2 Kronieken).

Wij kennen in de Nederlandse ver­talingen van het Oude Testament van de bijbel de volgende indeling:

Historische boeken

Dichterlijke boeken

Profetische boeken

De plaats van het lijden

Het Boek Job behoort dus tot de Geschriften. In dit boek wordt met name het lijden van de mens met betrekking tot God naar voren gebracht.

We kunnen dan al bij voorbaat de vraag stellen: Welke (zinnige) plaats heeft (een ogenschijnlijk zinloos) lij­den van de mens in diens ontwikke­ling naar het doel van God? En direct daaraan gekoppeld de vol­gende vraag: Wat is de plaats van God in het lijden van de (gelovige) mens?

En dan met name de mens, die vroom en oprecht is en naar de wil van God leeft, zoals Job. En dan nemen we het begrip lijden in de breedste zin van het woord, dus op velerlei manier, geestelijk, fysiek en/of lichamelijk. Moeten we als christenen er bij het lijden van de (gelovige) mens wel­licht van uit gaan, dat God dit lijden zelf bewerkt of op z’n minst toestaat qm ons op één of andere wijze daardoor te vormen? Of moeten we wellicht het stand­punt van de Heidelbergsche Catechismus als geldend uitgangs­punt nemen?

Daarin staat onder andere de vraag: ‘Wat verstaat gij door de voorzienig­heid Gods?’

En het antwoord is dan: ‘De almach­tige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, als met Zijn hand nog onderhoudt en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom armoede en alle dingen, niet bij geval (toevallig), maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen’. Zoiets van: ‘God doet Zijn eigen wil en legt daarvoor geen verantwoor­ding af aan de mens’. En omdat het van God komt, hebben wij als mens dat maar te accepteren en moeten we Hem daarvoor zelfs nog bedanken.

Of moeten we trachten met behulp van de gegevens in de bijbel een goed gefundeerd antwoord zien te krijgen op bepaalde vragen over het lijden van de mens, zonder daarbij af te doen van de realiteit daarvan, hoe dit zich ook aandient.

Job en het lijden

Wanneer we enkele hoofdpunten uit het boek Job als leidraad nemen voor een paar bijbelstudies, dan wil­len we vooral de lessen daaruit leren, die ons meer inzicht geven in het plan van God met de mens in het algemeen, maar vooral ook met de mens in het bijzonder, dus u en ik als afzonderlijke gelovigen. Ik realiseer me daarbij heel goed, dat er ook aan het eind van deze les­sen nog vragen over zullen blijven. Maar dat prikkelt ons temeer om hier biddend mee bezig te zijn en ook op deze dingen een duidelijk zicht te krijgen.

Wie was Job? We kennen Job vanuit het Oude Testament van de bijbel. De naam Job betekent vanuit het Hebreeuws: ‘Hij, die vijandig beje­gend wordt’ of ‘Hij, die een vijand heeft’! Die naam wordt dus wel heel duidelijk bewaarheid in zijn leven, zo blijkt uit de inhoud van het bij­belboek. In het Syrische kan Job echter ook betekenen: ‘Geliefde!’ En ook dat komt in het boek Job duide­lijk naar voren: Job is een geliefde van God! Een door God beminde!

Geestelijke status

Vier kernwoorden typeren de geestelijke status, die van Job wordt vermeld Job 1 vers 1 (Job 01:01): Vroom! Oprecht! Godvrezend! En wijkende van het kwaad!

– Vroom betekent gewoon: eenvou­dig. Onverdeeld, enkelvoudig!

Oprecht duidt aan: Een man uit één stuk! In zijn oprechtheid en geloof in God een ‘leesbare brief’ voor alle mensen om hem heen. Zoals ook wij vanwege het evangelie dat wij kennen een ‘leesbare brief’ van Christus behoren te zijn 2 Korinthe 3 vers 2 en 3 (2 Kor. 03:02-03).

Godvrezend! Job houdt rekening met de uitgangspunten van God met betrekking tot de mens. Hij leeft niet alleen zelf heilig voor God, maar omdat hij zichzelf heiligt, is hij ook in staat om anderen te heili­gen, die onder zijn verantwoordelijk­heid vallen. Zoals zijn kinderen.

Als Job vermoedt, dat ze zich moge­lijk besmet hebben met dingen van het aardse leven, die hen wellicht van God hebben afgetrokken, dan brengt hij voor ieder van hen een brandoffer om zo verzoening over hen te doen Job 1 vers 5 (Job 01:05). Een vraag: Hoe doen wij dat ten opzichte van onze (wellicht ongelovi­ge) huisgenoten (man, vrouw, broers, zusters, kinderen)? Paulus zegt immers, dat zolang de ongelovi­ge huisgenoot zich schikt onder het gezag van de gelovige, deze in hem/haar geheiligd is vergelijk 1 Korinthe 7 vers 14 (1 Kor. 07:14). Job is ook wijkende van het kwaad!

Dat is dus een bewuste eigen geno­men beslissing om dingen niet te doen en zelfs consequent uit de weg te gaan, als daar het vermoeden bestaat, dat ze schadelijk zijn voor de innerlijke mens in diens ontwik­keling tot het doel van God. Heiligen is afzonderen van het kwaad.

Aandacht van de duivel

Deze man Job trekt (uiteraard!) in de hemelse gewesten de specifieke aandacht van de duivel. Deze trekt immers voortdurend rond in de wereld van de mensen, zoekende wie hij zal kunnen verslinden, dus uit de sfeer van God wegtrekken door ‘van alles en nog wat’, dat (kerkelijke) traditie, media en moderne theologie te bieden hebben of zelfs voorschrijven. Petrus schrijft in zijn brieven aan de gelovigen: ‘Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal (kunnen) verslinden’ 1 Petrus 5 vers 8 (1 Petr. 05:08). Die instelling ten opzichte van de mens heeft de dui­vel al vanaf de schepping van de mens. Daarbij vermomt hij zichzelf maar al te vaak om zich niet te doen ontdekken en onopgemerkt zijn werk te kunnen doen. Zelfs kan hij zich vertonen alsof hij een ‘engel des lichts’ is. Dus als het ware met een positieve instelling ten opzichte van de mens. Net als mensen zich kun­nen voordoen als schijnapostelen, zo kan ook de satan zich voordoen als een engel van het licht, al is hij eenv wezenlijke macht van de duisternis 2 Korinthe 11 vers 12 tot en met 15 (2 Kor. 11:12-15).

Tot zover ons eerste artikel over het Boek Job. In deel 2 gaan we echt beginnen met het naar voren halen van aspecten uit het boek Job, die wij ook mee kunnen maken. We willen dan gaan zien, hoe ook wij in bepaalde situaties ons op kun­nen en mogen stellen als kinderen Gods temidden van de strijd en moeite, die de duivel op onze weg brengt.

 

 

 

Vrij van schuld? door Cees Maliepaard

 

‘Al mijn schuld is weggedaan…’ wordt in een bekend lied aangege­ven. Maar is dat echt zo? Wel, Jezus heeft onze zondeschuld weggeno­men, dusdanig dat er ook geen rudi­ment van die schuld voor God over­eind is gebleven. Maar dat wil nog niet zeggen dat er nu niemand meer is die we iets verschuldigd zouden zijn. Dat is namelijk wel degelijk het geval – al is dat niet onder de noe­mer van de zondeschuld te plaatsen. Een openstaande schuld. In Romeinen 13 vers 8 (Rom. 13:08) schrijft Paulus aan de Romeinen: “Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft heeft de wet vervuld”. Dat is toch wel iets om over na te denken. We zeggen wel eens dat Jezus voor ons de wet heeft vervuld en dat wij daar dus niets meer aan toe hoeven te voegen. Maar dat is slechts ten dele waar. De Heer heeft Gods wet vervuld door onze zondeschuld met zijn leven te vereffenen. Satan raakte daarmee zijn claim op de mens kwijt, waar­door ieder die geloof stelt in het werk van Jezus, vrij van elke vorm van zondeschuld is gekomen. Maar in één opzicht zullen we voor onszelf aan de eis van Gods wet mogen voldoen. Op basis van wat Christus Jezus voor ons volbracht heeft, worden we ruimschoots in de gelegenheid gesteld de wet van Gods liefde onder de mensen te praktise­ren. Dat lukt overigens alleen in de liefde van Christus. En dat nog steeds in onvolkomenheid – maar toch!

Wat is ‘elkaar liefhebben’? Elkaar liefhebben, is dat hetzelfde als aardig zijn voor elkaar, vriende­lijk zijn jegens anderen? Wie lief­heeft op de manier zoals God dat bedoelt, heeft eigenlijk andere inten­ties. Roel Schipper heeft eens gezegd dat in de bekende bijbeltekst ‘uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend’, voor vriendelijkheid beter mildheid gelezen kan worden. Mildheid heeft ook meer te maken met goddelijke liefde dan dat vrien­delijkheid dat heeft, want het gaat a bij de Here God om dat alles in over­eenstemming met zijn gerechtig­heid verlopen zal. Wie liefheeft zal met de ander in Gods milde gerech­tigheid omgaan.

Als we in de gezindheid van Christus leven, zullen we andere mensen liefdevol behandelen. Dat betekent vooral dat we ieder mens met respect tegemoet zullen treden. Ieder mens – ook degene die zich wellicht tegenover ons opstelt. Echte liefde is nu eenmaal niet afhankelijk van het al of niet samen zich op Gods weg bevinden.

 

Loskomen van zorgen door Tine ’t hart

Zorgen maken is vervelend. Zorgen voor en zorg hebben voor, is natuur­lijk goed, dat wijst op je, dan is dat een Goddelijke eigenschap. Als je dat doet in Zijn kracht, onder lei­ding van Zijn Geest, is het goddelijk! Want God is zorgzaam! Alle Goddelijke eigenschappen probeert de satan te verdraaien en te misbrui­ken zodat zorgen voor en verant­woordelijk zijn voor, verandert in zorgen maken! Lees wat de Heer erover schrijft in Lucas 12 vers 22 tot en met 34 (Luc. 12:22-34). Je moet dus het Koninkrijk van God zoeken en daarmee bezig zijn! De duivel wil dat natuurlijk niet en probeert ons af te leiden om met zijn dingen bezig te zijn. Want waar maak je je zorgen over? Vul maar in! Dat zijn allemaal dingen die best reëel kunnen zijn, maar die wel door satan bewerkt worden. Door zorgen te maken ben je dus bezig met de dingen die satan kan doen en hij heeft dan vrij spel in je gedachten- en gevoelsleven. Je komt in zijn klimaat: angst, beklemming, negativiteit, spanning, stress, enz. Je wordt er helemaal door in beslag genomen. Het sloopt je!

Verspilde energie

Het is verspilde energie, waar je niets mee bereikt. Zorgen maken misbruikt je verantwoordelijkheids­gevoel. Want onbewust denk je dat je op die manier erbij betrokken bent. Maar je oefent geen enkele invloed er op uit en je houdt de zaak daarmee niet onder controle. Je put alleen jezelf uit! (Vers 25, NBV: “Wie van jullie kan door zich zorgen te maken één el aan zijn levensduur toevoegen?”)

Zorgen maken is vaak gebasseerd op leugens en verdraaiingen. Je krijgt geen kracht om je zorgen te dragen, je krijgt kracht als je echt geconfron­teerd wordt met ellende! Ik heb gemerkt dat als je in zo’n situatie zit, roepen naar de Heer weinig helpt. Ik geloof wel dat de Heer tot je spreekt en klaar staat je te helpen, maar je zit zó ingepakt in dat negatieve klimaat, dat de Heer je niet kan bereiken. In die situatie kan je Hem niet ervaren en Zijn stem niet verstaan, omdat andere ‘stem­men’ in je oren staan te schreeuwen. Hoe kan je er los van komen?

God zoeken!

God zélf zoeken! Dus, niet bidden voor de situatie waar je je zorgen over maakt, want die zijn in je den­ken zó groot geworden dat je dat niet kunt! Bidden dat God je van je zorgen losmaakt en van alle nega­tieve machten. Indien nodig, ervoor laten bidden. Vergeving voor vragen, en reiniging, zodat de boze geen enkele aanklacht daarin heeft. God aanbidden, belijden wat je gelooft. Met Zijn dingen bezig zijn. Zijn Koninkrijk zoeken (vs. 31-32). En lees ook eens wat Paulus schrijft in Filippenzen 4 vers 4 tot en met 8 (Filip. 04:04-08)! Dan kom je in de ruimte om je zor­gen op Hem af te wentelen en los te laten zodat jij losgelaten wordt.

“Laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de over­winning geeft” 1 Korinthe 15 vers 57 (1 Kor. 15:57, NBV).

 

Gedachten over gemeenschap door Jildert de Boer

Sleutels tot ware eenheid in de gemeente Deel 3 In het eerste artikel hebben we zo’n 15 mogelijke zienswijzen over eenheid kort de revue laten passe­ren, zowel valse, interessante als bij­belse visies.

– In het tweede stuk hebben we vijf trefwoorden uitgewerkt die van groot belang zijn als we nadenken over eenheid in de gemeente en het praktische beleven ervan, namelijk: 1. de goddelijke, gevende liefde onderling.

  1. 2. de vrede van God onder elkaar. 3. het kruis van Christus over het zelf-leven.
  2. het Woord van de waarheid. 5. de heilige Geest, die kracht geeft. We vervolgen nu de reeks sleutel­woorden, die ons helpen de door God bedoelde eenheid te verstaan, te bevorderen en praktisch te maken. Uiteraard staan de aangereikte begrippen niet los van elkaar, maar kennen overlappingen en vormen een samenhangend geheel. Toch benoemen we ze apart, om het wezen van eenheid beter te (helpen)verstaan.
  3. Gemeenschap

Als Christus ons hoofd is -niet een leider, naam of een menselijke orga­nisatie- dan verlangen we zijn wil te doen en met allen die hetzelfde intense verlangen hebben, krijgen we gemeenschap. Het “klikt” met elkaar in het hart en in het leven. Deze klik is positief! Dat is iets heel anders dan de duivelse tegenhanger: “het kliekt met elkaar” (dat is een kliekjes- of clubjesgeest, waar ande­ren niet tussen kunnen komen). Die kliek is negatief!

Hij is het hoofd en wij zijn de leden van Zijn lichaam. Wij zijn in de eer­ste plaats geroepen tot gemeenschap met Hem 1 Korinthe 1 vers 9 (1 Kor. 01:09) en vervolgens met elkander,  die deel heeft aan de levende verbinding en relatie met het hoofd, Christus Zelf. De werke­lijke leden van Zijn lichaam vinden elkaar! De volgorde is: “zij gaven zich eerst aan de Here en daarna aan elkaar” 2 Korinthe 8 vers 5 (2 Kor. 08:05). Hier is sprake van overgave en toewijding aan Hem en aan elkaar. De mate waarin kan nog verschillen. Natuurlijk is het een en ander geen vanzelfsprekendheid of automatis­me. Bij deze gemeenschap heb je hetzelfde doel gemeen(schappelijk): je wilt samen -in liefde en je aan de waarheid vasthoudende- toegroeien naar Hem die het hoofd is Efeze 4 vers 15 (Ef. 04:15). Dat doel, om op Hem te gaan lijken, houden we steeds voor ogen en zonder te komen tot de eenheid van het geloof en de mannelijke rijp­heid gaat dit nu eenmaal niet Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13). Gemeenschap moet onderhou­den worden. Voor onze relatie met Hem speelt ons gebedsleven een hoofdrol. Daarmee uit je jouw hart naar je Heer en is Hij je krachtbron voor het dagelijks leven. Daarbij leg je je noden aan God voor, ook wat betreft je contacten met een broeder of zuster, waarmee de verstandhou­ding nog niet zo ge-olied (=soepel in de Geest) verloopt.

Je voert je strijd, waar machten gemeenschap in de weg staan of blokkeren. De boze wil ons bij elkaar weg houden of van elkaar doen verwijderen, om allerlei oorza­ken en vaak gaat het om pietluttig­heden. De Heer wil ons echter juist samensmeden en aaneenhechten! Er kunnen veel pijnpunten liggen door innerlijke verwondingen vanuit het verleden, maar de Heer is erop uit vertrouwen tot gemeenschap te herstellen. Hij wil balsem en zalf aanbrengen op die plekken, waar men van binnen gekwetst is gewor­den door anderen.

Wandelen in het licht

De wezenlijke voorwaarde, om tot Imeenschap met elkaar te komen, is de wandel in het licht. De kern­tekst daarbij is: “Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” 1 Johannes 1 vers 6 en 7 (1 Joh. 01:06-07). De wandel in Gods licht- dat is je levenswijze in en met Hem- geeft gemeenschap. Dat heb je dan eenvoudigweg en dat smaak en proef je met elkaar. Het is de geestelijke uitwisseling vanuit je hart in woorden en houding ten opzichte van elkaar. Gemeenschap mag niet verward worden met natuurlijke gezelligheid, al kan die zeker ook een ondersteunende bij­drage leveren. In de omgang met elkaar kom je elkaar vroeg of laat ook tegen met alles wat er niet bij hoort aan werkingen. Juist dan is het een leer- en groeiproces om verder en dieper gereinigd te worden van alles wat Gods licht je -al wandelen­de met elkaar- laat zien bij jezelf, zoals jaloersheid, achterdocht, erger­nis, verwijt, harde woorden en noem maar op. Je wordt aan elkaar gesle­pen op die manier en er ontwikkelt zich geestelijke groei. Je wilt immers niet meer reageren vanuit het vlees, of nog aangestuurd worden door geestesmachten? Je wordt er nog wel toe verzocht en de kunst is dan om “nee” te zeggen. Je leert om te gaan met je zoge­naamde minste broeders, met hen die zwak zijn, maar juist zo nodig in het lichaam, waar je voor elkaar zorg draagt 1 Korinthe 12 vers 22 tot en met 25 (1 Kor. 12:22-25). Een andere centrale tekst over gemeenschap is: “…nu u gehoor­zaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden (of: gereinigd tot ongeveinsde broeder­liefde); hebt elkaar dan ook onvoor­waardelijk lief, met een zuiver hart (of: bestendig en van harte lief), als mensen die opnieuw zijn gebo­ren…” 1 Petrus 1 vers 22 en 23 (1 Petr. 01:22-23, NBV). Hier zien we dat er reiniging, loute­ring en zuivering nodig is als de weg om te komen tot oprechte liefde en harte-gemeenschap. Wij denken bij­voorbeeld aan het gebied van sympa­thie en antipathie. In de gemeente is het hoogst belangrijk dat wij niet alleen goed omgaan met hen, die ons goed liggen, maar ook dat we onszelf reinigen van gevoelens van antipathie en stroefheid of reserves tegenover hen die ons van nature minder goed liggen.

Gemeenschapszin bevorderend

Gaan wij deze weg van het kruis, dan leidt dit als vrucht tot gemeen­schap met de anderen. Dit kan onge­acht intelligentie, beroep, geslacht, leeftijd, ras of kleur, uiterlijke ver­schijning, enzovoort, want door deze gehoorzaamheid tot reiniging bin­nen te gaan, leven wij metterdaad als opnieuw geboren mensen. Het is een opstandingsleven, waar gemeen­schap tot bloei komt. Je geestelijke barometer staat nooit meer op onweer en evenmin meer op onbe­stendig, als de liefdesgemeenschap bestendig, van harte en onvoorwaar­delijk is geworden. Een “als los zand aan elkaar hangen­de” gemeente vormt geen gemeen­schap, zoals het Woord beoogt, namelijk: een welsluitend geheel, bijeengehouden door de dienst van alle geledingen Efeze 4 vers 16 (Ef. 04:16). Je kunt echte gemeenschapszin niet organi­seren, maar wel bevorderen door bij­voorbeeld huiskringen en gebedscel­len. In een gezond functionerend organisme is er aandacht, belang­stelling, meeleven, zorg, gebed, samen op de bres gaan staan in de strijd, kortom: “hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen(=samen) te wonen” Psalm 133 vers 1 (Ps. 133:001). Dit is totaal verschillend met het bij wijze van spreken op tien verschillende etages wonen, waarbij de ene groep denkt dat hij op een hogere etage zit dan de andere groep.

Zoiets is typerend voor wat de geest van Babel met haar vermenging, ver­warring en verdeelde hokjes- en vak­jesgeest wil. Het helpt niet altijd als men uit een tot Babel verworden kerk gaat, om daarna geleidelijk aan tot de conclusie moet komen dat men weer in een buitenwijk van dezelfde stad is beland. Babylon is een geheimenis, een teken aan het voorhoofd van de moeder der hoe­ren Openbaring 17 vers 5 (Openb. 17:05). Wij zullen daarom vooral in ons denken bevrijd moeten worden van deze schuilplaats van verwarring, halfhartigheid en leu­gen, zelfs al gebeurt dit onder een religieus mom en zijn er schone, bij­bels aandoende klanken, die heel anders of slechts half worden inge­vuld. Aan haar zonden zullen wij geen gemeenschap hebben Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04) en daarom zullen we vooral in ons denken veranderd en vernieuwd worden, om niet langer uit te gaan van de patronen van ver­deeldheid, vermenging (=sjoemelen met openbare zonden) en splitsing. Daarbij willen we ook wegkomen uit een georganiseerde schijneenheid, waar veel water bij de klare, bijbelse wijn wordt gegoten en halve waarhe­den erger dan hele leugens (kun­nen) worden.

Het is zonneklaar dat alleen ware geestelijke gemeenschap tot echte vereniging leidt!

 

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

 

Een prachtige opmerking van Paulus in zijn brief aan de gemeente te Kolosse is: “De werkelijkheid is vanChristus”. Gelukkig is ook in de Nieuwe Bijbel Vertaling dit woord gehandhaafd. (Lees ook het verband waarom Paulus deze opmerking maakte).

Bij ons geloof in God en onze geloofs­beleving gaat het om de werkelijkheid en die is ‘Christus’. Hij is de enige weg om vrede met God te ontvangen en ook ons grote Voorbeeld om na te volgen. Zeker in de tijd waarin wij nu leven gaat alle surrogaat verdwij­nen en komt wat echt is tevoorschijn. Het katholisisme met zijn franje en ballast en het protestantisme met zijn vele uiteenlopende visies en verdeeld­heid, geven geen werkelijk antwoord als men niet gaat ontdekken dat er maar één werkelijkheid is: Christus, de Zoon van de levende God. Wie met hem verbonden is, weet dat hij temidden van alle omstandigheden stand kan houden omdat de werkelij­ke gemeente van Christus niet onder­gaat maar voor altijd zal blijven bestaan.

Heeft Gods schepping nog perspectief?

Vrijwel alle media hebben de laatste tijd aandacht geschonken aan een onderzoek van de Verenigde naties naar de gesteldheid van de aarde. Daaraan namen honderden onder­zoekers wereldwijd deel en nam vier jaar in beslag.

“Aarde in rap tempo zwaar bescha­digd”, kopte De Telegraaf en merkt op: “Nog nooit heeft de mensheid de natuur om zich heen in zo’n tempo veranderd als de afgelopen vijftig jaar, ongekend in de menselijke geschiedenis. De veranderde omstandigheden kunnen de snelle verspreiding van ziektes bespoedi­gen, stellen de onderzoekers in hun ‘Millennium Ecosystem Assessment’.

Als voorbeeld dient de opwarming van de grote meren in Afrika door klimaatverandering waardoor de ideale condities voor een grootschali­ge uitbraak van cholera worden geschapen.

Ook dreigen er zogenaamde ‘dead zones’ in de wereldzeeën te ont­staan. De stikstof van kunstmest voor de landbouw komt via grond­water en rivieren in zee terecht met een catastrofale uitwerking voor de visstand. De grootschalige ontbos­sing leidt vaak tot minder regenval.

Doordat er minder regen valt, groeit er automatisch ook weer minder bos.

Waarschuwing

Meer dan tweederde van ons econo­misch systeem is vervuild of overbelast en dat kan in de toekomst fataal zijn, omdat ons schoon water en schone lucht er afhankelijk van zijn. “Dit is de kern van de waarschu­wing. Menselijke activiteit trekt zo’n zware wissel op de aarde dat het voortbestaan van onze ecosystemen voor toekomstige generaties niet gegarandeerd is”, stellen de onder­zoekers. Dertig procent van ’s werelds zoogdieren, vogels en amfi­bieën wordt met uitsterven bedreigd”.

De Telegraaf schrijft verder: “Het rapport concludeert dat het vooral de armen zijn die getroffen worden door de verandering van ecosystemen. In Johannesburg, Zuid-Afrika, kwamen de VN-landen in 2000 overeen het aantal mensen zonder toegang tot schoon drinkwater in 2015 met de helft teruggedrongen te willen hebben en het leven van 100 miljoen arme mensen moet in 2020 substantieel verbeterd zijn. Door de rappe verandering van de natuur komen deze doelen echter in het gedrang, aldus de onderzoekers. “Alleen als we de natuur leren berij- pen, kunnen we de nodige maatre­gelen treffen om haar te bescher­men”, aldus VN-secretaris-generaal Kofi Annan in een reactie. Hij wil de hoop op een ‘duurzame toekomst’ : overend houden”.

Onze houding

Hoe staan wij als christenen tegen­over deze onrustbarende berichten? We kunnen dit niet afdoen door een paar bijbelteksten te citeren, bijvoor­beeld: “De wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet zal blijven bestaan”. Dan geven wij te kennen onverschil­lig te staan tegenover alles wat er met deze wereld gebeurt. Het gaat er namelijk om dat wij niet alleen bezig zijn hoe wiij als christenen in deze wereld leven op het morele vlak, maar ook hoe wij met Gods schepping in zijn totaliteit omgaan. Van oorsprong is juist de mens geroepen om Gods volmaakte schep­ping te beheren en te onderhouden. Doordat het overgrote deel van de mensen zich van God heeft afge­keerd, is er ook in dit opzicht een groot hiaat ontstaan. Egoïsme viert bij velen hoogtij en ondanks ver­woedde pogingen om de verdere aftakeling van de aarde tegen te gaan, lijkt het soms wel of het vech­ten tegen de bierkaai is. Natuurlijk zijn er allerlei initiatieven die een halt proberen toe te roepen aan de verdere aftakeling van de wereld, zoals auto’s die niet meer rij­den op benzine maar op waterstof, het tegengaan van het kappen van oorspronkelijke bosgebieden, de sti­mulering van het gebruik van zonne- en windenergie, etc. Maar – zoals het rapport ook aangeeft- van een welke verandering die zoden aan de dijk zet, is geen sprake.

Realistisch en optimistisch

Nu zijn wij als christenen, als het goed is, zowel realist als optimist. Realistisch behoren wij ons op te stellen door zoveel mogelijk een positieve instelling te hebben tegen­over alle (grote en kleine) initiatie­ven waarmee men probeert de wereld toch gezond en leefbaar te houden, zonder daarbij extreme milieufanaten te worden. Optimistisch mogen we zijn omdat wij weten dat Gods beloften ten aan­zien van de toekomst bewaarheid zullen worden. Al Gods beloften zijn immers in Christus ‘ja en amen’? En dan denken wij bijvoorbeeld aan de belofte die wij aan het einde van de Openbaring van Johannes lezen over de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtig­heid woont!

Ongerechtigheid heeft Gods oor­spronkelijke schepping aangetast, maar als christenen leven wij in de wereld waarin we, onder leiding van Gods Geest, zélf Zijn gerechtigheid tot openbaring kunnen brengen. Zo zijn wij ook nu al daadwerkelijke medewerkers aan een totaal nieuwe wereld die niet meer ondergaat, maar tot in alle eeuwigheid zal blij­ven bestaan!

Geert Mak over Theo van Gogh en de Islam

Nederlands meest bekende schrijver van de laatste jaren is ongetwijfeld Geert Mak. Van zijn boeken zoals “De eeuw van mijn vader” en “In Europa” werden record aantallen exemplaren verkocht. Onlangs ver­scheen er weer een boek van hem getiteld “Gedoemd tot kwetsbaar­heid”. Dit boekje werd nogal bekritiseerd omdat hij de aanvallen op de Islam, na de moord op Theo van Gogh, overdreven vond. Vooral omdat velen de gehele Islam in de hoek van het extreme plaatsen, ter­wijl het in werkelijkheid maar gaat om een klein deel. Het overgrote deel van de mensen die de Islam als hun godsdienst belijden is immers niet extreem of fanatiek. En volgens Mak ging daarom Theo van Gogh veel te ver door alles over één kam te scheren.

In het weekblad Vrij Nederland ver­scheen een kritisch artikel over het boekje van Geert Mak van de schrij­ver-journalist Joost Zwagerman. Verschillende lezers regeerden daar­op. Onder andere Anneke Mouthaan uit Amsterdam die onder meer schreef: “Het pamflet van Mak geeft mij als oudere joodse vrouw de rug­gensteun dat ik niet alleen sta in mijn bezorgdheid over de Nederlandse hysterie tegenover de allochtonen door het zogenaamde smaakmakende deel van de Nederlandse bevolking. Of Van Gogh een anti-semiet en anti-islamiet was, weet ik niet, wel dat hij op zijn minst die indruk maakte. Maar erger is de bijna slaaf­se wijze waarop na zijn overlijden de hetze versterkt wordt die tot angst aanzet en discriminatie legitiem maakt. Hadden we dat niet al eerder meegemaakt bij het anti-semitisme? Ik ben Geert Mak dankbaar dat hij in zo’n korte tijd een duidelijk tegen­geluid optekende, opdat we weer tot onze Hollandse nuchterheid kunnen terugkeren en men niet het modi­eus, liberaal-rechtse gebral tot norm zal verheffen”.

Het is duidelijk dat het overgrote deel van de aanhangers van de Islam niets moet hebben van extremisme. Maar dat betekent nog niet dat de Islam de juiste godsdienst is. Net als het naam-christendom wijst men immers de enige werkelijke openba­ring van God zoals deze door Jezus Christus geopenbaard werd, af en alleen via die weg kunnen we God leren kennen zoals Hij werkelijk is. Wie de échte God leert kennen ervaart daardoor de grote verande­ring in zijn leven. Hij wordt ‘overgeplaatst’ in Zijn Koninkrijk. Dan verdwijnt liefde­loosheid en haat en échte liefde (Gods liefde) komt er voor in de plaats.

Vrede, vrede en geen gevaar?

In aansluiting en ter aanvulling van wat wij schreven over de Islam geven wij hierbij nog een column door die wij aantroffen in ‘De Opgang’, het blad van de gelijknami­ge volle evangelie gemeente in Groningen. Cees Maliepaard schreef:

“Er is vanuit de burgerlijke overheid een begrijpelijk streven naar een vorm van openheid tussen christe­nen, joden en moslims. Waar zulks op voet van wederzijdse aanvaarding gerealiseerd kan worden, zal geen zinnig mens daar problemen mee hebben. Er is echter iets waar veel christenen zich op blijken te verkij­ken. En dat is de visie die de mos­lims op religie en maatschappij heb­ben. Ook gematigde, geweldloze islamieten zien de uitspraken in de koran als maatgevend voor zowel hun religieuze organisaties, als voor de maatschappij waar we allen deel van uitmaken. Zolang zij in een land een minderheid vormen, zullen ze voor zich een beroep doen op de vrijheid van godsdienst. Dat is hun goed recht. Maar wanneer zij in dat­zelfde land de meerderheid zijn gaan vormen, blijft er van de veelge­roemde vrijheid van godsdienst niet veel over. Per definitie wordt elke niet-islamitische vorm van het die­nen van God, als verwerpelijk gezien.

Is dat onder christenen anders? Ja en nee. Het christendom leert dat er los van Jezus geen relatie met God mogelijk is. Wij zijn in onze opvat­tingen ook intolerant. Maar wel wordt onder ons vrijheid van gods­dienst voorgestaan vanuit een meer­derheidspositie. En dat maakt nu juist het verschil!”

De nieuwe paus en de eenheid

Dat de nieuw gekozen paus Benedictus XVI een “liefdevol, bescheiden en opgewekt” persoon is daaraan behoeft niet getwijfeld te worden. Iedereen uit zijn naaste omgeving bevestigt dit. Maar bij de vele miljoenen christenen die niet tot de Katholieke kerk behoren, van welke denominatie ook, gaat wel een rood lampje branden als we lezen dat hij “onophoudelijk wil werken aan het herstel van de volledige en zichtbare eenheid van alle christe­nen”.

Zou de Katholieke kerk niet geloof­waardiger overkomen als men eerst zelf afstand gaat nemen van alle pracht en praal, rituelen en ceremo­niën die met het oorspronkelijke geloof niets te maken hebben? Bedenk dat Jezus zelf tijdens zijn leven op aarde het meest in conflict was met de godsdienstige leidslie­den van zijn tijd: de Farizeeën en schriftgeleerden. Zij hadden ‘met een schijn van godsdienst de kracht daarvan verloochend’. Ook in deze tijd is het alleen moge­lijk als men door een echte levens­verandering, bewerkt door Gods Geest, een nieuwe schepping in Christus wordt. Dan ontstaat de zekerheid dat men behoort tot de werkelijke gemeente van Jezus Christus, weet men zich één met allen die dat ook ervaren hebben in hun leven en is het (kerkelijk) etiket wat men verder draagt totaal onbe­langrijk.

De enquête van Het Beste over ons geloof v

Het bekende maandblad Het Beste (Reader’s Digest) heeft een groot­scheeps onderzoek gehouden over het geloof in Europa. Niet minder dan 8657 Europeanen in 14 landen werden ondervraagd over hun geloof. Geloven Europeanen nog in God? Ondanks ons sceptische en seculiere tijdperk en de ontkerkelij­king, gaven zeven van de tien onder­vraagden aan dat ze inderdaad gelo­ven.

“Maar er zijn grote verschillen in Europa”, schrijft het blad dat het onderzoek in 4 categoriën had ondergebracht. De vraag “Gelooft in God?” werd door Polen met 97% met ‘ja’ beantwoord. Dan volgt Portugal met 90% en Rusland met 87%. Nederland staat met 51% bijna het laagst genoteerd. Bij de vraag “Gelooft u in een leven na de dood?” scoort Polen met 81% opnieuw als hoogste, terwijl Nederland op 45% komt. Ook op de vraag of we het geloof nodig nodig hebben om het verschil tussen goed en kwaad te bepalen staat Polen met 86% weer nummer 1 en Rusland komt met 78% op de tweede plaats.

En op de vraag of godsdienst bij­draagt tot een betere wereld staat ‘ Mtugal met 79% weer op de eerste plaats, terwijl Nederland met 34% onderaan bungelt.

Nu zeggen deze percentages natuur­lijk niet alles maar geven wel een indicatie over het hoe en waarom. Polen, Rusland en andere Oost- Europese landen gingen jarenlang gebukt onder het communistische regiem. Daarbij was dan vaak het geloof een alternatief dat houvast gaf en waardoor men toch door de dik­wijls moeilijke omstandigheden heenkwam.

Wat het lage ‘geloofspercentage’ van Nederland (en waarschijnlijk ook België) betreft, daarover geeft Hijme Stoffels, godsdienstsocioloog aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in het blad de volgende verklaring: “Men heeft hier na de verzuiling een sterke afkeer ontwikkeld jegens reli­gieuze kaders en instituten. Bovendien beschikken Nederlanders over de vrijheid van meningsuiting en het recht om te kiezen. Dus ook het recht om niet in God te geloven. Dit mis je in niet-weterse culturen, waar het bestaan van God volkomen vanzelfsprekend is”. In een commentaar van de hoofdre- dactuer van Het Beste, Oele Steens, merkt deze op dat de moderne mens zelf wel bepaalt wat goed voor hem is; “De vraag is echter of wij niet , Jfer gebaat zouden zijn bij een her­waardering van christelijke beginse­len als algemeen kompas. Dat zou wel op een moderne wijze ingevuld moeten worden. Een taak voor de traditonele kerken?”, vraagt hij zich af.

Daar zouden wij als commentaar op willen geven dat geloven uit het hart moet komen van hen die werkelijk geloven. Alleen zij zijn zich bewust dat zij behoren tot de Gemeente van Christus. Dan is het etiket wat zij verder dragen niet belangrijk meer. Bij hen die echt geloven is Gods Geest in de plaats gekomen van de ‘verkeerde geesten’ die voor de grote levensverandering (door bekering en wedergeboorte) hun invloed konden doen gelden.

Kuitert vervangt geloof door twijfel

‘Goddeloze godgeleerde’ is de titel van een artikel van Gerry van der List in Elsevier. Daarbij gaat het over professor H. M. (Harry) Kuitert, die onlangs 80 jaat werd. Kuitert was van 1967 tot 1989 hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en kreeg grote bekendheid door in woord, boek en geschrift zijn twijfel tot uiting te brengen ten aanzien van het christelijk geloof. Bekend werd hij vooral door zijn in 1992 verschenen boek ‘Het algemeen betwijfeld christelijk geloof’. Hij nam stelling tegen het christen­dom als openbaringsgodsdienst. “Er is -volgens hem- niet een hogere waarheid die ons door een goddelijk wezen is geopenbaard. Wat de mens toeschrijft aan hogere machten, ont­spruit aan zijn eigen verbeeldings­wereld”. Zijn bekendste uitspraak is wel: “Alle spreken over Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt”. Het was niet verwonderlijk dat zijn uitspraken in de Gereformeerde ker­ken waartoe hij behoorde grote beroering veroorzaakte. Vooral het feit dat hij toch gehandhaafd bleef in de kerk, veroorzaakte dat sommigen er zich niet meer thuis voelden en overgingen naar de Nederlands- Gereformeerden of andere denomi­naties. Ook kwamen heel wat gere­formeerden terecht in allerlei (volle)evangelische-, pinkster- en baptistengemeenten, maar dit kwam vooral door de opwekking in de zestiger jaren.

Geen wetenschap

Gerry van der List gaat in zijn arti­kel ook in op het feit dat Kuitert toch gehandhaafd bleef als theoloog. Hij schrijft: “Theologen hebben een heel vreemd vak. Zij worden geacht wetenschappelijke uitspraken te doen over een onderwerp waarvan het bestaan wordt betwist. Je gelooft in een Opperwezen of niet. Het ont­wikkelen van toetsbare theoriën over God is per definitie een onmogelijk­heid.

De vraag is dan ook of theologie op een universiteit thuishoort. Omdat theologie geen wetenschap is, kun je van alles beweren zonder je als theo­loog te diskwalificeren”. Dat Kuitert toch door de Gereformeerde kerken werd gehand­haafd bewijst de structuur van het naam-christendom, waarbij het ‘werkelijk geloven’ niet op de eerste plaats staat, maar allerlei theoriën naast elkaar kunnen blijven bestaan. Voor iemand die echt gelooft komt twijfel voort uit de koker van de vij­and. Natuurlijk hoeft ‘gezonde twij­fel’ over iets wat men moet beslissen niet verkeerd te zijn, maar uiteinde­lijk zal men moeten kiezen. Wie kiest voor het geloof in de leven­de God, zoals deze zich geopenbaard heeft in Zijn Zoon, Jezus Christus, en nu tot openbaring komt in allen die waarachtig geloven, zal niet zo gauw onder de indruk komen van de twijfeltheoriën van Kuitert, Den Heyer en andere theologen. Gods Geest bewerkt in hem een stabiel, levend geloof dat op positieve wijze tot openbaring komt. Een geloof dat werkelijk gelukkig maakt en per­spectief biedt om het leven van elke dag aan te kunnen. Een leven met God en Zijn Zoon doet ons ervaren dat de stormen die rondom ons woeden en onze gezon­de geest wil binnendringen door Gods Geest teniet worden gedaan. Wij zijn door een onverbrekelijke band voor altijd met Hem verbon­den.

 

Hoe echte liefde zich openbaart door Wim te Dorsthorst

Hoe openbaart zich werkelijke liefde? In dit artikel gaat Wim te Dorsthorst in op één van de meest belangrijke facetten van de liefde, namelijk het ‘omzien naar elkaar’ (-red.).

Er wordt overal veel gesproken over ‘de liefde’, óók in gemeenten. Toegegeven dat dat zeer belangrijk is, is het wenselijk je af te vragen: ‘wat wordt er dan mee bedoeld’? In de wereld denkt men over het alge­meen aan seks als het woord ‘liefde’ gebezigd wordt. Waar gaat het in de gemeente van Jezus Christus om? Liefde is niet een abstract begrip of alleen maar een gevoel. Liefde is een innerlijke gemoedstoe­stand, een drijfkracht die zich uit in vele werken. Wie 1 Korinte 13 leest, het prachtige hoofdstuk van de lief­de, zal gauw genezen van de gedach­te dat het alleen maar een gevoel betreft. We zien dan dat het een geweldige positieve kracht betreft, die alles in iemand in beweging zet om de ander te redden, op te rich­ten, te helpen en wel te doen. Het is zó sterk dat het de Vader dreef om Zijn enige Zoon te geven tot redding van de wereld; en het is de liefde van de Zoon die zich vrijwillig overgaf voor ons in de meest verschrikkelij­ke dood, de kruisdood.

Omzien naar elkaar

Omzien naar elkaar is een uiting van échte liefde! Omzien naar elkaar is een goddelijke eigenschap en zal in de gemeente van Jezus Christus, als vrucht van de heilige Geest, rijkelijk aanwezig dienen te zijn.

Het is een wezens-eigenschap van God en daarom weten we dat het ook bij de mens hoort, die immers naar Zijn beeld geschapen is. Het is één van de positieve krachten in de samenleving. Waar dit ontbreekt of gaat ontbreken treedt verkilling op en functioneert de onderlinge liefde steeds minder. De samenhang ver­dwijnt en individualisme wordt tekenend voor de maatschappij en vele mensen vereenzamen. We zouden het een teken van de eindtijd kunnen noemen, waarvan de Heer Jezus zegt: “En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de mees­ten verkillen” Matteüs 24 vers 12 (Matt. 24:12). We horen of lezen er wel van dat mensen totaal vereenzamen, dat iemand bijvoorbeeld dagen of weken dood in huis kan liggen zonder dat iemand het opmerkt. Zo iemand had geen ‘naaste’ meer die naar hem omzag!

Basis-eigenschappen

Direct na de zondeval zien we dan ook dat deze prachtige eigenschap versluierd wordt. Als Kaïn z’n broer Abel heeft doodgeslagen zegt God tegen hem: “Waar is uw broeder Abel”? en dan is zijn antwoord: “Ben ik mijns broeders hoeder”? In de vertaling van Dr. M. Reisel staat: “Ik heb mij er niet om bekom­mert, ben ik de hoeder van mijn broeder”? Genesis 4 vers 9 (Gen. 04:09). Uit deze ontkennende vraagstelling van Kaïn blijkt duidelijk dat hij het heus nog wel wist, maar hij bekom­merde zich niet om zijn broer, iets wat we in deze tijd ook duidelijk zien ontwikkelen. Men bekommert zich niet meer om elkaar. Het komt voor dat omstanders zien dat er geweld gepleegd wordt, maar niet te hulp komen. Het is wel leuk om een ‘button’ met een onzelieveheers- beestje te dragen, maar daar veran­dert van binnen niets door! De duivelse uitspraak is ontstaan: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’! Daarmee maakt men zich af van de verantwoordelijkheid die men voor elkaar heeft gekregen. Een houding die zeker niet onbekend is in onze samenleving! Uit de rest van Genesis vier blijkt dan ook hoe zwaar, God als Schepper, aan deze zaak tilt. In plaats van om te zien naar zijn jong- jroer, hem te behoeden en te chermen, sloeg hij hem uit religi­euze motieven dood! Ook niet onbe­kend in deze tijd! Omzien naar-, zorgdragen voor-, oppassen, aandacht schenken, toe­zien op,… basis-eigenschappen die God bij de schepping aan de mens heeft meegegeven en die nodig zijn voor een gezonde samenleving.

God zelf het grote voorbeeld

God heeft altijd omgezien naar de mens die Hij met zoveel liefde en toewijding geschapen heeft. Ook als die mens zich van Hem afkeerde, Hem ongehoorzaam was, eigenwijs en weerspannig zijn eigen weg wilde gaan. Gods woord is daar duidelijk over.

Direct na de zondeval, in het prille begin van het menszijn, ziet God om naar Adam en Eva en komt hun tegemoet in hun angst en verslagen­heid. Hij zet ze a.h.w. weer op een spoor en geeft ze geweldige beloften en hoop voor de toekomst zodat ze weer verder kunnen (Genesis 3). Hij ziet in de dagen van Noach om naar zijn schepping en ziet, met smart in Zijn hart, hoe deze totaal in zonde, geweldenarij en duisternis ten onder dreigt te gaan. Op een diep ingrijpende wijze brengt Hij redding door Noach, de enige die nog rechtvaardig was voor God en met Hem rekening hield, met z’n familie te behouden (Genesis 6, 7 en 8).

Het was als het ware de laatste stro­halm voor God om niet de hele schepping ten onder te zien gaan, zonder dat de Verlosser geboren zou kunnen worden.

God ziet om naar Hagar met Ismaël, als zij door Sara en Abraham is weggezonden. Hij geeft deze verstotene beloften en hoop voor de toekomst Genesis 21 vers 8 tot en met 21 (Gen. 21:08-21).

God zag altijd weer om naar Zijn volk en gaf ze richters, koningen en profeten. Zelfs in de ballingschap, wat het volk toch aan zichzelf te dan­ken had, ziet Hij om naar hen en lezen we die prachtige woorden in Jesaja 63 vers 9 (Jes. 63:09): “In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft hen gered. In zijn liefde en in zijn mededogen heeft Hij zelf hen ver­lost en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds”. Dat is het hart van God! Zo ziet Hij om naar Zijn volk en zo ziet Hij om naar de mensheid. David, de profeet, de man naar Gods hart, voelt wat er in Gods hart omgaat als hij zegt: “Wat is het men­senkind dat Gij naar hem omziet?” Het antwoord is: het is Gods liefde en mededogen, maar ook Zijn onkreukbare trouw voor de mens die Hij zo mooi, ja, bijna goddelijk geschapen heeft.

De pijn van God

God verwachtte deze gezindheid ook van de mens, en zeker van Zijn volk die van Hem een wet had gekregen die juist het omzien naar elkaar benadrukte Deuteronomium 4 vers 8 (Deut. 04:08). Opnieuw laten we de profeet Jesaja aan het woord. In hoofdstuk 59 laat de heilige Geest hem de toestand van het volk opschrijven. Vers 4 zegt: “Er is niemand die een gegron­de aanklacht indient, en niemand die naar waarheid richt; zij vertrou­wen op ij delheid, spreken valsheid, gaan zwanger van moeite en baren onheil”.

Wat een verschrikkelijke toestand onder het volk van God! Zo gaat de profeet verder en zegt in vers 15 en 16a: “Zo ontbreekt de waarheid en wie wijkt van het kwade, wordt het slachtoffer van uit­buiting. Maar de Here zag het en het was kwaad in zijn ogen, dat er geen recht was. Hij zag dat er niemand was, en  Hij ontzette zich, omdat niemand tussenbeide trad”.

Wat ontzettend kenbaar zijn deze dingen ook nu in de maatschappij waarin we leven!!

In Ezechiël 22 vers 30 (Ez. 22:30) lezen we nog zo’n noodkreet van God als reactie op het onrecht en de onderdrukking van het arme en behoeftige en van de vreemdeling. We lezen: “Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoes­ten, maar ik heb hem niet gevonden”.

Er klinkt diepe teleurstelling van God uit zo’n woord! God is ontzet, een andere vertaling zegt: “Hij is verbijsterd”, als Hij niemand vindt die opkomt voor het recht van de medemens. Als niemand tussenbei­de komt of het opneemt voor de onderdrukte, de arme en behoeftige en de vreemdeling. Kortweg: iemand die omziet naar de ander! Wat moet Gods hart huilen als Hij in deze tijd naar de wereld kijkt, waar de wetsverachting toeneemt en de liefde van de meeste mensen ver­kilt Matteüs 24 vers 12 (Matt. 24:12). Dat botst met Zijn wezen van goed­heid, liefde en ontferming!

De heilige arm brengt hulp

In de volheid des tijds zou God zelf, als de Grote Herder, omzien naar zijn schapen Ezechiël 34 vers 11 en 12 (Ez. 34:11-12).

Opnieuw is het Jesaja die met krach­tige woorden de komst van de Heer Jezus aankondigt, als de heilige arm van God die te hulp komt. Hij profe­teert:

“Breekt uit in gejuich, jubelt eenpa­rig, puinhopen van Jeruzalem, want de Here heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. De Here heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle ein­den der aarde zullen zien het heil van onze God” Jesaja 52 vers 9 en 10 (Jes. 52:09-10). Het is alsof God zegt: als er dan nie­mand is, zal Ikzelf de mouwen wel opstropen!

Zo kondigt God de komst van Zijn Zoon Jezus Christus aan. En als dan de volheid des tijds gekomen is, dat Zijn heilige arm Hem hulp brengt, dat de Heer Jezus als “De Here onze gerechtigheid” (Jer. 23:6 en Jer. 33:16) komt in de schepping, dan tekent Lucas op: “Het is door de innerlijke barmhartigheid van onze God waarmee de opgang uit de hoogte naar ons zal omzien” (Luc. 1:78).

Met die gezindheid van de Vader zien we de Heer Jezus in Zijn bedie­ning staan. Hij was de aangekondig­de ‘Goede Herder’, Hij deed niet anders dan omzien naar Zijn scha­pen. Niet alleen Herder voor het volk Israël, maar Hij is de Goede Herder voor alle volken, zonder enig onderscheid.

Hij zegt het zelf in Johannes 10 vers 16 (Joh. 10:16): “Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één her­der”.

De gezindheid van Christus

Jezus Christus, de Heer van de gemeente, deed niet anders dan die­nen en nog eens dienen. De Liefde van de Vader was Zijn grote drijf­kracht om altijd om te zien naar de ander en niet bezig te zijn met Zichzelf. Zelfs net voor Hij gevan­gen genomen zou worden, terwijl de gedachte aan Zijn lijden Hem had kunnen verlammen, heeft Hij alle aandacht voor Zijn apostelen om ze te onderrichten, te troosten en te bemoedigen! Die gezindheid wil ^ Heer in Zijn gemeente openbaar zien komen!

Als er sprake is van volwassen zonen Gods, waar de schepping zuchtend op wacht, dan is het niet op mensen die theologisch alles pre­cies weten, maar mensen die een hart hebben ontwikkeld gelijk aan de Vader en de Zoon. Broeders en zusters die met de innerlijke ontferming van de Heer omzien naar de naasten. En die naasten zijn alle mensen ongeacht geloof, cultuur of huidskleur! De apostel Paulus beschrijft in Efeze 4 de kern van het gemeentezijn. De Heer Jezus is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. Daarvoor geeft Hij aan de gemeente apostelen, pro­feten, evangelisten, herders en lera­ren. En dan schrijft de apostel als eerste: “om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon”! Dat staat voorop; de taak van de gemeente zal zijn om met de Heer Jezus als Hoofd, al die mensen, ja, de hele schepping te dienen, vanuit de volle kennis van de Zoon van God en de volwassen volheid van Christus Efeze 4 vers 10 tot en met 13 (Ef. 04:10-13). Dat is omzien naar de ander!!

Grote eenzaamheid

Wij leven in een snel veranderende wereld. Door de onbeperkte vervoers-mogelijkheden, maar ook door de grenzeloze communicatie-mogelijkheden, is de wereld aan het ver­anderen in één grote stad. Maar hoe groter de stad des te groter de een­zaamheid! In West Europa leeft de mens in grote rijkdom en welvaart, maar er zijn nergens op de wereld zoveel depressieve mensen als juist hier. Alleen al in West Europa ple­gen 58.000 zelfmoord, waarvan het merendeel jongeren. Wereldwijd wordt dit aantal op een miljoen geschat!

Nederland kent de grootste bevolkings-dichtheid van de wereld. Honderden culturen zullen samen moeten leven op dit kleine opper­vlak. Naar schatting zullen in 2010, zeker in de grote steden, 57% bui­tenlanders zijn. Vreemdelingen dus! En wij horen en zien dagelijks dat de verdraagzaamheid ver te zoeken is. Kerken en gemeenten worden steeds meer multiculturele centra. Terwijl er in die hele culturele ver­menging over de hele wereld een golf van demonische duisternis de wereld overspoelt.

Er is een onvoorstelbare nood onder de mensen. Velen zijn zwaar getraumatiseerd door alles wat mensen elkaar aandoen en de grote angst die over de wereld aan het komen is. De Heer Jezus spreekt van “radeloze angst, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen” Lucas 21 vers 25 en 26 (Luc. 21:25-26). Hierdoor zondert de mens zich steeds meer af en neemt de eenzaamheid hand over hand toe.

Moeder Theresa, die haar leven gewijd heeft aan de allerarmsten, heeft de eenzaamheid beschreven als de ergste ziekte van de mens­heid!

De oefenschool

De gemeente van Jezus Christus is de grote oefenschool om te leren naar elkaar om te zien. De Heer geeft de bedieningen in de gemeen­te op de eerste plaats om toe te rus­ten tot dienstbetoon, zagen we. Door de heilige Geest zijn alle leden tot één lichaam samengevoegd, als het goed is 1 Korinthe 12 vers 12 en 13 (1 Kor. 12:12-13). Alles wat de Heer geeft en door de heilige Geest gewerkt wordt in gaven, is om de ander in dat lichaam te dienen; het is tot welzijn van allen! De Heer Jezus zegt in Matteüs 6 vers 33 (Matt. 06:33): “Zoekt eerst Zijn koninkrijk en zijn gerechtigheid”. Bij de gerechtigheid van Gods koninkrijk hoort als eerste: ‘omzien naar elkaar’!

Niet alleen in de gemeente, maar ook ons dagelijks leven in de maat­schappij is een oefenschool. Hoe staan wij als christenen in deze mul­ticulturele samenleving? Waar wij zien dat de maatregelen harder wor­den en er steeds minder tolerantie is in de samenleving tegenover vreem­delingen, wat is dan onze houding? Praten we met de grote massa mee of durven wij er voor uit te komen dat wij geheel anders zijn omdat wij Christus hebben leren kennen? Is er al zoveel vrucht van de Geest gegroeid dat we met ieder mens, waar hij ook vandaan komt of hoe afzichtelijk hij er ook uitziet, als dak­loze verslaafde bijvoorbeeld, innerlij­ke ontferming kunnen hebben zoals de Heer Jezus? Wie eerst het Koninkrijk van God zoekt, in alle situaties, zal de sterke hulp van de heilige Geest ervaren om hierin te worden als de Meester. En dat is ons grote verlangen, toch?

 

Verblijdt u. Door Yvonne Sulman

Verblijdt u… Omdat uw naam staat opgetekend in de hemelen!

Woestenij, slangen, oorlog, vijandelijke aanvallen, schorpioenen… Het lijkt soms net alsof onze hele wereld alleen maar uit ellende en strijd bestaat. Echter, we hebben de kracht gekregen om op slangen en schorpioenen te treden. En de Heer zal ons in de dorre woestijn ook van spijze voorzien, zoals het volk Israël onder leiding van Mozes manna ontving. Water zal komen uit de rots, niet omdat we zo geweldig, knap of slim zijn, maar om ons geloof. Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Vanuit deze gedachte waarschuwt Lucas ons ook dat we ons niet moeten verblijden omdat we op slangen en schorpioenen mogen treden (gevaar van hoogmoed, verblinding door triomf), maar dat we ons mogen verheugen omdat onze naam staat opgetekend in de hemelen Lucas 10 vers 19 en 20 (Luc. 10:19-20). Dit betekent een actief geestelijk leven, een levendige relatie en omgang met de Heer waarin we onze blijdschap en vertrouwen en hoop vinden. Dat is het belangrijkste in ons leven!

 

Het doel van God: de complete mens door Cees Maliepaard

“God, de Heer dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die hij hem past” Genesis 2 vers 18 (Gen. 02:18 NBV).

In mijn jonge jaren hoorde ik som­mige christenen met grote stellig­heid beweren dat alleenstaanden niet echt meetellen. Pas wanneer man en vrouw binnen het huwelijks­verband tot een eenheid zijn gewor­den, vormen zij samen de door God bedoelde complete mens. Ik had daar destijds al mijn vraagtekens bij. Maar heden ten dage valt deze mening nog wel eens te beluisteren, en dan kun je in alle redelijkheid je afvragen wat je daar nu mee aan­moet.

De mens, Gods beelddrager

Adam deed zijn intrede op de aarde als de allereerste van Gods beelddra­gers. De Aanwezige plaatste hem in het paradijs, en onze verste voorva­der zal daar ongetwijfeld zijn ogen uitgekeken hebben. Wat een indruk­ken moest hij verwerken en wat zal hij met verwondering de vele varia­ties in Gods schepping bekeken heb­ben! Adam heeft zich in de hof van Eden vast wel op z’n plaats geweten, al zal hij ook bemerkt hebben dat hij als enige een eenling in zijn soort was.

Dat was vanzelfsprekend niet Gods bedoeling met de mens, want om de aarde te bevolken zou Hij dan elk menselijk schepsel apart uit de aarde hebben moeten formeren. De gedachte dat het niet goed zou zijn als Adam alleen zou blijven, kwam echt niet zo maar opeens bij Hem naar boven! Het is aannemelijker dat de Here God wilde dat Adam dit zelf zou ontdekken. De eerste mens kwam steeds duo’s tegen, van elke soort mannelijke en vrouwelijke exemplaren. Alleen was er niet één bij die aan hem gelijk was, hij kon niemand als partner naast zich begroeten. Gaandeweg moet het Adam duidelijk geworden zijn dat het Gods bedoeling was, ook hem gelijkwaardig gezelschap te schenken.

Alle dieren waren door God bedacht en uit de aardse materie in elkaar gezet, maar Eva werd uit een compo­nent van Adams lichaam gevormd. Op het moment dat de eerste mens de tweede ontwaarde, riep hij als met een zucht van verlichting: “Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd” Genesis 2 vers 23 (Gen. 02:23 NBV). Dat ‘eindelijk’ zal niet uit ongeduld geboren zijn, maar eerder een uiting van lang gekoesterde verwachting geweest zijn.

Adam eerst incompleet?

Wie de mening is toegedaan dat man en vrouw samen pas een com­pleet mens vormen, maakt een denkfout. Ieder die alleen blijft, zou dan niet meer dan een half mens kunnen wezen. Ook Jezus zou – zo bezien – in de 33 jaar van zijn leven maar de helft van Gods beeld heb­ben kunnen tonen. En ieder van ons zou als half mens het levenslicht hebben aanschouwd. Maar Jezus was wel degelijk een compleet mens, en elk menselijk schepsel draagt in principe het volle­dige Godsbeeld in zich. De eerste man leek op zijn Schepper en de eerste vrouw evenzo. Het mensbeeld nam in hen niet pas vaste vormen aan vanaf hun samenzijn, maar vanaf het allereerste moment. Als twee mensen in het huwelijks­bootje stappen, nemen ze een besluit dat hun leven ingrijpend zal veranderen. Maar ze worden niet pas na hun jawoord geacht van het menselijk ras deel uit te maken! De schepping kent weliswaar halfapen, doch halve mensen komen we in de biologie bij mijn weten echt niet tegen. Wat wel pas bij het samen- n van twee mensen compleet is hun relatie. Vóór het huwe­lijk zijn het twee menselijke eenlin­gen, vanaf hun gezamenlijk optrek­ken zijn ze een eenheid geworden, een vereniging van twee complete mensen, die samen Jezus en zijn gemeente uitbeelden.

Wat God voor ogen stond

Volwassen mensen zullen zich op een gegeven moment losmaken van hun ouders. Dat principe heeft God zelf in de schepping gelegd. Want al in de eerste fase van het menselijk leven op aarde, in de tijd dat de Here God de Christus nog niet ouenbaar kon laten komen, had Hij man en vrouw als een eenheid in gedachten. Adam was zijn zoon, en die was net als Eva volkomen goed. Zij beantwoordden beiden aan wat de Schepper zich er bij voorgesteld had. Ook hun relatie was derhalve goed. Het was weliswaar een natuur­lijke verbintenis, maar dat wil niet zeggen dat die op wat voor manier dan ook niet voldeed aan wat God er zich mee voor ogen had gesteld. Geestelijke mensen zouden ze waar­schijnlijk later worden. God had de Christus in gedachten, en die bestond uit een hoofd en alle lichaamsleden tezamen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Adam dat hoofd zou zijn geworden, en dat hij samen met Eva ook geestelijk leiding aan de aardbewoners zou zijn gaan geven. Adam en Eva genoten aanvankelijk van een volmaakte natuurlijke huwe­lijksverbintenis. Niets duidde erop dat daar eenmaal een einde aan zou komen, anders dan dat dit in een hogere dimensie uit zou monden. Maar de duivel gooide roet in het eten. Door jaloezie gedreven ruï­neerde hij Gods prachtige schep­ping. Alles was adembenemend mooi, maar hij benam het eerste mensenpaar de levensadem. Ze trap­ten jammerlijk in zijn gemene leu­gen.

Hoe wordt de mens compleet?

Hoe zal het wezen als God alles en in allen is geworden, als het oor­spronkelijke plan van Vader alsnog zal zijn gerealiseerd? Dan zal de maatschappij uit louter geestelijke wezens bestaan die samen één zul­len zijn. De mensen die God zich van de aanvang gedacht had, kennen dan het huwelijk niet meer en zul­len stuk voor stuk in de Christus de volle wasdom bereikt hebben. Wie denkt dat de mens pas compleet is in een huwelijksverband en dit consequent doorvoert, kan tot de vraag komen die de Sadduceeën aan Jezus stelden. Zij kwamen met het hypothetische geval van een vrouw die zeven maal weduwe geworden was en vroegen Jezus: ‘Wiens vrouw zal zij dan bij de opstanding zijn?’ Zijn antwoord was: ‘Bij de opstan­ding trouwen de mensen niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, ze zijn dan als engelen in de hemel.’ De opstanding zal complete mensen tevoorschijn brengen. Niet doordat ze als man en vrouw compleet aan­wezig zullen zijn, maar doordat ze net als Jezus stuk voor stuk aan Gods maatstaf beantwoorden zullen. Het huwelijk dat we in de natuurlij­ke wereld kennen, is een beeld van het verband van Jezus en de zijnen. Maar niemand zal een beeld tot werkelijkheid mogen verheffen. Om compleet mens te zijn, is het niet nodig een relatie met een man of vrouw te hebben. Slechts met Jezus.

 

Inleing Onze omgang door redactie

In dit speciale artikel schrijft Duurt Sikkens over onze omgang met de bijbel. Hoe interpreteren we de inhoud? Is de bijbel een ‘wetboek’ of ‘leefboek’ voor ons? Wij zijn van mening dat in dit artikel op duidelij­ke wijze wordt uigelegd waar het bij het lezen van de bijbel werkelijk om gaat.

 

Onze omgang met de Bijbel door Duurt Sikkens

Het woord ‘bijbel’ is afgeleid van Biblia, hetgeen zoveel betekent als ‘verzameling boeken en geschriften’. Dit boek bestaat voornamelijk uit Joodse geschriften, geschreven in het Hebreeuws en Aramees, veelal het Oude Testament genoemd, en het Nieuwe Testament, in het Grieks, bestaande uit evangeliën, brieven en Openbaringen aan de apostel Johannes. Over de onstaans- geschiedenis bestaat een uitgebreide literatuur en deze is voor de geïnte­resseerde gemakkkelijk toegankelijk. Een vraag: Wie stelden vast welke geschriften tot de Bijbel zouden behoren? Welke ’toelatingsnormen’ dienden te worden gehanteerd? Uitgaande van het woord ‘canon’ dat ‘rietstaf’ betekent en later de over­drachtelijke betekenis kreeg van ‘maatstaf’ of ‘norm’ kwam men, kie­zend uit een enorme hoeveelheid rollen en geschriften tot de begrip­pen ‘canoniek’ en ‘apocrief’ waar­mee dan bedoeld werd dat de eerste categorie wel en de laatste niet als gezaghebbend werd erkend. Daar tussen in waren er, bij gerede twijfel, de ‘deutero-canonieke boeken’ die in de laatste bijbelvertaling van 2004 zijn opgenomen.

Er waren zoveel handschriften, ook van evangeliën en brieven, dat daar­uit een keuze gemaakt moest wor­den. De definitieve vorm die van­daag gehanteerd wordt, is in de loop der eeuwen na Christus ontstaan. Keizers, pausen en concilies hebben zich erover gebogen en uiteindelijk de canon vastgesteld. Aanvankelijk was er bijvoorbeeld veel discussie over de tweede brief van Petrus, een brief van Johannes en van de laatste ook diens Openbaringen. Ook bleek dat een derde brief van Paulus aan de gemeente te Korinte, alsmede brief van Laodicea, verloren waren gegaan. Zelfs waren er vervalsingen in omloop. Er is ook nog een evan­gelie van Thomas. Enfin, ’t werd een hele uitzoekerij.

Een ‘heilig boek’?

Mijn vraag luidt: Is dit allemaal ‘Gods Woord’, zoals velen de bijbel plegen te noemen? Er bestaan, in vele varianten, allerlei termen zoals: ‘onfeilbaar’ en ‘van kaft tot kaft’ als zou elke woord in dit boek geïnspi­reerd zijn door de heilige Geest. Wanneer dit als een onwrikbaar uit­gangspunt wordt gehanteerd kom je tot de omvermijdelijke conclusie de bijbel een ‘heilig boek’ zou zijn. En zo hebben de Moslims hun Koran, de Hindoes hun Veda, de Mormonen het boek Mormon. Alle grote en kleine godsdiensten hebben hun heilige geschriften. Daarin schuilt een groot gevaar, immers, wanneer je een godsdienst fundeert op alleen een boek krijg je heel veel interpretaties mét de daar­uit voortvloeiende verdeeldheden, scheuringen en oorlogen. Wie de kerkgeschiedenis erop naleest vindt daarin alle bewijsmateriaal. Elkeen hanteert de eigen ‘waarheid’ en ‘elke ketter heeft zijn letter’, omdat ieder een bijbelteksten weet aan te voeren als onderbouwing van het eigen gelijk. (Even terzijde: Als de bijbel letterlijk geïnspireerd zou zijn, waar­om de exegese dan niet?) Andere vraag: Zouden er geen aan­wijsbare fouten in de bijbel kunnen staan? Nou, daar zijn genoeg studies aan gewijd om die aan te tonen. Daar ga ik hier niet op in maar mis­schien hoef ik alleen maar het bekende voorbeeld aan te halen van het motief van koning David om het volk te tellen. Vergelijk 2 Samuël 24 met 1 Kronieken 21 en trek zelf uw conclusie. En wat te denken van “een boze geest die van de Here kwam”? 1 Samuel 16 vers 14 (1 Sam. 16:14).

Wat zeg je zelf?

Hiermee wil ik maar zeggen dat, wanneer iemand roept: “In de bijbel staat…”, dit niet altijd een argument is. Of een ander zegt: “Paulus zegt…” Dat kan best zo zijn, maar wanneer je dit beweert tegen iemand die nog nooit een letter in de bijbel heeft gelezen, kan deze zeggen: “Wie zegt u? Ken ik niet…” Het punt is, denk ik, wat zeg je zélf. Je bent zelf verantwoordelijk voor wat je zegt en beweert. En zegt iemand, out of the blue,: “De Heer zegt mij…” dan is dit natuurlijk boven alle twijfel verheven… De Joden zeiden tegen Jezus: Mozes zegt…” Jezus repliceerde met: “Zeker, dat klopt, maar ik zeg jullie…” en dan kwam er iets beters. Lees in dit verband de brief aan de Hebreeën maar eens door. Daarin staat zo’n tien keer het woordje ‘beter’, zoals ‘betere beloften’, ‘een beter vaderland’ en een ‘beter ver­bond’.

Nogmaals, wat zeg je zélf. Dan wor­den het de vruchten van de Geest met jouw geest, vruchten naar jouw eigen aard. De vruchten zijn altijd het resultaat van een bevruchting. Ik bedoel dit: Je leest bijvoorbeeld in overlijdensadvertenties, bij herden­kingsbijeenkomsten en op geboortekaartjes vaak een citaat uit een gedicht, een psalm, een bijbeltekst waarin op kernachtige wijze wordt gezegd wat de mensen heeft bezield of tot troost is. Daar is niks mis mee. Een ’tekst’ is een uitspraak van een ander. Het zijn de geestesvruch­ten van bijvoorbeeld een David, een Zefanja, een moordenaar aan het kruis. Vaak worden ook beelden gebruikt, ontleend aan het Midden- Oosten. Maar nu, wat zeg je zélf? Ik vermoed dat een Innuit andere beel­den gebruikt dan een Maori en dat de Nederlander tot andere gelijkenis­sen komt dan de leden van een Tibetaanse bergstam. Dat is een heerlijke variatie en biedt een grote verscheidenheid aan uit­drukkingsmogelijkheden. Petrus, een van de volgelingen van het eerste uur, schrijft in een brief: “Als je spreekt, laten het dan woor­den als van God zijn”. Logischerwijze betekent dat dat er na het verschijnen van de canonieke boeken er vaak genoeg woorden Gods zijn gesproken die dan niet in de bijbel staan. Wie goed luistert, leest, vindt er vele, in navolging van Jeremia die rustig stelt: “Zo vaak Uw woorden gevonden werden, at ik ze op” Jeremia 15 vers 16 (Jer. 15:16).

Dezelfde God, andere interpreta­tie

De God van het Oude Verbond is niet anders dan van het Nieuwe Verbond. God is niet veranderd en Zijn natuur zal ook niet veranderen. Maar de interpretatie was zo anders. Heel veel eigenschappen van de satan werden Hem toegeschreven en vele ‘andere goden’ verdrongen zich zich ‘voor Zijn aangezicht”, in het gezichtsveld van de ‘ouden’ (dit is de oud-denkenden). Hun God moest lijken op de goden van de omliggen­de heidense volkeren, maar dan natuurlijk veel sterker en machti­ger…

In de oude denkbeelden is sprake van zoveel wraak, zoveel vervloekin­gen, zoveel bloederig geweld ‘in de naam van de machtige(!) Israëls’. En velen denken dat onze Vader achter al die oorlogen, de terreuraanslagen, de (tien) plagen, de zondvloed zit. Het oude denken zat en zit diep. En toen Jezus kwam en de Vader deed kennen en trachtte uit te leggen wie Hij werkelijk was en is, werd hij als een waardeloos bevonden steen weg­gegooid. Op zo’n mens kun je niet bouwen…

Ook Johannes en Jakobus kregen van Jezus het verwijt dat hun den­ken nog steeds niet was veranderd en ze kregen te horen “dat ze niet wisten wat voor geest ze waren”. Er lag nog een Mozaïsche bedekking over hun denken, vandaar… Het woord ‘bekering’, waar een iet­wat gedateerde geur omheen hangt, betekent niets anders dan ‘verande­ren van denken’. Eigenlijk riep Jezus de religieuze mensen van zijn dagen op om nou eens anders over God te gaan denken dan ze tot dan toe gewend waren geweest, ’t Was dan ook een ingrijpende omschakeling van een ‘God der wrake’ naar een bescheiden, onopvallende man, die rustig vertelde dat God eruit zag zoals hij, zoals hij sprak en handel­de. Tevens merkte hij op dat je een ingelukkig mens zou worden wan­neer je daaraan geen aanstoot nam. Jezus hoopte zo dat de ogen van de mensen zouden opengaan voor het Godsbeeld, dat hij zelf was.

Gods grote geheim

Het ontvangen van de Geest van de Heilige is een ontroerende gebeurte­nis, want je ontvangt het liefdevolle levensbeginsel van God in je geest. Het is een conceptie, het begin van de Christus in je: Gods grote geheim. En we hebben deze Geest niet ontvangen om eigen idealen te verwezenlijken, onder het mom van een ‘speciale bediening’, maar om Zijn ideaal te verwezenlijken en om Zijn stem te kunnen horen en zelf te leren denken zoals Hij denkt.

David roept een keer uit: “Hoe kos­telijk zijn mij Uw gedachten!” Die koesterde hij als kostbare schatten. Gods woorden zijn overal te horen en te vinden mits je er oor en oog voor het gekregen. Luister alleen al maar es naar wat soms ‘uit de mond van kinderen en zuigelingen’ valt te horen! Woorden Gods staan niet alleen in de bijbel. Wel hanteer je, zoals reeds gezegd, de uitspraken Gods zoals die door de profeten zijn genoteerd, als referentiekader. Je dient namelijk alle profetieën, visioenen, preken te toetsen op hun betrouwbaarheid, hun echtheid. Jezus verwijst vooral naar Mozes, de Psalmen en de Profeten omdat die getuigen van de Christus, dat wil zeggen van Jezus èn van degenen die van hem zijn. Trouwens, dit is óók een behoorlijke verandering in denken: te weten dat er ook over óns is gesproken en geschreven. Dan komt alles heel dicht bij de mens of, nog beter, in de mens tot wording en hebben we deel aan het woord Gods vanaf het allereerste begin.

Veel pseudologie

Nog iets. Je hoort wel eens: “De Heer zegt…” of “Ik heb in mijn hart…” of Ik word erbij bepaald dat…” of “Ik heb gedroomd dat…” of andere uitspraken die iets heel bij­zonders moeten suggereren. De vra­gen die je dan rustig kunt stellen

zijn dan: Welke heer? Wie bepaalde je ergens bij? Want niet ontkend kan worden dat er ongelooflijk veel wild­groei en pseudologie op dit terrein te horen is. (Lees Jeremia 23 er maar eens op na).

Ook het eigenmachtig uitleggen en invullen van bijbelse profetieën naar bepaalde natuurlijke volken toe komt heel veel voor, terwijl al deze dingen bedoeld zijn voor een geeste­lijk volk. Het blijft actueel om niet iedere geestesuiting voetstoots aan te nemen als een uiting van de Heilige Geest.

Uiteraard hebben ook de oude profe­ten, door hun gedeeltelijke zicht op God, hier en daar onjuistheden ver­meld. Wanneer bijvoorbeeld God ook de Schepper wordt genoemd van de duisternis, kan dit niet waar zijn “want”, zegt Johannes, “er is in Hem geen spoor van duisternis”. Dan kan er ook nooit iets duisters (zonden, ziekten, dood) uit hem voortkomen. Zo toets je de profe­tieën en je behoudt het goede, het ware bewaar je.

Maar in 2 Timoteüs 3 vers 16 (2 Tim. 03:16) staat toch dat elk schriftwoord van God is ingegeven? Nee, dat staat er niet, eeuwenlange discussies ten spijt. Als dat er stond hoefde de beperken­de bepaling ‘van God gegeven’ er niet voor te staan, dan was ‘schrift­woord’ voldoende. Eigenlijk staat er dat niet elk schriftwoord door de

Geest geïnspireerd is, maar Gods kinderen zullen altijd herkennen wat van hun Vader is uitgegaan. Anders, gezegd door Zijn zoon: “Mijn schapen kennen mijn stem wel”. Die onderscheiden duidelijk de stem van vreemde stemmen, omdat die laatste niet barmhartig zijn en altijd wat van een mens móeten. Verder zei deze goede herder: “De Heilige Geest zal jullie alles leren en te binnen brengen wat Ik je heb gezegd”. In dit verband is het heel opmerkelijk om de betekenis van het Griekse woord voor ‘lezen’ te bekijken (anaginoskoo). Dat bete­kent ‘her-inneren, herkennen, weer weten’. Prachtig! Zo gauw je iets hoort of leest herken je, dan weet je het weer: Dit is van mijn Vader, en dat niet.

Wat zegt Gods Geest?

Enfin, ik wou maar zeggen dat de bijbel een door mensen en in men­sentaal geschreven boek is over hun omgang met God. Hierin staan veel woorden van Hem en die worden herkend door Zijn kinderen. Laten we dus maar goed luisteren naar wat Zijn Geest in de gemeente zegt en laat zien. Dat zijn altijd levend­makende, rustgevende gedachten die in allerlei gedaanten verschijnen kunnen.

De mooiste verschijning is wel de gestalte Gods in mensen. Ze zijn levende woorden geworden en zijn zo getuigen van Zijn wezen. Het woord is ook in jou aan het worden, in jouw mens-zijn, in overeenstem­ming met de Vader. En zo ga je als een van Zijn levende woorden de wereld in.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet”, zongen de ouden. Wat zou je ervan vinden te ontdekken dat je een lamp bént, omdat het lichtende woord in jou gestalte heeft gekregen, tot grote vreugde van de Vader. Licht is liefde.

De mens is, in dubbele betekenis, geschapen om lief te hebben.

 

De ontwikkeling van ‘Opstaan’ door Froukje Huis

‘Froukje opstaan! ’t is 7 uur!’ Ik lig knus weggedoken in mijn warme bed onder de gestikte deken. Ik kijk naar het venster: dikke ijs­bloemen op de ruiten. Mijn adem is zichtbaar als een wolkje in de koude lucht. ‘Ben je er uit?’ Ja, ja ik haast me al. Rillend zet ik mijn blote voeten op het koude zeil. In de waskom ligt een vliesje ijs. Opstaan, hoe komen ze er bij!

We zitten in de bus (wat zelden gebeurt). De bus is vol. Er stapt een oude dame in. Ik krijg een duwtje: opstaan! Ja voor de grijze haren moet je opstaan. Als moeder het niet zegt, doet de conducteur dat wel. Opstaan en vlug! Ik sta al. ’t Is feest. Er is iemand jarig. Mijn neefje en ik zitten naast elkaar. ‘Als er iemand komt, opstaan en een hand geveni’ is het consigne. Daar komt al iemand. Gehoorzaam staan we op. ‘Opzitten en pootjes geven’, fluistert mijn neef en gniffelend gaan we weer zitten. Iemand kijkt onze kant uit.

’t Is vroeg in de morgen. De zon schijnt door het venster. Ik word wakker met een gevoel van verwachting. Wat is er ook weer? O, ja we gaan met vakantie naar Ameland! Ik luister, het is stil, zou ik al mogen opstaan? Ik hoor nog niemand. Met gespitste oren blijf ik luisteren: ik wil opstaan!

Er wordt voorgelezen uit de kinder­bijbel. Over Jaïrus die naar Jezus gaat voor zijn doodzieke dochtertje. Door veel oponthoud komt Jezus te laat, het kind is al gestorven. Maar Jezus pakt haar hand en zegt: “Dochtertje , Ik zeg u: sta op!” En ze is genezen!

En dan die lamme man die door het dak gelaten werd. Jezus zegt gewoon: ‘Ik zeg u sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.’ En de man doet het.

Ja dat was ook opstaan en dat was geweldig, maar dat hoorde thuis in de bijbel en niet in ons eigen leven. Bij het ouder worden ga je naden­ken. Opstaan, wat houdt dat woord in? Een oproep om in actie te komen!

Zoals de verloren zoon die moede­loos bij de varkens zit, zegt: ‘ik zal opstaan en naar mijn vader gaan.’ Je gaat op zoek in de bijbel en komt tot een geweldige ontdekking. David die God oproept om op te staan. Psalm 3 vers 8 (Ps. 003:008): “Sta op, Here, en verlos mij”. En Psalm 44 vers 27 (Ps. 044:027): “Sta op, Here, ons ter hulpe”. En Psalm 74 vers 22 (Ps. 074:022): “Sta toch op, Here!”

En God is opgestaan! Hij is in actie gekomen! En hoe! Hij heeft zijn enige Zoon gegeven om ons te ver­lossen en te hulp te komen. Jezus stierf voor onze zonden, maar pas door zijn opstanding heeft Hij de dood overwonnen. God wekte Hem: ‘Jezus, sta op!’ en door de kracht van de heilige Geest stond Jezus op. Ieder die in Jezus gelooft, mag nu zijn oude leven achterlaten en opstaan tot een nieuw leven met Hem.

Als het werk dat Jezus bezig is te doen in en door zijn gemeente klaar is, zal opnieuw een machtige roep door het heelal klinken: “Opstaan!”‘ Dan zullen de zonen Gods, waar heel de schepping reikhalzend op wacht, openbaar worden. Dan zullen we ten volle beseffen wat ‘Opstaan!’ betekent. Ik zie er naar uit. U ook?

 

 

Bijbelstudieweek met Klaas Coverts

Evenals vorig jaar wordt er ook dit jaar weer een bijbelstudieweek/opbouwweek gehouden op Urk van 2 tot 9 juli 2005. We logeren weer in De Morgenster. Het thema is: De majesteit van God. Met aandacht voor uitverkiezing, de sleutels van het Koninkrijk, Gods plan in de geschiedenis en andere onderwerpen. De studies worden gegeven door Klaas Goverts. Nadere inlichtingen en aanmelding uitsluitend bij br. J. Spanjersberg.